Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG5207

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
02-12-2008
Zaaknummer
07/10487
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG5207
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft niet beslist op een verzoek van de verdediging tot het verrichten van nader onderzoek. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het verzoek voorwaardelijk is gedaan, te weten voor het geval dat het Hof opzet in voorwaardelijke vorm bewezen zou achten. Nu het Hof dat niet heeft aangenomen, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet vervuld, zodat het Hof niet gehouden was uitdrukkelijk op het verzoek te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 887
RvdW 2009, 22
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. S 07/10487

Zitting 23 september 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 20 juli 2007 wegens poging tot doodslag veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, in de gebruikelijke alternatieve modus. Ook zijn nog andere beslissingen genomen over inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

2. Namens verzoeker heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd om een met redenen [omklede] beslissing te nemen over een verzoek van de verdediging, strekkende tot het doen verrichten van nader onderzoek.

4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de op 6 juli 2007 gehouden terechtzitting van het hof gehechte pleitnotities heeft de verdediging het volgende subsidiaire verzoek gedaan:

"7.3 Dan resteert de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet en die ander (lees: verzoeker, J) derhalve willens en wetens de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat tijdens de worsteling zijn vuurwapen onbedoeld zou afgaan en de kogel [slachtoffer] zou treffen.

Niet is komen vast te staan dat een aanmerkelijke kans aanwezig is dat een doorgeladen vuurwapen dat zich achter de broeksband bevind[t], ongewild zou afgaan tijdens een worsteling/vechtpartij. Mocht uw gerechtshof tot een bewezenverklaring van feit 1 komen, dan verzoek ik u een deskundige van het NFI onderzoek te laten doen hoe groot de kans is dat een doorgeladen vuurwapen dat zich achter de broeksband bevind[t], ongewild zal afgaan tijdens een worsteling/vechtpartij."

5. Het voorschrift van art. 330 Sv veronderstelt - voor zover het een verzoek betreft dat strekt tot het doen verrichten van nader onderzoek - dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het alsnog doen horen van met name genoemde getuigen of getuige-deskundigen of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling. Het hiervoor onder 4 weergegeven verzoek voldoet aan die maatstaf en geldt dus als een verzoek in de zin van art. 330 Sv, zodat het hof gehouden was op het verzoek een beslissing te geven.

6. Het proces-verbaal noch het bestreden arrest houden een beslissing in op het gedane verzoek. In beginsel heeft dit nietigheid tot gevolg. In casu behoeft dit verzuim mijns inziens echter niet tot nietigheid te leiden, omdat het hof wel impliciet hierover heeft besloten. Immers, het subsidiaire verzoek werd gedaan in het kader van het gevoerde verweer omtrent het voorwaardelijke opzet van verzoeker. Zoals blijkt uit het bestreden arrest heeft het hof dit verweer met betrekking tot het voorwaardelijke opzet als volgt besproken en gemotiveerd verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het opzet tot de poging tot doodslag ontbreekt nu [slachtoffer] heeft verklaard dat hij niet gezien heeft dat verdachte op hem heeft geschoten. Voorts voert de raadsman aan dat ook geen sprake is van voorwaardelijk opzet omdat [slachtoffer] heeft verklaard dat zijn belager het wapen in zijn broeksband had gedaan, dat er een worsteling tussen aangever en zijn belager is ontstaan en dat aangever vervolgens is getroffen door een kogel, terwijl hij niet gezien heeft dat zijn belager een wapen in zijn hand had en dat hij schoot.

(...)

Het hof verwerpt deze verweren van de raadsman op grond van het navolgende.

Met betrekking tot het opzet:

Uit de verklaring van de aangever op 6 december 2005 (proces-verbaal 2005185972-1, blz. 49-56) tegenover de politie blijkt onder meer dat hij zag hoe verdachte een wapen uit zijn broeksband pakte en dit wapen overhaalde; dat verdachte terwijl hij dit deed zei: "Ik ga je schieten"; dat verdachte het wapen weer wegdeed; dat er een worsteling tussen aangever en verdachte ontstond en dat verdachte zich tijdens die worsteling omdraaide en een bepaalde beweging met zijn arm maakte, waarna aangever voelde dat er een kogel door hem heen ging. De afstand tussen aangever en verdachte was klein toen hij schoot. Verder blijkt uit de verklaring van [getuige], tegenover de rechter-commissaris afgelegd op 5 juli 2006, dat verdachte haar, [getuige], heeft verteld dat hij die Marokkaanse jongen had neergeschoten.

Uit dit voren overwogene kan worden afgeleid dat verdachte met opzet op het slachtoffer heeft geschoten."

7. Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot het doen van nader onderzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken (HR 17 april 2001, LJN ZD2317). In 's hofs overweging ligt als zijn zelfstandig gedragen oordeel besloten dat het zich - zonder dat nader onderzoek werd verricht - voldoende voorgelicht heeft geacht om te kunnen beslissen over het opzet van verzoeker en in het bijzonder over de vraag of tijdens de worsteling zijn vuurwapen (on)bedoeld is afgegaan en de kogel [slachtoffer] heeft getroffen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu het hof reeds uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat verzoeker het vuurwapen achter zijn broeksband vandaan heeft gehaald (of het daar zodanig heeft gemanipuleerd dat hij ermee op zijn tegenstander kon schieten) en met opzet - in de zin van zekerheidsbewustzijn - op [slachtoffer] heeft geschoten. In dat oordeel ligt dus besloten dat en waarom het hof geen noodzaak zag voor nader onderzoek (cf. HR 17 april 2001, LJN ZD2317). Immers, volgens het hof was er in casu in het geheel geen sprake van voorwaardelijk opzet, maar van opzet tout court, zodat de vraag hoe groot de kans is dat een doorgeladen vuurwapen, dat zich achter de broeksband bevindt, ongewild zal afgaan tijdens een worsteling, niet (meer) hoefde te worden beantwoord en uitsluitend nog van theoretisch belang was. Met 's hofs verwerping van het verweer betreffende het voorwaardelijk opzet en daarmee met zijn vaststelling van verzoekers opzet is 's hofs afwijzing van het verzoek strekkende tot nader onderzoek voldoende met redenen omkleed.

8. Het voorgestelde middel faalt en leent zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende formulering.

9. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G