Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG0944

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
12-12-2008
Zaaknummer
C07/187HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG0944
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Huurachterstand die ontbinding van een huurovereenkomst kan rechtvaardigen. Procesrecht; hoger beroep, uitleg grieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 946
RvdW 2009, 49
NJB 2009, 131
JWB 2008/500
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer: C07/187HR

mr. Wuisman

Rolzitting: 10 oktober 2008 (bij vervroeging)

CONCLUSIE inzake:

[Eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

tegen

Stichting Woningbedrijf Rotterdam,

verweerster in cassatie,

niet verschenen.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan((1)):

(i) Verweerster in cassatie (hierna: SWR) verhuurde aan eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) een in [plaats] gelegen woning.

(ii) [Eiser] was al geruime tijd voor zijn levensonderhoud aangewezen op uitkeringen krachtens de Algemene Bijstandswet, welke wet sedert 1 januari 2004 Wet Werk en Bijstand is geheten. SWR was hiermee bekend.

(iii) Tot en met september 2004 bedroeg de huurachterstand € 2.375,03. Voor een bedrag van € 2.080,08 was de achtergrond daarvan de volgende. Voor het jaar 2001/2002 had SWR in verband met een aanvraag van [eiser] voor een huursubsidie bij het ministerie VROM het verwachte subsidiebedrag op de aan [eiser] in rekening gebrachte huursom in mindering gebracht. Het was in die tijd gebruik dat VROM de huursubsidie aan de verhuurder uitbetaalde. VROM wees echter de aanvraag af, omdat volgens VROM blijkens een van de Belastingdienst ontvangen opgave betreffende het jaar 2000 [eiser] in dat jaar een inkomen had genoten dat boven de subsidiegrens lag. Het op de huur in mindering gebrachte bedrag bracht SWR alsnog aan [eiser] in rekening.

(iv) De opgave van de Belastingdienst van het inkomen van [eiser] in 2000 bleek achteraf onjuist. De aanslag IB/PV voor dat jaar, waarbij uitgegaan werd van een inkomen van [eiser] dat twee keer zo hoog was dan in voorgaande jaren, is na bezwaar gecorrigeerd.

(v) [Eiser] heeft zich vervolgens tot VROM gewend met het verzoek om de beslissing tot afwijzing van de aanvraag om huursubsidie te herzien, waarbij hij op de gang van zaken met betrekking tot de belastingaanslag voor het jaar 2000 heeft gewezen.

1.2 Bij exploot van 21 juli 2004 heeft SWR tegen [eiser] een procedure aangespannen bij de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam. Met een beroep op een achterstand bij [eiser] in de betaling van huur heeft SWR de rechtbank verzocht om de huurovereenkomst te ontbinden en om [eiser] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huur, een gebruiksvergoeding gelijk aan de maandelijkse huursom vanaf de datum van ontbinding tot de datum van daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde en een bedrag van € 483, 93 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

1.3 [Eiser] is in de procedure bij de rechtbank in persoon verschenen. Op een op 7 september 2004 gehouden comparitie van partijen heeft hij melding gemaakt van de door de Belastingdienst veroorzaakte problemen met betrekking tot de aanvraag voor huursubsidie voor 2001/2002. SWR meldt op die comparitie van VROM vernomen te hebben dat VROM aan [eiser] per brief van 5 juli 2004 heeft meegedeeld dat de beschikking inzake de huursubsidie niet wordt herzien. [Eiser] spreekt echter de verwachting uit dat na herziening van de ambtshalve aanslag (voor het jaar 2000) ook bij VROM 'de zaak dan wordt teruggedraaid'((2)).

1.4 Bij vonnis d.d. 19 oktober 2004 heeft de rechtbank de vorderingen van SWR toegewezen. Niet alleen wordt [eiser] veroordeeld tot betaling van onder meer de achterstallige huur, maar ook wordt de huurovereenkomst ontbonden verklaard. In verband met deze laatste beslissing overweegt zij, na eerst het verweer van [eiser] ten aanzien van de beslissing van VROM aangaande de huursubsidie als onvoldoende gemotiveerd te hebben gepasseerd: "De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde."

1.5 [Eiser] heeft bij exploot van 18 januari 2005 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof 's-Gravenhage. In de memorie van grieven d.d. 28 juli 2005 voert hij, na eerst weer de achtergrond van het ontstaan van de huurachterstand te hebben geschetst en onder verwijzing naar producties vermeld te hebben dat de Belastingdienst inmiddels positief op zijn bezwaar tegen de eerste aanslag heeft beslist, als grief aan: "Ten onrechte heeft de rechtbank aangenomen dat de vordering als verder onvoldoende gemotiveerd betwist toewijsbaar is en de hoogte van de huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt". Ter toelichting op de grief wordt onder 10.3 van de memorie van grieven opgemerkt: "[Eiser] is zich bewust van het feit dat het WBR een vordering op hem heeft, terwijl VROM de beslissing met betrekking tot de huursubsidie zal herzien over 2001/2002. Thans is de situatie bij de huursubsidie aldus dat de huurder de huursubsidie ontvangt van VROM en aan de verhuurder de normale huurprijs betaalt. In de huidige omstandigheden zou onderhavige zaak iets zijn tussen [eiser] en VROM waar het WBR in beginsel buiten staat. In het jaar 2001/2002 waar het om gaat was de situatie echter dat een huurder de huurprijs minus de te ontvangen huursubsidie aan de verhuurder betaalt. De huursubsidie wordt verrekend tussen VROM en de verhuurder. [Eiser] meent derhalve dat in casu het WBR wel degelijk als partij kan worden aangemerkt in het geschil tussen [eiser] en VROM." Hij concludeert ten slotte tot vernietiging van het vonnis en tot afwijzing van alle vorderingen van SWR.

SWR heeft op 17 november 2005 een memorie van antwoord genomen en daarin het door [eiser] in appel verdedigde standpunt bestreden.

1.6 Het hof heeft bij arrest van 23 februari 2007((3)) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. In rov. 3 van zijn arrest heeft het hof deze bekrachtiging als volgt onderbouwd: "Het hof stelt voorop dat het verkrijgen van huursubsidie een eigen verantwoordelijkheid van de huurder betreft. Dat is thans zo, maar dat gold voorheen ook al. Dat de administratieve afhandeling in het verleden anders is verlopen, doet daar niet aan af. Vertragingen in het traject tot het verkrijgen van huursubsidie door bijvoorbeeld langdurige bezwaarprocedures en beslissingstrajecten, komen daarbij voor rekening van de huurder. [Eiser] is derhalve gehouden de volle huursom aan SWR te betalen. Ten overvloede overweegt het hof dat [eiser] weliswaar heeft gesteld dat VROM de zaak zou terugdraaien met betrekking tot de huursubsidie voor het jaar 2001/2002, maar dat dat nergens uit blijkt. De grief faalt."

1.7 [Eiser] is bij exploot van 23 mei 2007 - dus tijdig - van het arrest van het hof in cassatie gekomen. SWR is in de cassatieprocedure niet verschenen. De advocaat van [eiser] heeft diens standpunt in cassatie nog schriftelijk toegelicht.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 In het voorgedragen cassatiemiddel zijn de klachten te vinden in onderdeel 2.1 en in onderdeel 2.2 en de toelichting daarop. Zij hebben allen betrekking op de vraag of de door de rechtbank vastgestelde huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst kan rechtvaardigen.

onderdeel 2.1

2.2 De klacht in onderdeel 2.1 komt hierop neer dat het hof een onbegrijpelijke uitleg van de in appel opgevoerde grief heeft gegeven door daarin niet een klacht te lezen van de strekking dat de geconstateerde huurachterstand niet de ontbinding van de huurovereenkomst kan rechtvaardigen. Het hof heeft, zo wordt gesteld, in de rov. 2.2 en 3 uitsluitend de vraag beantwoord of [eiser] de gevorderde huurachterstand dient te betalen.

2.3 De klacht komt gegrond voor. In de zesde volzin van rov. 3 concludeert het hof uit hetgeen het in de daaraan voorafgaande volzinnen heeft overwogen: "[Eiser] is derhalve gehouden de volle huursom aan SWR te betalen". In aansluiting daarop volgt niet, dat bovendien de door de rechtbank vastgestelde huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Vanwege het ontbreken van een overweging van die strekking is het in ieder geval niet voldoende zeker dat het hof ook werkelijk heeft stilgestaan bij de vraag of de door de rechtbank vastgestelde huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De vraag of [eiser] de volle huursom dient te betalen en de vraag of de vastgestelde huurachterstand een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, gaan niet in elkaar op.

onderdeel 2.2

2.4 Onder 2.2.1 van onderdeel 2.2 wordt een klacht aangevoerd die inhoudt, dat het hof ten onrechte niet onderzocht heeft of de huurachterstand een aan [eiser] toe te rekenen tekortkoming vormt. Dat heeft het hof ten onrechte niet gedaan, aangezien de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst reeds moet stranden wanneer de tekortkoming van [eiser] niet aan hem kan worden toegerekend. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat van een toerekenen slechts sprake kan zijn, indien het niet betalen van de huur een vermijdbare situatie vormt of, anders gezegd, aan de huurder te verwijten is. Daarvan is hier geen sprake, zo wordt betoogd, gelet op de fout van de Belastingdienst en gelet op het feit dat [eiser], die leeft van een bijstandsuitkering, de financiële gevolgen van die fout (het niet toegekend krijgen van de huursubsidie) niet eenvoudig ongedaan kan maken.

2.5 Deze klacht berust op onjuiste rechtsopvattingen. Het niet betalen van huur vormt niet slechts een toerekenbare tekortkoming, indien de huurder van dat niet betalen een verwijt is te maken. Bovendien is ontbinding van een huurovereenkomst niet slechts mogelijk, indien de tekortkoming van de huurder aan hem kan worden toegerekend.

Ook de ontbinding door de rechter van een huurovereenkomst krachtens artikel 7:231 BW dient te geschieden met inachtneming van de regels voor ontbinding van een wederkerige overeenkomst in de artikelen 6:265 en 6:266 BW((4)). In artikel 6:265 BW wordt tot uitgangspunt genomen dat "iedere tekortkoming" van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Onder "iedere tekortkoming" valt zowel een tekortkoming die aan de huurder is toe te rekenen, als een tekortkoming die hem niet is toe te rekenen((5)). Verder is van een toerekenbare tekortkoming van de huurder niet slechts sprake wanneer hem van de tekortkoming een verwijt is te maken, maar ook wanneer de tekortkoming voortvloeit uit omstandigheden, waarvoor de huurder het risico draagt((6)). Dat dit laatste niet geldt voor het geval van achterstalligheid in het voldoen van de huur, volgt niet uit genoemde artikelen.

2.6 Onder 2.2.2 van onderdeel 2.2 is een aantal klachten opgenomen, die hierop neerkomen dat, indien het hof ook een oordeel heeft gegeven over de vraag of de door [eiser] opgelopen betalingsachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, dat oordeel:

a. blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het niet stoelt op een afweging tussen enerzijds het woonbelang van [eiser] en de aard en ernst van diens tekortkoming en anderzijds het belang van SWR bij het ontvangen van betaling van de huurprijs;

b. onjuist is, ook indien daaraan (impliciet) een belangenafweging ten grondslag ligt, aangezien het hof heeft miskend dat bij huur van woonruimte een ontbinding pas op zijn plaats is, wanneer de huurder in ernstige mate jegens de verhuurder is tekortgeschoten;

c. niet naar de eisen van de wet is gemotiveerd, daar het hof in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval niet voldoende aangeeft dat en waarom de bij [eiser] ontstane achterstand in de betaling van de huur zodanig ernstig is dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

Bij de bespreking hierna van deze klachten wordt, evenals de opsteller van de klachten doet, verondersteld dat het hof wel de vordering van ontbinding van de huurovereenkomst en in dat verband ook de vraag van de gerechtvaardigdheid in casu van de ontbinding onder ogen heeft gezien.

2.7 In artikel 6:265 BW is de uitzondering opgenomen dat een tekortkoming niet tot ontbinding van de huurovereenkomst kan leiden, indien "de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt". Deze uitzondering brengt mee dat, indien een genoegzaam beroep op de uitzondering is gedaan, de rechter bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van een ontbindingsvordering een belangenafweging dient te maken. In geval van huur van woonruimte komt die afweging onder meer hierop neer dat het gewicht van de tekortkoming moet worden afgezet tegen het woonbelang van de huurder((7)).

2.8 De hiervoor in 2.6 onder a. genoemde klacht slaagt niet wegens gemis aan feitelijke grondslag. In de beoordeling of de aan [eiser] woongenot verschaffende huurovereenkomst voor ontbinding in aanmerking komt wegens een achterstand bij de huurder in de betaling van huur, ligt een afweging besloten van het woonbelang van [eiser] tegenover het belang van SWR bij het ontvangen van de overeengekomen huursom.

2.9 De hiervoor in 2.6 onder b. en c. genoemde klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

De Hoge Raad verstaat artikel 6:265 BW aldus dat in beginsel iedere tekortkoming de wederpartij van de tekortschietende partij de bevoegdheid verschaft om de wederkerige overeenkomst te ontbinden en dat pas na een beroep van de tekortschietende partij op de in het artikel opgenomen uitzondering de rechter op grond van een belangenafweging de ontbinding kan weigeren ((8)). In de literatuur ziet men intussen ook het standpunt verdedigd dat met het toestaan van het gebruik van de ontbindingsbevoegdheid ook los van een beroep op de uitzondering terughoudendheid moet worden betracht. De ontbindingsbevoegdheid mag pas worden gebruikt, wanneer andere minder ingrijpende sancties niet een adequate reactie op het tekortschieten blijken te zijn of wanneer er sprake is van een ernstig tekortschieten((9)).

P. Abas merkt in Asser-Abas, 5-IIA (Huur), 2007, nr. 90 op dat uit de rechtspraak inzake ontbinding van huurovereenkomsten valt af te leiden dat de vordering tot ontbinding pas toewijsbaar is, wanneer de huurder in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen. Volgens E.E. de Wijkerslooth-Vinke wijst daarentegen de recent gepubliceerde huurjurisprudentie er op dat de leer van de Hoge Raad inmiddels door de feitenrechter wordt gevolgd; zie losbladige bundel Huurrecht, Art. 231, aant. 74. Het is niet helemaal duidelijk waarin dit verschil in appreciatie van de rechtspraak zijn grond vindt. De rechtspraak van de Hoge Raad biedt geen duidelijke steun aan de visie van P. Abas. Intussen is een wat grotere terughoudendheid met het ontbinden van een huurovereenkomst in geval het gaat om woonruimte wel voorstelbaar. Het kunnen beschikken over woonruimte betreft een groot belang. Nu bij de uitzondering van lid 1 van artikel 6:265 BW én de aard van de contractuele relatie én de gevolgen van een ontbinding in aanmerking kunnen worden genomen, kan bij een vordering tot ontbinding van een overeenkomst van huur van woonruimte in het kader van de beoordeling van de toepasselijkheid van de uitzondering aan het woonbelang van de huurder een bijzonder gewicht worden toegekend. Langs deze weg kunnen aan de uitoefening van het recht van ontbinding de in het concrete geval gewenste beperkingen worden gesteld. De huurder zal wel een gemotiveerd beroep op zijn woonbelang bij het gehuurde moeten doen. Hierbij geldt, dat hoe klemmender de omstandigheden zijn die de huurder voor toepassing van de uitzondering aanvoert, des te meer de rechter zal moeten motiveren dat de uitzondering toch geen opgeld doet((10)).

2.10 Hetgeen het hof in rov. 3 van het bestreden arrest overweegt ter afwijzing van de uitzondering in artikel 6:265 BW, komt hierop neer:

- het verkrijgen van huursubsidie betreft een eigen verantwoordelijkheid van de huurder;

- het feit dat de administratieve afhandeling van de subsidie in het verleden anders is verlopen (betaling van de subsidie door VROM rechtstreeks aan de verhuurder), doet daar niet aan af;

- vertragingen in het traject tot het verkrijgen van huursubsidie door bijvoorbeeld langdurige bezwaarprocedures en beslissingstrajecten, komen daarbij voor rekening van de huurder;

- tenslotte en ten overvloede, [eiser] stelt wel dat VROM de zaak zou terugdraaien, maar dat blijkt nergens uit.

2.11 Het hof geeft hier een oordeel met als algemeen vertrekpunt: de huurder die aanspraak maakt op huursubsidie. Aan de bijzondere omstandigheden die zich in het onderhavige geval bij [eiser] voordoen, wordt geen (aparte) aandacht geschonken. Als gestelde, bijzondere omstandigheden zijn te beschouwen((11)): [Eiser] huurde al vele jaren woonruimte van SWR; hij was, naar bij SWR bekend was, al vele jaren aangewezen op bijstandsuitkeringen; SWR ging er aanvankelijk ook zelf van uit dat [eiser] voor het jaar 2001/2002 wel voor huursubsidie in aanmerking zou komen; de huurachterstand per ultimo september 2004 was vrijwel geheel toe te schrijven aan de afwijzing door VROM van het verzoek om huursubsidie voor het jaar 2001/2002; de afwijzing was het gevolg van een foute opgave van de Belastingdienst aan VROM omtrent het inkomen van [eiser] in het jaar 2000; het was SWR bekend dat door [eiser] pogingen werden gedaan om de Belastingdienst de fout te doen corrigeren; die pogingen hebben ook geleid tot een positieve beslissing van de Belastingdienst op een bezwaarschrift van [eiser]; in aansluiting op deze positieve beslissing heeft [eiser] VROM benaderd met het verzoek om op de afwijzing van het verzoek om huursubsidie terug te komen; de behandeling van dergelijke verzoeken verloopt traag; het was ook voor SWR duidelijk dat [eiser], doordat hij op bijstandsuitkeringen was aangewezen, niet wel in staat was om, hangende de procedure tot ongedaan maken van de afwijzing van het verzoek om huursubsidie, de opgelopen huurachterstand weg te werken.

2.12 Genoemde omstandigheden zijn, naar het voorkomt, omstandigheden die relevant zijn te achten voor de beantwoording van de vraag of de bij [eiser] aanwezige huurachterstand per ultimo september 2004 een ontbinding van diens huurovereenkomst met SWR rechtvaardigt. Indien het niet apart stilstaan bij deze omstandigheden stoelt op de opvatting dat zij bij de beoordeling van het beroep van [eiser] op de uitzondering in artikel 6:265 BW niet in aanmerking kunnen of hoeven te worden genomen, geeft het hof daarmee blijk van een onjuiste opvatting. Zij kleuren in het bijzonder de ernst van de tekortkoming aan de zijde van [eiser]. De ernst van de tekortkoming is één van de factoren, die bij de beoordeling van de toepasselijkheid van de uitzondering in aanmerking is te nemen. Stoelt het niet apart stilstaan bij genoemde omstandigheden niet op de zojuist veronderstelde opvatting, dan maakt het hof onvoldoende duidelijk waarom in die omstandigheden geen aanleiding is gelegen om in het onderhavige geval de uitzondering niet te laten opgaan.

2.13 In de slotzin van rov. 3 overweegt het hof dat [eiser] weliswaar heeft gesteld dat VROM de zaak zou terugdraaien met betrekking tot de huursubsidie voor het jaar 2001/2002, maar dat dat nergens uit blijkt. Deze - door het hof zelf als ten overvloede gekenschetste - overweging kan 's hofs eindbeslissing ter zake van de ontbinding van de huurovereenkomst, naar het voorkomt, ook niet dragen. Weliswaar heeft [eiser] bij memorie van grieven niet een schriftelijke verklaring van VROM in het geding gebracht, waaruit valt af te leiden dat VROM op zijn eerdere afwijzing van de aanvraag om huursubsidie zal terugkomen of dat dit althans te verwachten valt, maar dat is [eiser] niet euvel te duiden. Het verzoek om op de afwijzing terug te komen, was op dat moment nog bij VROM in behandeling. Niet is gebleken dat het achterwege blijven van een snelle(re) behandeling van het verzoek [eiser] is aan te rekenen. Nu de afwijzing van VROM stoelde op een foute opgave van de Belastingdienst omtrent het inkomen van [eiser] en die fout door de Belastingdienst inmiddels was hersteld, was eerder te verwachten dat ook VROM op de afwijzing zou terugkomen dan dat hij bij die afwijzing zou blijven((12)). In het licht van dit laatste is de overweging dat, zoals door [eiser] gesteld, nergens uit blijkt dat VROM de zaak zou terugdraaien, onvoldoende onderbouwd.

2.14 De slotsom is dat de hiervoor in 2.6 onder b. en c genoemde klachten, althans een van beiden, doel treffen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Het gaat deels om feiten die zijn terug te vinden in het vonnis d.d. 19 oktober 2004 van de rechtbank, sector kanton, te Rotterdam, deels om feiten die door [eiser] zijn gesteld, niet zijn bestreden en ook niet onjuist zijn bevonden.

2. Van een en ander blijkt uit het zich in het procesdossier bevindend proces-verbaal van de comparitie.

3. Voor deze wat verlate datum verschaft het procesdossier geen verklaring.

4. Zie: H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, serie Recht en Praktijk nr. 155, 2007, blz. 208 e.v.; Asser-Abas, 5-IIA (Huur), 2007, nr. 89 e.v.; losbladige Kluwer-bundel Huurrecht (E.E. de Wijckerslooth-Vinke), Art. 231, aant. 21 e.v.

5. Zie Asser-Hartkamp, 4-II, 2005, nr. 514.

6. Zie in dit verband HR 19 mei 1995, NJ 1995, 532. In het betrokken geval is een huurovereenkomst ontbonden wegens het veroorzaken van burenoverlast door huurder, die zich als gevolg van een ziekte niet in de hand heeft. Het oordeel van de rechtbank dat de verweten overlast voor rekening van de huurder komt, wordt in cassatie tevergeefs bestreden.

7. Zie HR 30 november 1984, NJ 1985, 232, rov. 3.5 (Plieger/Van Delft).

8. Aldus nog HR 22 juni 2007, NJ 2007, 343, rov. 5.2. Dit is in lijn met Parl. Gesch. Boek 6 NBW, blz. 1005.

9. Zie onder meer: Asser-Hartkamp, 4-II, 2005, nr. 516; F.B. Bakels, Inzake het redelijk alternatief, WPNR 2007/6693, blz. 12 e.v.; M.M. Stolp, Ontbinding, schadevergoeding en nakoming, De remedies voor wanprestatie in het licht van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, diss. Nijmegen, 2007, in het bijzonder blz. 119 e.v., 153 e.v., 203 e.v. en 261 e.v. (Conclusie).

10. Zie ook in dit verband het in noot 6 genoemde arrest van de Hoge Raad.

11. De omstandigheden zijn in de memorie van grieven naar voren gebracht en van de zijde van SWR niet bestreden.

12. Het hof had hierin aanleiding kunnen vinden om navraag te doen naar de stand van zaken alvorens de eindbeslissing te nemen. Het lijkt er overigens op dat de verwachting van [eiser] omtrent de beslissing van VROM is uitgekomen. Op blz. 6 van de cassatiedagvaarding wordt in noot 3 vermeld, dat Mr. Alt beschikt over "een herzieningsbesluit huursubsidie 1 juni 2001 - 1 juli 2002 gedagtekend 27 maart 2006, waarin de huursubsidie alsnog is toegewezen over die periode".