Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG4265

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
07/12735
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG4265
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet. Blijkens hetgeen het Hof heeft overwogen, heeft het Hof opzet in de vorm van voorwaardelijk opzet bewezen geacht. Vw. opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor het in deze zaak bewezenverklaarde opzet is echter niet zonder meer redengevend de vaststelling door het Hof dat verdachte “vol gas gaf, zonder zich ervan te vergewissen waar aangeefster en X zich op dat moment bevonden”, noch dat hij er “rekening mee had moeten houden” dat zij zich nog in de buurt van de auto bevonden en zich nog van die auto moesten verwijderen. Daaruit volgt immers niet dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de beide slachtoffers zich voor de auto zouden bevinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 1039
NJ 2009, 32
RvdW 2009, 126
NJB 2009, 200
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12735

Mr. Knigge

Zitting: 11 november 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden op 27 november 2006 vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde en voor 1 subsidiair. "Poging tot doodslag, meermalen gepleegd" en 2. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen als nader in het arrest omschreven.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over de schending van de inzendtermijn. Op 11 december 2006 heeft verdachte cassatieberoep ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn de stukken op 10 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Reparatie van deze schending door een voortvarende behandeling behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit verzuim dient te leiden tot strafvermindering.

5. Het eerste middel slaagt.

6. Het tweede middel klaagt over het bewezenverklaarde opzet op de dood van zijn ex-partner [slachtoffer 1] en hun zoontje.

7. Uit de bewijsmiddelen valt het volgende af te leiden. Verdachte is in zijn BMW naar het tennispark gereden, alwaar hij [slachtoffer 1] treft. Die trekt op een gegeven moment hun zoontje [slachtoffer 1], die op de achterbank zat, uit de auto en loopt met hem op de arm weg, voor de auto langs naar het tennispark. Op dat moment hoorde en zag zij verdachte gas geven, waarna zij, met haar zoontje op de arm, wordt aangereden en op de motorkap terechtkomt. Toen verdachte vol op de rem ging staan, zijn zij op de grond gevallen. Ooggetuige [getuige 1] heeft gezien dat [slachtoffer 1] het kind uit de auto haalde en dat zij daarmee wegliep, dat zij de motor van de auto hoorde brullen en zag dat zij werd aangereden. Nadat verdachte remde, viel het slachtoffer met haar zoon op straat. Ook ooggetuige [getuige 2] heeft dit gezien. Ooggetuige [getuige 3] heeft gezien en gehoord dat verdachte vol gas gaf en [slachtoffer 1] met het kind op de arm aanreed.

8. Tot zover de bewijsmiddelen. In het arrest heeft het Hof nog het volgende overwogen:

"Nadere bewijsoverweging

Op grond van de verklaring van aangeefster - en ex-partner van verdachte - [slachtoffer 1] en de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat verdachte, terwijl aangeefster vlak daarvóór hun zoontje [slachtoffer 2] uit verdachtes auto had gehaald en aangeefster met [slachtoffer 2] op haar arm nog doende was voor de auto langs te lopen, vol gas gaf, zonder zich ervan te vergewissen waar aangeefster en [slachtoffer 2] zich op dat moment bevonden. Verdachte is vervolgens tegen aangeefster en [slachtoffer 2] aangereden, waardoor zij beiden op de motorkap terechtkwamen en op de grond zijn gevallen. Verdachte had er rekening mee moeten houden dat aangeefster en [slachtoffer 2] zich nog in de buurt van de auto bevonden en dat zij zich nog van die auto moesten verwijderen. Door dit niet te doen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster en hun zoontje ten gevolge van zijn handelen zouden komen te overlijden. Het hof acht op grond daarvan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen."

9. Uit de nadere bewijsoverweging kan worden afgeleid dat het Hof het oog heeft gehad op voorwaardelijk opzet. "Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552)."(1)

10. Verdachte moet dus wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] zou kunnen aanrijden met dodelijke afloop. Hij moet zich er bewust van zijn geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] het leven zouden kunnen laten en hij moet de kans daarop op dat moment op de koop toe hebben genomen. Het Hof heeft echter overwogen dat verdachte is weggereden "zonder zich ervan te vergewissen" waar [slachtoffer 1] met hun zoontje zich op dat moment bevonden. Hij had "er rekening mee [had] moeten houden dat zij zich nog in de buurt van de auto bevonden". Daarmee neigt deze bewijsoverweging naar culpa, naar onvoorzichtig en wellicht zelfs roekeloos rijden door niet goed uit te kijken, daar waar oplettendheid was geboden, en dat is te weinig voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet.(2) Met de steller van het middel ben ik van oordeel dat de bewijsoverweging niet dragend kan zijn voor het oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Het Hof stelt niet vast dat de verdachte zich ervan bewust was dat de slachtoffers zich nog in de buurt van de auto bevonden, laat staan dat hij zich ervan bewust was dat (de kans groot was dat) zij voor de auto langs zouden lopen. En dat laatste lijkt mij tenminste vereist.

11.De gebezigde bewijsmiddelen zijn niet van dien aard dat de conclusie dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, zich opdringt. Ik zie daarom geen reden de bewijsoverweging van het Hof welwillend te lezen. Uit de bewijsmiddelen had het Hof wellicht kunnen afleiden dat de verdachte heeft gezien dat [slachtoffer 1] voor zijn auto langs liep (omdat dat moeilijk anders kon) en dat hij gezien de brullende motor uit kwaadheid jegens zijn ex-partner handelde, maar dat heeft het Hof nu juist niet gedaan. Het heeft - kennelijk niet zonder reden - het belastende bewijsmateriaal dat de Rechtbank aan de bewezenverklaring ten grondslag had gelegd, terzijde gesteld.

12. Het tweede middel slaagt eveneens.

13. Nu het tweede middel slaagt, zal de Hoge Raad het eerste middel onbesproken laten (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov, 3.5.3).

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit en ten aanzien van de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 5 december 2006, NJ 2006, 663, r.o. 3.3 (spookrijden).

2 Vgl. De Hullu, Materieel Strafrecht, 3e druk, p. 222.