Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG2196

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
07/13327 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG2196
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. De Rb heeft terecht geoordeeld dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave, nu het inbeslaggenomene van belang kan zijn i.h.k.v. hetzij de strafvervolging in de U.S.A. die tegen klager is ingesteld, hetzij de voortzetting van de strafvervolging die in NL tegen klager is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 949
RvdW 2009, 142
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/13327 B

Mr. Vellinga

Zitting: 28 oktober 2008

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 22 juni 2007 ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in de bestreden beschikking omschreven voorwerpen en geldbedragen.

2. Namens de klager hebben de mrs. Chr. Stroobach en N. Hendriksen, beiden advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Alvorens aan de bespreking van het middel toe te komen merk ik, naar aanleiding van de stukken van het geding en van namens mij bij de behandelend Officier van Justitie ingewonnen inlichtingen(1), het volgende op.

4. Op 4 en 5 september 2006 zijn onder klager inbeslaggenomen een computer, een laptop, twee Nigeriaanse rijbewijzen, negen pasjes, een portemonnee met inhoud, een Spaanse identiteitskaart, een horloge, een sleutelbos, drie mobiele telefoons en geldbedragen van respectievelijk € 48,70 en €1.600,--. Deze inbeslagname vond plaats in het kader van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar - kennelijk - fraude.(2)

Bij uitspraak van 9 maart 2007 heeft de Rechtbank Amsterdam de uitlevering van klager toelaatbaar verklaard ter zake van feiten die naar Nederlands recht zijn te kwalificeren als medeplegen van oplichting, bestaande in het onder valse voorwendselen bewegen tot het betalen van "inschrijfgelden" in het vooruitzicht van een later te ontvangen deel van een nalatenschap van een overledene. Het tegen deze beslissing ingestelde cassatieberoep is bij arrest van 20 november 2007, nr. 01010/07U, door de Hoge Raad verworpen.

Bij verzoek van 16 april 2007, dus na de beslissing van de Rechtbank op het uitleveringsverzoek, hebben de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) verzocht om overdracht van vergaard bewijsmateriaal tegen klager.(3) Op 21 april 2007 heeft klager een klaagschrift ingediend, strekkende tot teruggave van de onder klager inbeslaggenomen goederen. Het klaagschrift, dat voorwerp is van de onderhavige zaak, is op 15 juni 2007 in raadkamer behandeld. Kennelijk was de Officier van Justitie ten tijde van de behandeling nog niet bekend met het Amerikaanse rechtshulpverzoek. Zij heeft tijdens de behandeling althans verklaard dat afgewacht moest worden of de justitiële autoriteiten van de VS een rechtshulpverzoek zouden indienen. Op 22 juni 2007 heeft de Rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard. Nadien zijn, klaarblijkelijk naar aanleiding van genoemde verzoeken, alle onder klager inbeslaggenomen goederen naar de VS gezonden. Alleen het geld is nog in Nederland.

5. In het onderhavige geval waren de goederen waarvan door de VS overgave werd verzocht reeds in beslag genomen in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Art. 552n lid 1 onder d Sv noodzaakte de Officier van Justitie dus niet het verzoek in handen te stellen van de rechter-commissaris teneinde goederen in beslag te nemen.

6. Het verzoek was gebaseerd op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken(4) (kennelijk art. 6). Aan een dergelijk verzoek wordt volgens art. 552k lid 1 Sv zoveel mogelijk gevolg gegeven. Dienovereenkomstig zijn de inbeslaggenomen goederen voor zover verzocht overgedragen aan de VS.

7. In het onderhavige geval, waarin de goederen ten tijde van het verzoek tot overdracht reeds in beslag waren genomen en bij de uitlevering niet om overdracht van die goederen is gevraagd, biedt noch art. 47 lid 3 Uw noch art. 552p lid 4 Sv grondslag om over de inbeslagneming te klagen. Het gaat hier om "gewoon" strafvorderlijk beslag. De mogelijkheid tot klagen vloeit daarom rechtstreeks voort uit art. 552a Sv.

8. Omdat de uitspraak van de Rechtbank in de uitleveringszaak niet inhoudt dat ook over de afgifte van enig inbeslaggenomen goed is beslist, kan niet gezegd worden dat met het onherroepelijk worden van die uitspraak klagers belang bij een beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen is komen te ontvallen.(5) Voorts leid ik uit HR 12 juni 1984, NJ 1985, 175, af dat de omstandigheid dat de goederen waarop het beklag betrekking heeft zijn afgegeven aan de VS, er niet aan in de weg staat dat een beklag op grond van art. 552a Sv inhoudelijk wordt behandeld.(6)

9. Het middel klaagt dat de Rechtbank het namens klager gevoerde verweer dat de inbeslaggenomen goederen niet in verband staan met enig feit waarvan klager wordt verdacht en dat er evenmin enig ander strafvorderlijk belang bestaat dat het voortduren van het beslag vordert "ongenoegzaam", althans zonder toereikende motivering heeft verworpen. Daartoe wordt aangevoerd dat de mogelijkheid dat er in de toekomst een grond zal ontstaan om de inbeslaggenomen goederen te gebruiken ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek, hetzij in de VS, hetzij in Nederland, het oordeel dat het strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag vordert niet kan dragen, omdat art. 94 Sv noch enig ander artikel in de Nederlandse wet voorziet in een anticiperend beslag.

10. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Standpunten

De raadsman van klager heeft aangevoerd dat de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen goederen dient te gelasten, nu de goederen klager toebehoren, een persoonlijke waarde vertegenwoordigen en hij dient te kunnen beschikken over deze goederen. Deze goederen hebben geen relatie met de klager verweten strafbare feiten en de inbeslagneming, die reeds geruime tijd voortduurt, en de voortduring daarvan dienen geen enkel strafvorderlijk doel. Ten aanzien van de lopende Nederlandse strafzaak hadden de inbeslaggenomen goederen al moeten zijn onderzocht in het kader van de waarheidsvinding.

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten [tegen] teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het strafvorderlijk belang is gediend bij handhaving van het beslag. De officier van justitie vordert primair de ongegrondheid van het klaagschrift, omdat afgewacht moet worden of de justitiële autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika een rechtshulpverzoek indienen met betrekking tot de onderhavige goederen. De officier van justitie vordert subsidiair de ongegrondheid van het klaagschrift, omdat de inbeslaggenomen goederen op vordering van het openbaar ministerie kunnen worden gebruikt voor een eventueel nader onderzoek, indien, de uitlevering niet door zou gaan en de Nederlandse strafzaak tegen klager zou worden hervat.

Beoordeling

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Hierbij is van belang dat een deel van de inbeslaggenomen goederen een onderzoeksbelang kunnen dienen. Voorts blijkt uit de stukken en de behandeling in raadkamer naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen goederen zal verbeurd verklaren/onttrekken aan het verkeer.

Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."

11. De bestreden beschikking dient aldus te worden begrepen dat het onderzoeksbelang met betrekking tot een deel van de inbeslaggenomen voorwerpen is gelegen in het aan de dag brengen van de waarheid hetzij in een onderzoek in de VS hetzij in een nader onderzoek in Nederland. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op de summiere gronden van het beklag niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat in een geval als het onderhavige gelet op de op Nederland rustende verdragsverplichtingen, in het bijzonder art. 6 van het Verdrag, het in art. 94 Sv genoemde aan de dag brengen van de waarheid mede betrekking heeft op het aan de dag brengen van de waarheid met betrekking tot strafbare feiten ter zake waarvan in de VS onderzoek wordt verricht.

12. Hetgeen de Rechtbank overweegt over verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer moet in het licht van het voorgaande kennelijk aldus worden begrepen dat de Rechtbank daarbij het oog heeft op het geval waarin het onderzoek in Nederland wordt voortgezet en in Nederland strafvervolging plaatsvindt.(7) Aldus geeft het geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het in het licht van de aard van de inbeslaggenomen voorwerpen niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Voorts is die motivering in het licht van de summiere onderbouwing van het klaagschrift toereikend.

13. De vraag is of het voorgaande anders wordt nu inmiddels is komen vast te staan dat het uitleveringsverzoek toelaatbaar is verklaard en door de VS inderdaad om overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen is verzocht. Ik meen dat dat niet het geval is. In de eerste plaats wordt in de toelichting op het middel geen beroep gedaan op het feit dat inmiddels een verzoek tot overdracht van voorwerpen is ingediend en gehonoreerd noch op het feit dat klager inmiddels zou zijn uitgeleverd. Voorts acht ik het niet de taak van de cassatierechter na te gaan hoe het onderzoek sinds de beslissing van de Rechtbank is verlopen.(8) Dat vergt immers een onderzoek van feitelijke aard. In het onderhavige geval zou bijvoorbeeld nog moeten worden uitgezocht of klager inderdaad is uitgeleverd, of in de VS inderdaad onderzoek is of wordt verricht, of klager daar ook wordt vervolgd en of er geen complicaties zijn opgetreden die meebrengen dat inmiddels toch in Nederland verdere opsporing plaatsvindt. Het gebruikelijke onderzoek naar de vraag of het beslag geëindigd is dan wel of daarop inmiddels bij uitspraak in de hoofdzaak is beslist zie ik als een uitzondering die is ingegeven door de gedachte dat zinloze of tegenstrijdige uitspraken dienen te worden vermeden terwijl dat onderzoek beperkt kan blijven tot twee eenduidige, doorgaans eenvoudig te beantwoorden vragen.

14. Het middel faalt.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Volgens staande cassatiepraktijk verricht onderzoek naar het voortduren van het beslag of het bestaan van een onherroepelijk beslissing daaromtrent (vgl. HR 13 mei 2008, LJN BC6811, HR 1 april 2008, LJN BC8157).

2 De gedingstukken, zoals het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 26 oktober 2006, houden in dat in Nederland tegen klager een onderzoek genaamd "[...]" liep.

3 Dit verzoek is aangevuld bij verzoek van 20 september 2007.

4 Hierna: het Verdrag

5 Dat was anders in HR 2 september 2003, LJN AF8562

6 Zie ook HR 18 januari 2005, NJ 2005, 407, m.nt. JR, waarin het cassatieberoep werd behandeld hoewel de goederen reeds waren overgedragen. Voorts Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 9.1 op art. 552a (suppl. 135, juni 2003), en R.M. Vennix, Boef en Beslag, De strafvorderlijke inbeslagneming van voorwerpen, p. 280, voetnoot 60. Terzijde wijs ik op art. 16 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, dat inhoudt dat de verzoekende staat alle stukken, documenten of zaken, die tot bewijs dienen en die zijn verstrekt ter voldoening aan een verzoek, zo snel mogelijk terugzend, tenzij de verzoekende Staat afstand doet van die terugzending. Dat Nederland bedoelde afstand heeft gedaan blijkt niet.

7 De overdracht is niet gevraagd met het oog op executie van een eventueel op te leggen verbeurdverklaring of een soortgelijke beslissing terwijl in het verzoek ook niet een verdrag is genoemd waarop een overdracht met een dergelijke strekking kan worden gebaseerd. Zie in dit verband Klip/Swart/Van der Wilt, hoofdstuk 5, par. 7, aant 3.2 (Lamp en Van der Wilt), suppl. 144, oktober 2004.

8 Vgl. HR 10 april 2007, LJN AZ6182, zij het dat daar sprake was van een onderzoek ter ontzenuwing van een bij een middel aan de orde gesteld punt.