Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG3449

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
01207/07 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG3449
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rechtstreekse schade. O.g.v. art. 361.2.b Sv is een b.p., Gemeente Y, Dienst Verzekeringszaken, alleen ontvankelijk in haar vordering als haar rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Nu de vordering van de benadeelde partij strekt tot vergoeding van de ten gevolge van het onder 4 bewezenverklaarde feit geleden schade, terwijl dat feit een jegens X – een bij de gemeente Y werkzame ambtenaar – gepleegde bedreiging inhoudt en de b.p. derhalve niet zelf is getroffen in enig belang dat door de met dat feit overtreden strafbepaling wordt beschermd, geeft ’s Hofs oordeel dat de b.p. als rechtstreeks gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden, blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip rechtstreekse schade a.b.i. art. 51a.1 en art. 361.2 Sv. HR vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend w.b. de beslissing op de vordering b.p. en de t.b.v. haar aan verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel en verklaart de b.p. n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 1028
NJ 2009, 33
RvdW 2009, 127
NJB 2009, 199
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01207/07 E

Mr Jörg

Zitting 4 november 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam, economische kamer, heeft in hoger beroep bij arrest van 16 februari 2007 verzoeker ter zake van 2 subsidiair, niet voldoen aan een wettig bevel, begaan door een rechtspersoon terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd, 3. mishandeling van een ambtenaar in functie en 4. bedreiging, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en gemeente Amsterdam Verzekeringszaken toegewezen en aan verzoeker betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel en het tweede middel komen op tegen de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij gemeente Amsterdam Verzekeringszaken.

4. Verzoeker en K. van der Bijl zijn bestuurders van de rechtspersoon Monuments Porté B.V., welke rechtspersoon eigenaar is van een monumentaal pand aan de Keizersgracht 221 te Amsterdam. Voor verschillende werkzaamheden aan dat monument is vergunning aangevraagd. Ruim voordat deze werd geweigerd worden de verbouwingswerkzaamheden gestart en zelfs ondanks stilleggingsbesluiten voortgezet. Vijf dagen na de weigering van de vergunning komen twee ambtenaren van bouw- en woningtoezicht van de gemeente Amsterdam, in dit geval [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], controleren of er bouwwerkzaamheden worden verricht aan het pand aan de Keizersgracht en of aan de stilleggingsbesluiten wordt voldaan. Als blijkt dat er nog steeds werkzaamheden worden verricht, delen de ambtenaren aan de aannemer mede dat de werkzaamheden moeten worden gestaakt. Op dat moment komt verzoeker het pand binnen, waarna een handgemeen ontstaat tussen hem en de controlerende ambtenaren. Verzoeker pakt [slachtoffer 2] vast en trekt hem naar de grond. Voorts uit verzoeker verschillende verbale - niet zo zuinige - bedreigingen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. [Slachtoffer 1] loopt als gevolg van dit voorval een post-traumatisch stress syndroom op.

5. Bij de stukken van het geding bevindt zich een "voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" van de benadeelde partij gemeente Amsterdam Verzekeringszaken van 13 juni 2005. Dit voegingsformulier houdt onder meer in dat de gemeenteambtenaar [slachtoffer 1] zich op 13 oktober 2004 heeft ziek gemeld naar aanleiding van een door haar opgelopen trauma als gevolg van het voorval van 25 november 2003; dat zij vanaf 3 januari 2005 gedeeltelijk op arbeidstherapeutische basis weer aan de slag is gegaan; dat zij vanaf 8 maart 2005 voor 50 procent arbeidsgeschikt is verklaard; dat zij vanaf 14 maart 2005 voor 75 procent arbeidsgeschikt is verklaard; en dat de benadeelde partij als haar werkgever als gevolg hiervan voor een bedrag van € 12.482,97 schade heeft geleden. Dit schadebedrag is opgebouwd uit het door de gemeente Amsterdam betaalde salaris aan [slachtoffer 1] voor de tijd dat zij als gevolg van voornoemd voorval niet of niet volledig heeft kunnen werken.

6. De benadeelde partij gemeente Amsterdam Verzekeringszaken heeft zich zowel in eerste aanleg(1) als in hoger beroep in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van voornoemde schade, die het gevolg is van het aan verzoeker onder 4 tenlastegelegde feit, inhoudende - kort gezegd - dat verzoeker op 25 november 2003 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verbaal heeft bedreigd.

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verzoeker aldaar het woord tot verdediging gevoerd. De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gemeente Amsterdam Verzekeringszaken aangevoerd dat "deze niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering niet eenvoudig genoeg is."

8. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gemeente Amsterdam Verzekeringszaken toegewezen tot een bedrag van € 12.482,97 en aan verzoeker voorts de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.482,97. Het bestreden arrest houdt dienaangaande onder het hoofd "vordering van de benadeelde partij gemeente Amsterdam Verzekeringszaken" het volgende in:

"De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 4 tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 12.482,97 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

Het hof is van oordeel dat de aangever van het onder 4 bewezengeachte strafbare feit, een ambtenaar in dienst van de gemeente Amsterdam, en de gemeente Amsterdam - gezien het feit dat het bewezengeachte werd begaan jegens deze ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn(2) functie - in zodanig nauw verband staan dat de gemeente Amsterdam in onderhavige strafzaak als benadeelde partij aangemerkt kan worden. Het hof is daarnaast van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer."

9. Blijkens de toelichting behelst het eerste middel de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de gemeente Amsterdam Verzekeringszaken ontvankelijk is in haar vordering. Zij kan immers niet als benadeelde partij worden aangemerkt, aangezien zij niet rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de door verzoeker geuite bedreiging.

10. Blijkens de toelichting klaagt het tweede middel erover dat het hof - in afwijking van het verweer - de vordering van eenvoudige aard heeft geoordeeld.

11. De voorgeschiedenis van het huidige art. 51a Sv laat reeds een arrest van het hof Den Bosch zien van 19 mei 1919, W 10 432, waarin werd beslist dat bij het misdrijf van mishandeling de vordering als benadeelde (oudtijds: beledigde) partij toekomt aan degene, die werd mishandeld; niet aan zijn vader, al heeft deze de schade geleden.

12. In HR 5 oktober 1965, LJN AB3848, NJ 1966, 292, m.nt. W.P. voegde een verzekeringsmaatschappij zich in het strafgeding, daartoe stellende dat zij de schade aan de benadeelde verzekerde had vergoed en daarmee ingevolge art. 284 Wetboek van Koophandel in alle rechten van de benadeelde ter zake van die schade was gesubrogeerd. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte had beslist dat degene die uit kracht van de wet in alle rechten op schadevergoeding van het slachtoffer is getreden, zich in diens plaats ook als benadeelde partij in het strafgeding zou kunnen voegen, nu niet kan worden aangenomen dat iemand anders als benadeelde partij zou kunnen optreden dan degene die door het strafbare feit, waarop de strafzaak betrekking heeft, rechtstreeks schade heeft geleden heeft.

13. Art. 51a, eerste lid, Sv luidt als volgt:

"Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces."

14. De wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11)(3) houdt ten aanzien van die bepaling onder meer het volgende in:

"Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces."

15. Deze toelichting wijst niet op een wezenlijke verruiming van de kring van benadeelden die zich met succes in het strafgeding zouden kunnen voegen. De later gevolgde jurisprudentie zet de oude lijn dan ook consequent voort.

16. In HR 23 maart 1999, LJN ZD1154, NJ 1999, 403 voegt een bank zich als benadeelde partij in het strafproces, nu de bank de schade heeft vergoed die een rekeninghoudster heeft geleden ten gevolge van een foutieve overboeking. De Hoge Raad oordeelt dat het hof hier een onjuiste rechtsopvatting ten toon spreidt en de bank niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. De Hoge Raad overweegt daartoe dat de vordering van de bank strekt tot vergoeding van de ten gevolge van de bewezenverklaarde verduistering geleden schade, terwijl dat feit enkel jegens de rekeninghoudster is gepleegd en de bank derhalve niet is getroffen in enig belang dat door de met dat feit overtreden strafbepaling wordt beschermd.

17. In HR 10 juni 1997, LJN ZD0752, NJ 1998, 54 voegt de moeder van het slachtoffer van poging tot doodslag zich als benadeelde partij in het strafproces, omdat zij zelf ten gevolge van de aanslag op haar zoon onder meer materiële schade heeft geleden in de vorm van schilderwerk aan haar slaapkamer, bed, muren en vloerbedekking, die waren besmeurd met bloed. De Hoge Raad oordeelt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat en de moeder van het slachtoffer niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. De vordering van de moeder strekt immers ter vergoeding van de ten gevolge van poging tot doodslag geleden schade, terwijl dat feit enkel jegens haar zoon gepleegd is en de moeder derhalve niet is getroffen in enig belang dat door de met dat feit overtreden strafbepaling wordt beschermd.(4)

18. Ook erfgenamen zijn niet te beschouwen als benadeelde partijen die rechtstreekse schade hebben geleden door een tegen de erflater gepleegd delict - het geval van art. 51a, tweede lid, Sr niet meegerekend - wanneer de erflater is overleden ten gevolge van het strafbare feit (HR 6 maart 2007, LJN AZ6165, NJ 2007, 157).

19. In de onderhavige zaak is weer een andere variant aan de orde: een werkgever die zich als benadeelde partij in het strafproces voegt, omdat hij loonschade heeft geleden als gevolg van een tegen een werknemer gepleegd delict. Het hof heeft geoordeeld dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen geachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden aangezien dat feit is begaan tegen een ambtenaar van de gemeente Amsterdam in de uitoefening van haar functie.

20. Dat moge allemaal waar zijn, maar daarmee is het feit nog niet gepleegd tegen de gemeente Amsterdam, laat staan gemeente Amsterdam Verzekeringszaken. Van de bedreiging van de ambtenaren is niet tevens de gemeente Amsterdam (al dan niet beperkt tot: Verzekeringszaken) lijdend voorwerp, terwijl zij ook niet rechtstreeks in haar belang is geschaad door die bedreiging. Indien een strafbepaling nadrukkelijk een organisatie noemt in wiens belang het is dat een strafbepaling wordt geformuleerd die vertegenwoordigers van die organisatie beschermt valt daarover anders te denken (zie titel IV Boek II Sr). Het zal toch niet waar zijn dat als een ambtenaar van een gemeente met de dood door verdrinking wordt bedreigd, de rechtspersoon voor zijn voortbestaan heeft te vrezen? De door het hof aangenomen directe relatie van delict en schade zou meebrengen dat iedere werkgever wiens werknemer in de uitoefening van zijn functie wordt bedreigd (of beledigd: politieagenten!; of mishandeld, of onzedelijk betast, etc.) zich in het strafproces kan voegen als hij, werkgever, vervolgschade lijdt. Het strafproces zou een goedkope en gemakkelijke manier worden om - op zichzelf mogelijk terechte - civiele claims (zoals loonderving) toegewezen te krijgen, zodra er maar ergens een causaal verband met een strafbaar feit valt aan te wijzen.

21. Au fond onderscheidt de onderhavige zaak zich weinig van de eerder genoemde verzekerings- en bankcasus. Indien er geen ziektewet was zou het slachtoffer zelf de schade lijden die haar arbeidsongeschiktheid voor haar mee heeft gebracht. Dan had zij een terechte claim. Het is echter de werkgever die de kosten daarvan draagt, zoals het de verzekeraar is die de kosten draagt van tegen haar cliëntèle gepleegde strafbare feiten, en die daarvoor civiel regres heeft door in de rechten van de klant te zijn gesubrogeerd; of de bank die de schade van een klant door een foutieve overboeking vergoedt, wanneer de ten onrechte begunstigde rekeninghouder er met de poet vandoor gaat. De gemeente Amsterdam Verzekeringszaken is derhalve niet getroffen in enig belang dat wordt beschermd door de bewezen bedreiging zodat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv. Gelet hierop had het hof de gemeente Amsterdam Verzekeringszaken niet-ontvankelijk dienen te verklaren in haar vordering als benadeelde partij.

22. Het eerste middel slaagt zodat het tweede geen bespreking behoeft. Het slagen van het eerste middel heeft ook consequenties voor de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, zo merk ik ambtshalve op. Immers, volgens art. 36f Sr mag de strafrechter niet bepalen dat het geld dat door de verdachte in het kader van een op grond van art. 36f Sr opgelegde schadevergoedingsmaatregel aan de Staat wordt betaald, aan een ander dan het slachtoffer wordt uitgekeerd (HR 15 februari 2005, LJN AR8229, NJ 2007, 426). In zijn dictum heeft het hof dit bepaald. Enige twijfel wordt op dit punt overigens wel opgeroepen door het al genoemde arrest HR 6 maart 2007, LJN AZ6165, NJ 2007, 157, waarin de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij wel sneuvelde, maar de opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet.

23. Het derde middel bevat de klacht dat de door het hof opgelegde straf zodanig afwijkt van de door de advocaat-generaal bij het hof gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van redenen voor die afwijking onbegrijpelijk is.

24. De economische politierechter heeft verzoeker in eerste aanleg ter zake van dezelfde feiten veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair 40 dagen hechtenis. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal bij het hof gevorderd dat verzoeker zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis. Het hof heeft verzoeker veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

25. Het hof heeft de opgelegde straf onder het hoofd "oplegging van straf en maatregelen" als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft meermalen feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging van een rechtspersoon, namelijk het opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Door aldus te handelen, heeft de verdachte op onaanvaardbare wijze het door de gemeente gevoerde beleid doorkruist. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en bedreiging van ambtenaren met enig misdrijf tegen het leven gericht. Door deze mishandeling en bedreigingen heeft de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 2] pijn toegebracht en deze [slachtoffer 2] en diens collega [slachtoffer 1] vrees aangejaagd. Dergelijke feiten schaden niet alleen de openbare veiligheid, maar ook de veiligheid van ambtenaren die met de uitoefening van toezicht zijn belast, hetgeen bestaande gevoelens van onrust in de samenleving versterkt.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 januari 2007 is verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, de na te melden straf passend."

26. Punt één: in appèl zwaarder straffen dan in eerste aanleg.

Voor zover het middel de klacht behelst dat het hof nader had moeten motiveren waarom het een zwaardere straf heeft opgelegd dan de economische politierechter, miskent het middel dat behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan te dezen niet is gebleken, de rechter in hoger beroep niet is gehouden om te motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.(5)

27. Punt twee: zwaarder straffen dan geëist - oud recht.

Op grond van - het hier niet toepasselijke - art. 359, zevende lid (oud), Sv diende de rechter, indien hij een zwaardere straf oplegde dan door het openbaar ministerie gevorderd, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Volgens de Hoge Raad voldeed de strafoplegging reeds aan de in art. 359, zevende lid (oud), Sv gestelde bijzondere motiveringseis, indien het hof in de strafmotivering de vordering van de advocaat-generaal bij het hof had weergegeven.(6)

28. Punt drie: zwaarder straffen dan geëist - nieuw recht; (g)een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt?

Bij de wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 580 is het zevende lid van art. 359 Sv vervallen. Ingevolge art. II en III van die op 1 januari 2005 in werking getreden wet(7) is die wet van toepassing op die zaken waarin het onderzoek ter terechtzitting na 1 januari 2005 is gesloten. In de onderhavige zaak is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 16 februari 2007 gesloten.

29. Op grond van - het hier wel toepasselijke - art. 359, tweede lid, Sv moet de beslissing over de oplegging van een straf en/of maatregel nader worden gemotiveerd, indien de rechter daarbij afwijkt van door of namens de verdachte dan wel door het openbaar ministerie "uitdrukkelijk onderbouwde standpunten". De enkele op de voet van art. 311, eerste lid, Sv overgelegde vordering van het openbaar ministerie levert niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv op. Afwijking van die enkele vordering behoeft derhalve niet op grond van art. 359, tweede lid, Sv nader te worden gemotiveerd.(8) Dit neemt niet weg dat zich het geval kan voordoen dat de door de rechter opgelegde straf in die mate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn.(9) Alleen wanneer de strafoplegging verbazing wekt en onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.(10)

30. Het hof heeft, in afwijking van de door de advocaat-generaal bij het hof gevorderde geldboete van € 1.000,-, aan de verdachte een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, opgelegd voor de duur van 120 uren. Het hof heeft de vordering van de advocaat-generaal bij het hof weergegeven in de motivering van de opgelegde straf en daarin voorts een uiteenzetting gegeven over de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en hun gevolgen, en over de persoon van de verzoeker, meer in het bijzonder gerefereerd aan de omstandigheid dat hij eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat door de advocaat-generaal bij het hof ten aanzien van de door hem gevorderde straf enkel op de voet van art. 311, eerste lid, Sv een vordering is overgelegd, is de strafoplegging toereikend gemotiveerd. Verbazing wekt de opgelegde straf ten opzchte van de eis immers niet en onbegrijpelijk is de motivering evenmin.

31. Het middel faalt.

32. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd in de bestreden uitspraak de vordering van de advocaat-generaal bij het hof (genoegzaam) weer te geven. Noch de door de advocaat-generaal bij het hof op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde vordering, noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch enige overweging in het arrest van het hof omschrijft (genoegzaam) ter zake van welk strafbaar feit de veroordeling zou moeten volgen.

33. Aan verzoeker is bij inleidende dagvaarding tenlastelegd (ik vat samen):

- 1 primair: zonder vergunning zelf een beschermd monument wijzigen;

- 1 subsidiair: zonder vergunning wijzigen van een beschermd monument door een rechtspersoon, waaraan verzoeker feitelijke leiding heeft gegeven;

- 1 meer subsidiair: zelf bouwen zonder vergunning;

- 2 primair: zelf niet voldoen aan een wettig bevel;

- 2 subsidiair: niet voldoen aan een wettig bevel door een rechtspersoon, waaraan verzoeker feitelijke leiding heeft gegeven;

- 3 mishandeling van de ambtenaar [slachtoffer 2] in de uitoefening van zijn functie;

- 4 bedreiging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

Daarvan heeft het hof 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaard.

34. In eerste aanleg heeft de officier van Justitie gevorderd dat verzoeker ter zake van het onder 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van € 3.000,-, subsidiair 15 dagen hechtenis. De economische politierechter heeft verzoeker ter zake van het onder 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair 40 dagen hechtenis. De bewezenverklaring die is opgenomen in de aantekening van het mondeling vonnis van de economische politierechter is gelijkluidend aan die welke is opgenomen in de bestreden uitspraak van het hof. Verzoeker heeft tegen het vonnis van de economische politierechter hoger beroep ingesteld. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal bij het hof gevorderd dat verzoeker zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis. De door de advocaat-generaal bij het hof overgelegde schriftelijke vordering bevat enkel de handgeschreven aanduiding "€ 1000".

35. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de omvang van het hoger beroep het volgende in:

"Omvang van het hoger beroep

Het hoger van de verdachte is kennelijk niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde."

36. Voorts houdt de bestreden uitspraak ten aanzien van de vordering van de advocaat-generaal bij het hof het volgende in:

"Onderzoek van de zaak

(...)

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

(...)

Oplegging van straf en maatregelen

(...)

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,= subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis."

37. Ingevolge art. 359, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv dient het arrest van het hof de vordering van de advocaat-generaal bij het hof te bevatten. Het bestreden arrest houdt onder het hoofd "onderzoek van de zaak" in dat het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal bij het hof, terwijl de inhoud daarvan (wat betreft de hoogte van de gevorderde straf) in de strafmotivering wordt vermeld. Aldus bevat het bestreden arrest de vordering van de advocaat-generaal bij het hof als bedoeld in art. 359, eerste lid, Sv.(11)

38. De in het middel benadrukte omstandigheid dat de bestreden uitspraak niet inhoudt voor welke feiten de advocaat-generaal bij het hof de geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, heeft gevorderd - terwijl het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de aldaar overgelegde schriftelijke vordering daaromtrent ook niets inhouden - brengt in het onderhavige geval niet mee dat de uitspraak wegens schending van voornoemde bepaling zou moeten worden vernietigd. Gelet op het hiervoor onder 33 tot en met 36 weergegeven procesverloop is immers niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de advocaat-generaal bij het hof het oog had op de feiten zoals deze door de economische politierechter waren bewezenverklaard.(12)

39. Het middel faalt.

40. Het eerste middel slaagt. De vraag rijst of de zaak door Uw Raad zelf kan worden afgedaan door het arrest te vernietigen, de vordering van gemeente Amsterdam Verzekeringszaken niet-ontvankelijk te verklaren en tevens de schadevergoedingsmaatregel uit het arrest te schrappen. Omdat thans reeds vaststaat dat de vordering van de gemeente Amsterdam Verzekeringszaken niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv, kan de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen die beslissing in deze zaak zelf nemen. Anders dan in HR 6 maart 2007, LJN AZ6165, NJ 2007, 157 maar conform verschillende andere uitspraken van de Hoge Raad(13) brengt dit uiteindelijk met zich mee dat de aan verzoeker opgelegde betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van de gemeente Amsterdam Verzekeringszaken evenmin in stand kan blijven. Ook deze beslissing kan de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen zelf nemen.

41. Het tweede middel kan onbesproken blijven; het derde en het vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Een andere ambtshalve grond dan in 22 aangegeven (de schadevergoedingsmaatregel) waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

42. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gemeente Amsterdam Verzekeringszaken en de schadevergoedingsmaatregel te haren gunste, dat de Hoge Raad de benadeelde partij gemeente Amsterdam Verzekeringszaken niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De economische politierechter in de rechtbank te Amsterdam heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, nu niet was gebleken dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade was toegebracht door de bewezenverklaarde bedreiging.

2 Het hof zal "haar" bedoeld hebben.

3 Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29).

4 Geen weldenkende officier van justitie zal uiteraard naast de poging doodslag in een dergelijk bloederig geval ook zaaksbeschadiging tenlasteleggen.

5 Vgl. HR 27 maart 2001, LJN ZD2498, NJ 2001, 297.

6 Vgl. HR 25 januari 2005, LJN AR7168 en HR 21 september 2004, LJN AP8341, NJ 2005, 62, m.nt. JR.

7 Zie het besluit van 9 december 2004 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van voornoemde wet (Stb. 641).

8 Vgl. HR 21 november 2006, LJN AY6945, NJ 2006, 654 en HR 3 oktober 2006, LJN AX5479, NJ 2006, 549.

9 Vgl. HR 3 oktober 2006, LJN AX5479, NJ 2006, 549.

10 Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, 2004, p. 221-222, Corstens, het Nederlands strafprocesrecht, 6e, 2008, p. 741-742 en HR 17 oktober 2006, LJN AY0190, NJ 2006, 578.

11 Vgl. HR 19 december 2006, LJN AZ1690 en HR 12 september 2006, LJN AX3752, NJ 2007, 410, m.nt. PMe.

12 Vgl. HR 11 september 2007, LJN BA5807.

13 Vgl. HR 10 april 2007, LJN AZ5670, NJ 2007, 223, HR 20 december 2005, LJN AU5435, NJ 2006, 38 en HR 7 mei 2002, LJN AE0537, NJ 2002, 390.