Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG4004

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
07/11509
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2007:BA6750
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG4004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Geschil tussen Gasunie en grondeigenaren over de uitleg van algemene voorwaarden betreffende de aanleg en instandhouding van leidingen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 1021
RvdW 2009, 118
JWB 2008/514
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer: 07/11509

mr. E.B. Rank-Berenschot

Rolzitting: 7 november 2008

CONCLUSIE inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

tegen

N.V. Nederlandse Gasunie

Deze zaak heeft betrekking op de uitleg van de Algemene Voorwaarden betreffende aanleg en instandhouding van leidingen 1966, welke van toepassing zijn op de door verweerster in cassatie (hierna: Gasunie) met grondeigenaren te sluiten overeenkomsten betreffende aanleg en instandhouding van leidingen met bijbehoren.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

Eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) zijn eigenaar geweest van een aantal percelen grond, gelegen in de gemeente [plaats]. De percelen waren op 13 december 1973 respectievelijk 21 december 1978 door [eiser] c.s. in eigendom verkregen.

1.2 Vóór de eigendomsverkrijging hadden [eiser] c.s. de percelen sinds 1968 reeds in gebruik krachtens een pachtovereenkomst, die zij op 30 september 1967 waren aangegaan met de toenmalige eigenaresse van de grond, [betrokkene 1].

1.3 In de percelen bevonden zich gasleidingen van Gasunie. Gasunie had daartoe bij akte van 10 oktober 1967 een zakelijk recht verkregen op basis van een overeenkomst met [betrokkene 1]. Op deze overeenkomst waren van toepassing de Algemene Voorwaarden betreffende aanleg en instandhouding van leidingen (hierna: de AVL 1966).

1.4 In de AVL 1966 is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel VII

1. Gasunie stelt zich aansprakelijk voor alle door de aanlegwerkzaamheden, door het eigenlijk gebruik of de inspectie van het werk, dan wel door onderhouds-, herstel-, vervangings- of verleggingswerkzaamheden veroorzaakte:

a. beschadiging of vernietiging van aan grondeigenaar toebehorend, casu quo krachtens de wet door hem te onderhouden land, opstallen en andere zaken, met inbegrip van gewassen;

b. directe belemmering van de exploitatie van het op de grond gevestigde bedrijf.

2. Indien in de toekomst als gevolg van de aan Gasunie verleende rechten schade voor de grondeigenaar zou ontstaan, welke niet volgens de regelen van deze A.V.L. is vergoed, zal Gasunie deze schade alsnog aan grondeigenaar vergoeden indien en voor zover:

a. grondeigenaar aanspraak op schadevergoeding zou kunnen maken in geval hem ten aanzien van het in artikel 1 van de overeenkomst omschreven werk een gedoogplicht overeenkomstig de Belemmeringenwet Privaatrecht zou zijn opgelegd, en

b. de schade door grondeigenaar zoveel mogelijk is beperkt, bijvoorbeeld door aanwezige of redelijkerwijze te verwachten schade-oorzaken tijdig aan Gasunie schriftelijk mede te delen, zodat Gasunie in staat zal zijn het werk eventueel te doen verplaatsen of de nodige ontheffingen te verlenen.

(...)

3. Schade als bedoeld in de leden 1 en 2, welke niet is of wordt geleden door grondeigenaar, doch door degene(n), die van hem een recht van gebruik van de grond heeft (hebben) verkregen, zal Gasunie rechtstreeks aan die gebruiker(s) vergoeden.

4. In dit artikel dient onder grondeigenaar te worden verstaan degene(n), die bij het sluiten van de overeenkomst als wederpartij van Gasunie optreedt (optreden), dan wel de huidige gebruiker - niet eigenaar -, alsmede beider rechtsopvolgers onder algemene titel.

(...)"

1.5 [Eiser] c.s. hebben de grond in 1994 aan een projectontwikkelaar verkocht voor de prijs van ƒ 35,- per m².

1.6 Bij inleidende dagvaarding van 1 juni 2005(2) hebben [eiser] c.s. Gasunie gedagvaard voor de rechtbank Groningen. [Eiser] c.s. hebben gevorderd voor recht te verklaren dat de weigering van Gasunie hen schadeloos te stellen onrechtmatig is en Gasunie te veroordelen tot betaling aan hun van een bedrag van € 2.500,- wegens buitengerechtelijke kosten. [Eiser] c.s. hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij schade hebben geleden als gevolg van de aanwezigheid van de gasleidingen, doordat zij de percelen voor een lager bedrag hebben moeten verkopen dan wanneer er geen gasleidingen aanwezig waren geweest.

1.7 Gasunie heeft gemotiveerd verweer gevoerd, onder meer(3) inhoudende dat de AVL 1966 geen basis bieden voor de vordering van [eiser] c.s. alsmede dat [eiser] c.s. geen schade hebben geleden door de aanwezigheid van de gasleidingen.

1.8 Bij vonnis van 1 maart 2006 heeft de rechtbank de vordering van [eiser] c.s. afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen - kort samengevat - dat artikel VII van de AVL 1966 geen grondslag biedt voor vergoeding van de gestelde schade.

1.9 [Eiser] c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Leeuwarden.(4) Bij arrest van 6 juni 2007 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.(5)

1.10 [Eiser] c.s. hebben tegen dit arrest tijdig(6) beroep in cassatie ingesteld. Gasunie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] c.s. nog hebben gerepliceerd.(7)

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatieberoep bestaat uit één middel, dat uiteenvalt in verscheidene rechts- en motiveringsklachten. Het middel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 5 tot en met 7 en de daaruit voortvloeiende beslissing, in welke rechtsoverwegingen het hof het volgende heeft overwogen:

"5. (...) [eiser] c.s. hebben hun onderhavige vordering gebaseerd op de hoedanigheid van [eiser 1] van gebruiker, niet-eigenaar. Dit in afwijking van de eerdere arbitrale procedure (gevolgd door procedures bij de civiele rechter) waar de schadevordering van [eiser] c.s. was gebaseerd op de hoedanigheid van opvolgend eigenaar onder bijzondere titel.

Lid 4 van art. VII van de AVL(8) 1966 bepaalt weliswaar dat onder 'grondeigenaar' in de zin van dit artikel ook dient te worden verstaan 'de huidige gebruiker/niet-eigenaar'. Derhalve geldt dat ook de gebruiker/niet-eigenaar, zoals [eiser] c.s. destijds was, aanspraak kan maken op schadevergoeding. Zonder twijfel houdt dit in dat [eiser] c.s. destijds aanspraak kon maken op gebruiksschade, die hij als gebruiker/pachter destijds mogelijk heeft geleden door de aanwezigheid van de gasleidingen.

De vraag is echter of dit ook impliceert dat de gebruiker/niet-eigenaar schade kan vorderen die hij als eigenaar heeft geleden, zoals in casu de gevorderde minderopbrengst bij de verkoop van de gronden moet worden gekwalificeerd. Gelet op zowel het onderscheid dat in art. VII wordt gemaakt tussen enerzijds schade van de grondeigenaar, en anderzijds schade van de gebruiker, als ook in het licht van de strikte omschrijving van de rechthebbenden op schadevergoeding, ziet het hof onvoldoende grond voor een bevestigende beantwoording van deze vraag.

Het hof overweegt hierbij nog dat lid 4 in ieder geval buiten twijfel stelt dat ook opvolgers onder algemene titel van grondeigenaren c.q. gebruikers/niet-eigenaren, recht hebben op schadevergoeding. Derhalve is geen sprake van een artikellid dat, indien de uitleg van [eiser] c.s. niet wordt gevolgd, zinledig is.

Voorts kent het hof gewicht toe aan de toelichting van Gasunie, dat een beperkte uitleg van art. VII begrijpelijk is tegen de achtergrond dat onder bijzondere titel opvolgende grondeigenaren, geacht worden als eigenaar geen schade te hebben geleden, omdat een eventuele minderwaarde van de gronden verdisconteerd zal zijn geweest in de koopprijs.

6. Naar 's hofs oordeel zijn er in de brief van [betrokkene 2] van LTO Noord geen toereikende aanknopingspunten te vinden om tot de door [eiser] c.s. verdedigde uitleg te komen. De latere uitbreidingen van de als 'grondeigenaar' rechthebbenden op schadevergoeding, is in dezen niet doorslaggevend, nu het, afgezien van het feit dat het daar om latere ontwikkelingen gaat, dan gaat om schade als eigenaar.

7. Het hof komt aldus tot de conclusie dat de grief faalt.

[Eiser] c.s. hebben nog een bewijsaanbod gedaan, doch dit is verder niet gespecificeerd, in die zin dat duidelijk is aangegeven welke feiten en omstandigheden [eiser] c.s., als zijnde van belang voor de uitkomst van de zaak, wensen te bewijzen."

2.2 In de cassatiedagvaarding wordt gerefereerd aan de zogenoemde Haviltexnorm. Deze brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.(9) De zogenoemde CAO-norm, waaraan eveneens wordt gerefereerd, houdt in dat voor de uitleg van de bepalingen van een CAO, de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn.(10)

2.3 In de cassatiedagvaarding onder 3 (p. 7) wordt geklaagd dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt welke norm van uitleg het hof in dit geval heeft toegepast: de Haviltexnorm, de CAO-norm dan wel een tussenvorm.

2.4 Voor zover deze klacht, die verder niet is toegelicht, al voldoet aan de daaraan te stellen eisen, miskent deze klacht dat de rechter niet is gehouden met zoveel woorden tot uitdrukking te brengen welke maatstaf hij voor ogen heeft gehad, aangezien dit ook uit zijn (verdere) overwegingen kan blijken.(11) Voorts kan in dit verband worden opgemerkt dat - anders dan de klacht lijkt te veronderstellen - tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm geen tegenstelling bestaat maar een vloeiende overgang.(12)

2.5 In de cassatiedagvaarding onder 4 tot en met 11 (p. 7-8) wordt - samengevat - geklaagd dat het hof zich ten onrechte (grotendeels) heeft beperkt tot een grammaticale uitleg van art. VII van de AVL 1966 en zich er onvoldoende rekenschap van heeft gegeven dat het tevens aandacht moest besteden aan alle omstandigheden van het geval - met uitzondering van de niet-kenbare bedoeling van degenen die de betrokken bepaling hebben geredigeerd - , waaronder de ratio van de regeling, de redelijkheid van (de uitkomst van) de uitleg die [eiser] c.s. voorstaan en de mate waarin die uitleg past binnen het systeem van de AVL, de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de overeenkomst alsmede de omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná het aangaan van de overeenkomst, waaronder de latere wijzigingen van de AVL 1966 met het doel agrarische ondernemingen na verkrijging onder bijzondere titel schadeloos te stellen. Volgens het middel zou het hof hebben miskend dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult. Subsidiair is een niet nader toegelichte motiveringsklacht toegevoegd.

2.6 Vooropgesteld kan worden dat voormelde rechtspraak als gemeenschappelijke grondslag heeft dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Zowel aan de CAO-norm als aan de Haviltexnorm ligt de gedachte ten grondslag dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.(13)

2.7 In het onderhavige geval gaat het om de uitleg van een beding in algemene voorwaarden. Eerder heeft Uw Raad met betrekking tot deze categorie geoordeeld dat het betoog dat voor de uitleg van een beding in algemene voorwaarden, bij de totstandkoming waarvan slechts de gebruiker betrokken kan zijn, in beginsel slechts de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de algemene voorwaarden, beslissend zijn, uitgaat van een opvatting omtrent de bij de uitleg te hanteren maatstaf die in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard.(14) Recentelijk heeft Uw Raad met betrekking tot algemene voorwaarden geoordeeld dat bij de uitleg daarvan de Haviltexmaatstaf geldt.(15) Ook bij de toepassing van deze norm heeft evenwel te gelden dat de argumenten voor een uitleg van een schriftelijk vastgelegde overeenkomst naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen.(16)

In casu gaat om een beding in algemene voorwaarden, bestemd om van toepassing te zijn op de door Gasunie met grondeigenaren te sluiten overeenkomsten, waarin de rechtspositie is vastgelegd van derden die zelf niet betrokken waren bij de totstandkoming daarvan. Een en ander pleit voor hantering van een 'geobjectiveerde Haviltex'.(17) Daarbij zal de rechter slechts omstandigheden in aanmerking mogen nemen die door partijen zijn aangevoerd. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft bij zijn uitleg niet alleen acht geslagen op de tekst van de AVL 1966, maar is ook ingegaan op de stellingen van [eiser] c.s. ter onderbouwing van de door hen voorgestane uitleg. Het oordeel, dat verder is voorbehouden aan de feitenrechter(18), is evenmin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, zodat de klacht faalt.

2.8 In de cassatiedagvaarding onder 12 (p. 8) wordt geklaagd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van [eiser] c.s.

2.9 Deze klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen, nu ter toelichting uitsluitend in een voetnoot is verwezen naar de vindplaatsen van de essentiële stellingen, te weten: de memorie van grieven onder 5 (dit betreft een verwijzing naar productie 1 bij de memorie van grieven) en onder 9 t/m 13 (dit betreft de gehele toelichting op de eerste grief) alsmede de producties 1 t/m 4 bij deze memorie. De stellingen waarom het precies gaat worden niet aangewezen, noch wordt geduid waarom de stellingen essentieel zijn. De klacht faalt dan ook.

2.10 In de cassatiedagvaarding onder 13 (p. 8) wordt geklaagd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is vanwege het onderscheid dat de eerste eigenaar op grond van art. VII van de AVL 1966 wel recht heeft op vergoeding van toekomstige schade die onvoorzienbaar was, terwijl in geval van vervreemding onder bijzondere titel de opvolgend eigenaar die schade niet vergoed kan krijgen, terwijl hij wel de pijpleidingen van Gasunie moet blijven gedogen. In de cassatiedagvaarding onder 14 (p. 9) wordt een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel van het hof dat het gewicht toekent aan de toelichting van Gasunie, dat een beperkte uitleg van art. VII begrijpelijk is tegen de achtergrond dat onder bijzondere titel opvolgende grondeigenaren geacht worden als eigenaar geen schade te hebben geleden, omdat een eventuele minderwaarde van de gronden verdisconteerd zal zijn geweest in de koopprijs. Geklaagd wordt dat dit oordeel in het licht van de stellingen van [eiser] c.s. onvoldoende is gemotiveerd, met name omdat toekomstige, bij vervreemding niet voorzienbare schade na overdracht zo nooit meer voor vergoeding in aanmerking komt.

2.11 Deze klachten moeten kennelijk worden begrepen in het licht van het navolgende. Aan de vordering van [eiser] c.s. ligt hun stelling ten grondslag dat - gelet op zijn structuur, tekst en latere wijzigingen - art. VII van de AVL 1966 meebrengt dat de gebruiker (evenals de grondeigenaar) recht heeft op vergoeding van toekomstige schade, en dat deze te vergoeden toekomstige schade kan bestaan in de vermogensschade die de gebruiker later als opvolgend eigenaar lijdt(19). Ter betwisting van deze stelling heeft Gasunie er onder meer op gewezen dat een beperkte uitleg van de bepaling zeer voor de hand ligt omdat de ratio van die bepaling - de grondeigenaar verhaal te bieden voor de vermogensschade die hij lijdt als gevolg van een toekomstige minderopbrengst - niet op gaat in geval de gebruiker de grond verkrijgt en vervolgens tot vervreemding overgaat. Deze wordt immers geacht bij zijn verkrijging de aanwezigheid van de leidingen in de koopprijs te hebben verdisconteerd.(20) Het hof heeft dit argument meegewogen bij zijn uitleg van art. VII.

[eiser] c.s. hebben eerst in cassatie tegen dit argument aangevoerd dat het niet opgaat indien er door de gebruiker bij zijn verkrijging niets te verdisconteren valt, omdat de toekomstige schade op dat moment niet voorzienbaar is. In casu zou het daarbij gaan om een na de verkrijging door de gebruiker ingetreden bestemmingswijziging, als gevolg waarvan de grond - die door de gebruiker was verkregen als landbouwgrond - kon worden verkocht als grond bestemd voor woningbouw. De korting ad f 10 per m2 die de koper op de koopsom heeft toegepast was veel groter dan het waardedrukkend (en, naar aannemelijk is, in de koopsom verdisconteerde) effect van de aanwezigheid van de leidingen in landbouwgrond, aldus [eiser] c.s., die ervan uitgaan dat de oorspronkelijke grondeigenaar, indien deze de grond had behouden en in 1994 had verkocht, ten aanzien van die minderopbrengst aanspraak op vergoeding jegens Gasunie had gehad. Uitwerking van de door het hof gevolgde gedachtengang is dat toekomstige, tijdens zijn verkrijging niet voorzienbare schade voor een gebruiker/opvolgend eigenaar nooit verhaalbaar is, aldus [eiser] c.s.(21) De klachten strekken kennelijk ten betoge dat dit verschil in positie tussen de oorspronkelijke grondeigenaar en de gebruiker/opvolgend eigenaar het oordeel van het hof onbegijpelijk maakt. Aan dit betoog dient reeds voorbij te worden gegaan op grond dat het berust op een argument dat, zoals opgemerkt, eerst in cassatie is aangevoerd. Ook overigens dient het, daargelaten of de veronderstellingen waarop het berust juist zijn, naar mijn mening te worden verworpen. De enkele omstandigheid dat het oordeel van het hof een dergelijke, één van partijen onwelgevallige consequentie tot gevolg kan hebben, brengt mijns inziens niet mee dat het hof in redelijkheid niet tot de door hem gevolgde uitleg heeft kunnen komen. De klachten falen dan ook.

2.12 In de cassatiedagvaarding onder 15 (p. 9) wordt geklaagd dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van [eiser] c.s. heeft gepasseerd. Volgens de klacht is het oordeel van het hof onbegrijpelijk althans heeft het hof een ontoelaatbare prognose gemaakt met betrekking tot de uitkomst van de bewijslevering.

2.13 Zoals Uw Raad eerder heeft geformuleerd, moet uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht zijn dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten, indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen.(22) Het gaat hier, kort gezegd, om de vereisten dat het bewijsaanbod relevant en niet te vaag is. Daarnaast is het vaste rechtspraak dat een aanbod tot getuigenbewijs niet mag worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent het resultaat van de bewijsvoering.(23)

2.14 Bij memorie van grieven (sub 16) hebben [eiser] c.s. het volgende bewijsaanbod gedaan:

"[Eiser 1] acht zijn stellingen voldoende bewezen. Mocht evenwel het Hof hier anders over denken is hij bereid en biedt hij aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen, bewijs bij te brengen. Met name valt te denken aan [betrokkene 2] (voorzitter LTO Noord, ondertekenaar van productie 1), alsmede [betrokkene 3] (zie punt 10 van deze memorie)."

[Eiser] c.s. hebben hiermee kennelijk willen aangeven dat de met name genoemde getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zouden kunnen verklaren omtrent hetgeen zij hebben geschreven in de brief van 3 juli 2006 met bijlage (MvG prod. 1) respectievelijk als commentaar hebben geleverd op het concept van de memorie van grieven (geciteerd in MvG sub 10). Kern van voornoemde brief en voornoemd commentaar vormt - kort samengevat - het betoog dat lid 4 van art. VII in de loop der jaren telkens is gewijzigd in die zin dat daarin de categorieën van belanghebbenden die met de grondeigenaar gelijk worden gesteld, voortdurend zijn uitgebreid. Het hof heeft te dien aanzien echter geoordeeld (rov. 6) dat deze latere uitbreidingen niet doorslaggevend zijn. Het heeft daarmee kennelijk aangegeven dat het bewijsaanbod op dit punt niet relevant was. Daarmee kon het hof het bewijsaanbod op dit punt passeren.(24)

Voor zover de genoemde getuigen in hun overgelegde respectievelijk geciteerde schriftelijke verklaringen overigens aandacht hebben besteed aan tekst en structuur van art. VII, is het hof daarop impliciet ingegaan in rov. 5, 3e en 4e alinea. In voornoemd arrest(25) heeft Uw Raad geoordeeld dat indien reeds schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, zal kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. [Eiser] c.s. hebben echter niet aangegeven in hoeverre de getuigen op genoemd punt meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan, zodat het hof ook in zoverre het bewijsaanbod heeft kunnen passeren.

Het hof heeft voorts terecht kunnen overwegen dat het bewijsaanbod "verder" - opgevat als: anders dan op de hiervoor genoemde punten waaromtrent de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (nader) zouden kunnen verklaren - niet is gespecificeerd en het bewijsaanbod kunnen passeren.

Anders dan in de klacht is aangevoerd, heeft het hof het bewijsaanbod dus niet gepasseerd op grond van een prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Dit brengt mee dat ook deze klacht faalt.

2.15 Het komt mij voor dat deze zaak niet noopt tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het hof Leeuwarden van 6 juni 2007 onder 1 t/m 2.4 in verbinding met het vonnis van de rechtbank Groningen van 1 maart 2006 onder 1.1 t/m 1.5.

2 Deze datum blijkt uit de zich in het B-dossier bevindende inleidende dagvaarding (en uit het vonnis).

3 Gasunie heeft ook twee preliminaire verweren opgeworpen, te weten dat de vordering is verjaard en dat sprake is van gezag van gewijsde van een eerdere arbitrale uitspraak van 21 januari 2000, waarin negatief is beslist over de schadeclaim van [eiser] c.s. Beide verweren zijn door de rechtbank verworpen; zij spelen thans geen rol meer.

4 De appeldagvaarding bevindt zich niet in het A-dossier, wel in het B-dossier.

5 Bij arrest van 26 maart 2008 heeft het hof een kennelijke fout met betrekking tot de proceskosten in het arrest van 6 juni 2007 hersteld.

6 De cassatiedagvaarding is op 6 september 2007 uitgebracht.

7 De stukken van het geding in cassatie bevinden zich niet in het overgelegde A-dossier. In het B-dossier ontbreekt de conclusie van repliek van [eiser] c.s.

8 Het hof spreekt in zijn arrest - kennelijk per abuis - steeds van de "ALV" 1966.

9 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB (rov. 2).

10 HR 17 september 1993, NJ 1994, 173 m.nt. PAS (rov. 3.3); HR 24 september 1993, NJ 1994, 174 m.nt. PAS (rov. 3.6).

11 Vgl. HR 6 maart 1998, NJ 1999, 113 m.nt. DWFV (rov. 3.5.3) en HR 23 maart 2007, NJ 2007, 175 (rov. 3.3.2).

12 HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 m.nt. C.E. du Perron (rov. 4.4); HR 9 juli 2004, NJ 2005, 496 (rov. 3.7).

13 HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 m.nt. C.E. du Perron (rov. 4.5); HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 499 m.nt. C.E. du Perron (rov. 3.5).

14 HR 30 november 2001, C00/023HR, JOL 2001, 709 (rov. 3.5.1); HR 30 november 2001, JOR 2002, 43 (rov. 3.5.1).

15 HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565 (rov. 3.4).

16 HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 m.nt. C.E. du Perron (rov. 4.4).

17 Terminologie van C.E. du Perron in zijn annotatie onder HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493. Zie over een meer objectieve uitleg van algemene voorwaarden ook: Asser/Hartkamp, Verbintenissenrecht 4-II, 2005, p. 287; R.P.J.L. Tjittes, Uitleg van schriftelijke contracten, RM Themis 2005/1, i.h.b. onder 4.3.

18 Vindplaatsen o.m. in de conclusie van A-G Wuisman vóór HR 20 april 2007, RvdW 2007, 422, noot 12.

19 MvG 6.

20 MvA 17.

21 Cassatiedagvaarding 2.12-2.18 (p. 5-7).

22 HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 m.nt. DA (rov. 3.6).

23 Zie Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht (2007), nr. 221 met vindplaatsen.

24 Vgl. HR 28 november 1997, NJ 1998, 706 m.nt. JH (rov. 3.8).

25 HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 m.nt. DA (rov. 3.6).