Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BF8839

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
01166/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BF8839
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat het verdachte is geweest die tezamen en in vereniging met een ander het slachtoffer heeft afgeperst en diens geld heeft weggenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 920
RvdW 2009, 72
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01166/07

Mr. Knigge

Zitting: 7 oktober 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, op 21 december 2006 vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde en voor 1: "Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en "Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen", 2. "Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel", 4. "Opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast", en 5. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], heeft het Hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en beslissingen genomen ten aanzien van het inbeslaggenomene, als nader in het arrest omschreven.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. E.J.H. Damman, advocaat te Amersfoort, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

5. Onder 1 en 2 is bewezenverklaard dat:

"hij op 03 januari 2006 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een laptop (merk Acer) en een laptoptas en een adapter, toebehorende aan [benadeelde partij] voornoemd

en

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Alcatel) en een portemonnaie, (onder meer) inhoudende geld en een bankpas, toebehorend aan [benadeelde partij], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader (de loop van) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen lijkend voorwerp op die [benadeelde partij] richtte en (daarbij/vervolgens)

- de woning van (onder meer) die [benadeelde partij] binnen ging en

- die [benadeelde partij] vroeg/opdroeg zijn laptop en digitale camera af te geven en de portemonnaie uit de hand(en) van die [benadeelde partij] trok/rukte.

2. hij op 03 januari 2006 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, tot een bedrag van 700 euro, toebehorende aan [benadeelde partij], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel."

6. Als bewijsmiddelen heeft het Hof gebezigd, voor zover hier van belang:

"1. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], brigadiers van politie Utrecht, district Utrecht-Noord, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-004135, gedateerd 4 januari 2006, dossierpagina 215-223 voor zover inhoudende als aangifte van [benadeelde partij], zakelijk weergegeven:

Ik ben bewoner van de [a-straat 1] te [woonplaats]. Ik bewoon een kamer van genoemde flat. Gisteren, 3 januari 2006, tussen 23.00 en 23.45 uur ben ik in mijn woning overvallen door twee personen, waarvan er één in het bezit was van een vuurwapen. Kort na 23.00 uur werd er gebeld. Ik hoorde dat de persoon tegen mij zei: "Ik ben de buurman en ik ben mijn sleutels vergeten". Nadat ik de portiekdeur had geopend, ben ik weer naar mijn kamer gelopen. Kort daarna hoorde ik dat er weer werd gebeld. Ditmaal bleek dat er iemand voor de toegangsdeur van de woning stond. Nadat ik de deur geopend had, werd de deur verder open geduwd en keek ik gelijk in de loop van een vuurwapen. Ik zag dat het vuurwapen op mijn borst gericht was. Doordat de jongen met het vuurwapen naar binnen liep en dit wapen op mij gericht hield, liep ik automatisch achteruit de woning in. Ik zag vervolgens dat er nog een tweede persoon de woning in kwam. De jongen met het vuurwapen zal ik in de rest van mijn verklaring dader 1 noemen en de andere jongen zonder vuurwapen dader 2.

Ik zag dat achter dader 1 ook dader 2 naar binnen kwam. Volgens mij liep ik automatisch naar mijn kamer. Ik zag dat dader 1 gelijk achter mij aanliep. Ik liep mijn kamer in en dader 2 kwam ook mijn kamer in. Dader 1 zei dat hij geld wilde hebben. Ik heb toen mijn portemonnee van de kast gepakt. Dader 2 pakte de portemonnee van mij af. Vervolgens zei dader 1 dat hij de pincode van mijn pasje wilde weten. Ik was op dat moment erg bang en heb mijn pincode gegeven.

In de portemonnee zaten enkele pasjes, waaronder mijn bankpas van de Rabobank, een schoolpas, een pas voor mijn kluisje, een OV-jaarkaart van 2005 en een nieuwe voor 2006. Daarnaast zat er een geldbedrag in van ongeveer 100 euro.

Nadat ik de pincode van mijn pasje had gegeven, zag ik dat dader 2 het pand verliet. Ik bleef op dat moment dus alleen achter met dader 1, die het vuurwapen nog steeds op mij gericht hield. Nog voordat ik mijn portemonnee had gepakt, wilden de daders mijn laptop al hebben. De laptop heb ik ontkoppeld. Daarna heb ik de laptop in de tas gedaan. Toen ik de laptop in de tas had gedaan, heb ik de tas aan dader 1 gegeven. Vervolgens zag hij kennelijk dat de adapter nog in het stopcontact zat en zei hij dat hij de adapter ook wilde hebben. Ik heb de adapter vervolgens uit het stopcontact gehaald en deze in het voorvak van de laptoptas gedaan.

Volgens mij duurde het ongeveer 7 minuten voordat dader 2 weer terug kwam.

Toen alles achter de rug was, zag ik dat mijn mobiele telefoon ook was weggenomen.

Ik kan de daders als volgt omschrijven:

Dader 1

- Man van buitenlandse afkomst, licht getinte huidskleur

- Buitenlands accent

- Leeftijd 20 tot 25/28 jaar

- Zwart/donker haar

- Stoppelbaardje

- Lengte ongeveer 1.90 meter

- Gekleed in een donkerkleurige, zandkleurig parka model jas, gewatteerd met een capuchon. De capuchon was afgezet met grijs bont

- Donkerkleurige broek

- Lichtkleurige schoenen met gaatjes structuur erin

- Droeg geheel doorzichtige plastic handschoenen met bij de pols een wit touwtje

Dader 2

- Vermoedelijk buitenlandse afkomst

- Stuk kleiner dan dader 1, vermoedelijk ongeveer 1.70 meter lang

- Had een steviger postuur dan dader 1

- Was jonger dan dader 1, vermoedelijk tussen 19-22 jaar

- Was eveneens gekleed in een jas met capuchon

- Droeg geheel doorzichtige plastic handschoenen met bij de pols een wit touwtje

Schadeomschrijving

€ 700,- gepind geld

€ 100,-, het bedrag wat in de portemonnee zat

Mobiele telefoon, merk Alcatel

Laptop, merk Acer

2. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, gedateerd 8 januari 2006, dossierpagina 253-256, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

In dit proces-verbaal zijn de bevindingen opgenomen welke hebben geleid tot opsporing en identificatie van de aangehouden verdachten voor de overval op [benadeelde partij], [a-straat 1] te [woonplaats] op 3 januari 2006.

Opmerkingen verbalisant:

- De mobiele telefoon van het slachtoffer heeft het nummer 06-[001] en wordt in dit proces-verbaal GSM SLT genoemd;

- De mobiele telefoon met het nummer 06-[002], welke later in gebruik bleek te zijn bij de verdachte [verdachte], wordt in dit proces-verbaal GSM 01 genoemd;

- De mobiele telefoon met het nummer 06-[003], welke later in gebruik bleek bij de verdachte [medeverdachte 1], wordt in dit proces-verbaal GSM 02 genoemd;

- De mobiele telefoon met het nummer 06-[004] is in gebruik bij verdachte (heling) [medeverdachte 2], en wordt in dit proces-verbaal GSM 03 genoemd;

-

3. De als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde journaals van opgenomen telefoongesprekken van 4 januari 2006 tot en met 6 januari 2006, dossierbladzijde 257-266 en 269, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Zie bijgevoegde fotokopieën van de betreffende journaals.(1)

4. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3], brigadier van politie Utrecht, district Utrecht-Noord, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-004135, gedateerd 7 januari 2006, dossierpagina 201-202, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 7 januari 2006 te 13.15 uur werd met machtiging van de hulpofficier van justitie te Utrecht, binnengetreden in perceel [b-straat 1] te [plaats]. Dit vond plaats ter aanhouding van de daar woonachtige [medeverdachte 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

Nadat hem was medegedeeld dat wij op zoek waren naar een recent door hem gekochte laptop die van diefstal afkomstig was, liep [medeverdachte 2] naar een kamer die bij hem in gebruik was en pakte een zwarte laptoptas. In die tas bleek een laptop van het merk ACER te zitten.

5. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie Utrecht, district Utrecht-Noord, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-004135, gedateerd 7 januari 2006, dossierpagina 207, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 7 januari 2005 omstreeks 14.05 uur hebben wij met toestemming van de bewoner [medeverdachte 1] diens kamer, te weten kamer D, in het woningcomplex aan de [c-straat 1] te [plaats] doorzocht.

In deze kamer troffen wij de volgende voor inbeslagneming vatbare voorwerpen aan:

- Mobiele telefoon, Sagem

- Mobiele telefoon, Alcatel

- SIM-kaart, Hi

6. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], brigadier van politie Utrecht, district Utrecht-Noord, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-004135, gedateerd 13 januari 2006, dossierpagina 224-225, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij], zakelijk weergegeven:

(Aan aangever [benadeelde partij] werd de inbeslaggenomen mobiele telefoon van het merk Alcatel getoond.) U toont mij een gsm van het merk Alcatel. Dit is mijn telefoon. Deze is bij de overval door één van de daders meegenomen.

7. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 6], hoofdagent van politie Utrecht, district Utrecht-Noord, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-004135, gedateerd 9 januari 2006, dossierpagina 248, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd op dinsdag 3 januari 2006, omstreeks 23.00 uur, waarbij een pinpas van de Rabobank werd weggenomen, werd een onderzoek ingesteld. De weggenomen pinpas behoorde bij een rekeningnummer [005], te name van de aangever [benadeelde partij]. Door [betrokkene 1], medewerker van de afdeling fraude van de Rabobank, werd aan het onderzoeksteam medegedeeld dat er op dinsdag 3 januari 2006, te 23.26 uur, geld werd gepind bij een filiaal van de Rabobank, die op de Zamenhofdreef 115 te Utrecht is gevestigd. Tijdens deze pintransactie werd van de rekening van de aangever 700 euro opgenomen.

8. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B, gedateerd 21 maart 2006, dossierbladzijde 159-169, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Bij navraag bij de Rabobank bleek dat er met de pinpas van het slachtoffer op dinsdag 3 januari 2006, te 23.26 uur, een bedrag van 700 euro was opgenomen bij de pinautomaat van de Rabobank aan de Zamenhofdreef te Utrecht.

Op de opgevraagde videobeelden van deze transactie is te zien dat een persoon met een donkere jas met een bontkraag en een pet op zijn hoofd, en die verder onherkenbaar is, deze pintransactie uitvoerde.

Onderzoek inbeslaggenomen mobiele telefoons verdachten:

Mobiele telefoon, merk Motorola, nummer 06-[002], aangetroffen bij [verdachte]:

Uit onderzoek van deze mobiele telefoon staat in de telefoonlijst onder item 117 de naam [...] het nummer 06-[003]. Dit betreft het nummer van de mobiele telefoon van verdachte [medeverdachte 1].

Onderzoek historische printgegevens telefoon slachtoffer [benadeelde partij]:

Uit eerste analyse van de historische printgegevens van de weggenomen mobiele telefoon van het slachtoffer, merk Alcatel, nummer 06-[001], bleek, dat deze op dinsdag 3 januari 2006, vanaf 23.53 uur, een aantal malen werd gebruikt binnen het zendbereik van het basisstation Hooghiemstraplein te Utrecht.

Uit de telefoontap op de mobiele telefoon van [verdachte], nummer 06-[002], van provider Vodafone is gebleken dat een groot aantal malen verbindingen via dit basisstation, dat ook op het Hooghiemstraplein te Utrecht staat, tot stand werden gebracht met het netwerk van Vodafone. De woning [c-straat 1] te [plaats] ligt binnen het zendbereik van de basisstations van KPN en Vodafone op het Hooghiemstraplein te Utrecht.

9. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem op 7 december 2006, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven:

Ik heb de laptop naar [medeverdachte 2] toegebracht. Ik heb 400 euro gekregen.

U leest mij voor een op schrift gesteld tapgesprek van 4 januari 2006, te 14.33.52 uur, waarin ik gebeld word door iemand die de gestolen telefoon gebruikt. Ik herken dit gesprek.

U leest mij voor een op schrift gesteld tapgesprek van 5 januari 2006, te 13.14.44 uur. Ik kan me dit gesprek herinneren.

[Medeverdachte 1] is mijn buurman. Het klopt dat ik het telefoonnummer van [medeverdachte 1] onder de naam "buurman" in mijn telefoon heb opgeslagen. We noemen elkaar "buurman".

10. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 6], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie Utrecht, district Utrecht-Noord, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-004135, gedateerd 9 januari 2006, dossierpagina 402-411, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik woon op de [c-straat 1] te [plaats].

11. De als bijlagen bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0914/06-000573 B en gesloten op 21 maart 2006, gevoegde in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie Utrecht, district Utrecht-Noord, opgemaakte processen-verbaal, genummerd PL0914/06-004135, gedateerd 9 januari 2006, dossierpagina 421-430, voor zover inhoudende als verklaringen van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven:

Ik woon op de [c-straat 1] te [plaats]. Alleen ik gebruik mijn telefoon, niemand anders.

Het telefoonnummer [003] is mijn nummer."

4. Voorts houdt het arrest nog in, voor zover van belang:

"Verdachte heeft met betrekking tot de feiten 1 en 2 ter terechtzitting aangevoerd dat hij niet de laptop heeft gestolen, maar dat hij de laptop voor iemand anders moest verkopen en dat hij de laptop op het moment van het eerste afgeluisterde telefoongesprek (4 januari 2006, 14.33 uur) niet in zijn bezit had.

Het hof merkt hieromtrent het volgende op.

Op dinsdagavond 3 januari 2006 tussen 23.00 en 23.45 uur is [benadeelde partij] overvallen, de daders hebben onder meer de mobiele telefoon en laptop van [benadeelde partij] meegenomen. Kort na de overval wordt met de mobiele telefoon van [benadeelde partij] gebeld naar verdachte.

Op woensdag 4 januari 2006, te 14.33 uur wordt met de mobiele telefoon van [benadeelde partij] gebeld naar de mobiele telefoon van verdachte. In het gesprek dat volgt noemt beller zichzelf buurman en vraagt gebelde of hij moet kijken voor een lappie (het hof begrijpt: laptop). Beller zegt dat hij gewoon thuis is.

Op donderdag 5 januari 2006, te 02.05 uur wordt met de mobiele telefoon van [benadeelde partij] gebeld naar de mobiele telefoon van verdachte. Gebelde vraagt aan beller of "die ding" al is verkocht, waarop de ander antwoord dat deze nog niet is verkocht. Beller vraagt aan de ander waar hij is, waarop deze antwoordt dat hij thuis is. Beller zegt dat hij ook zo thuis komt.

Op donderdag 5 januari 2006, te 13.14 uur, wordt met de mobiele telefoon van [medeverdachte 2] gebeld naar de mobiele telefoon van verdachte. De beller zegt dat hij misschien een koper heeft voor "de ding". Deze man wil kopen voor 100 euro, maar de gebelde vindt dat te weinig en wil er 400 euro voor hebben. De man vraagt aan de gebelde of hij het ding zelf gepikt heeft. De gebelde zegt dat dat niet uitmaakt.

Op donderdag 5 januari 2006, te 16.03 uur, wordt met de mobiele telefoon van verdachte gebeld naar een vaste telefoonaansluiting. De gebelde noemt zich in dit gesprek [medeverdachte 2] en er wordt gesproken over het vorige gesprek. [Medeverdachte 2] zegt dat de beller nooit ja moet zeggen als er gevraagd wordt of hij iets gedaan heeft. [Medeverdachte 2] denkt erover dat hij "dat ding" misschien zelf wel koopt. De beller zal die avond langskomen en dan spreken zij elkaar.

Op donderdag 5 januari 2006, te 22.07 uur wordt met de mobiele telefoon van verdachte gebeld naar de mobiele telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1]. De beller zegt tegen de gebelde dat "dat ding" weg is voor 4 barkies (400 euro).

De mobiele telefoon van [benadeelde partij] wordt op 7 januari 2006, slechts enkele dagen na de overval, in de kamer van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen en inbeslaggenomen. Vaststaat dat verdachte en [medeverdachte 1] beiden in dezelfde woning een kamer huurden en zij buren van elkaar zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat hij en [medeverdachte 1] elkaar wel eens buurman noemden.

De laptop van [benadeelde partij] werd op 7 januari 2006 in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen en inbeslaggenomen. Verdachte heeft aangegeven dat hij degene is die de laptop aan [medeverdachte 2] heeft verkocht.

In het bijzonder genoemde feiten en omstandigheden leiden in onderling verband en samenhang bezien tot het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte de laptop van [benadeelde partij] voor iemand anders moest verkopen. Uit in het bijzonder de telefoongesprekken leidt het hof - in combinatie met de inhoud van de overige bewijsmiddelen - juist af dat het verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn geweest die zeer korte tijd na de overval in het bezit zijn van de laptop en de mobiele telefoon en dat zij het zijn geweest die de overval op [benadeelde partij] hebben gepleegd.

Het verweer wordt verworpen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken."

5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de "buurman" van verdachte (beiden huren een kamer in hetzelfde huis) een dag na de overval, gepleegd op 3 januari 2006 omstreeks 23.00 uur, over de buitgemaakte laptop kon beschikken en dat verdachte deze uiteindelijk op 5 januari 2006 heeft verkocht. Zeer kort na de overval, vanaf 23.52 uur, maakt de buitgemaakte telefoon contacten met een zendmast, die ook wordt aangestraald als de verdachte zijn telefoon (thuis) gebruikt.(2) De buitgemaakte telefoon verplaatst zich dus zeer kort naar de overval naar het zendbereik van deze mast, in de buurt van de woning van verdachte en zijn medeverdachte. Een dag na de overval, 4 januari 2006 om 14.33 uur, belt de medeverdachte verdachte met deze telefoon. Verdachte vraagt dan wat hij moet regelen, "moet ik uitkijken voor die lappie of wat". Buurman antwoordt dat dit niet nodig is ("voor die lappie alles al weggenomen").(3)

6. Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander de overval heeft gepleegd. Het Hof baseert zijn oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij de laptop voor iemand anders moest verkopen (en dat hij derhalve niet als heler maar als steler moet worden aangemerkt) niet aannemelijk is, op de keper beschouwd uitsluitend met een verwijzing naar de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit terwijl die bewijsmiddelen die niet op voorhand onwaarschijnlijke mogelijkheid juist open laten. Dat de buitgemaakte mobiele telefoon zich kort na de overval in de buurt van de woning van de verdachte bevond, zegt niet veel, juist omdat zijn medeverdachte (die van de mobiele telefoon gebruik bleek te maken) daar ook woonde. De medeverdachte kan die overval immers samen met een ander hebben gepleegd.(4) Het is dus ook heel wel mogelijk dat de rol van de verdachte zich beperkte tot het vinden van een afnemer voor de laptop.(5) De afgeluisterde gesprekken wekken zelfs de indruk dat de verdachte zijn diensten aanbood en eerst na verkregen "opdracht" tot (ver)handelen overging.

7. Ik merk nog op dat de bewijsmiddelen wel een signalement van beide daders bevatten, maar uit die bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte aan één van beide signalementen beantwoordt. De raadsman wees er in zijn pleidooi op dat het slachtoffer de verdachte niet bij een fotoconfrontatie heeft herkend, dit terwijl hij "zeven lange minuten alleen met dader 1 is geweest".(6) Hoe het Hof dit met zijn oordeel heeft gerijmd, maakt de motivering niet duidelijk.

8. Het middel slaagt.

9. Terzijde merk ik nog op dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte [benadeelde partij] heeft opgedragen zijn digitale camera af te geven, zoals bewezen is verklaard. Daarnaast kan men zich afvragen of terecht is vrijgesproken van "geweld" nu in de feitelijke omschrijving staat opgenomen "het uit de hand(en) trekken/rukken van een portemonnaie". Dit valt mijns inziens onder geweld. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, levert dit echter niet op.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en de strafoplegging, alsmede ten aanzien van de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Opmerking AG: deze telefoongesprekken worden, op drie telefoongesprekken na, beschreven in de bewijsoverweging van het Hof.

2 Bewijsmiddel 8. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen belt medeverdachte ([medeverdachte 1], "buurman") in de dagen daarop met de buitgemaakte telefoon.

3 Dit antwoord blijkt niet uit de samenvatting van het Hof, maar wél uit de als bijlage opgenomen weergave van het gesprek.

4 Denkbaar (maar minder waarschijnlijk) is ook dat geheel andere personen de overval hebben gepleegd die de telefoon en de laptop vervolgens onverwijld aan de medeverdachte hebben overgedragen.

5 In de tot het bewijs gebezigde telefoontap d.d. 5 januari 2006 om 13.14.44 uur ontkent de verdachte zelfs tot tweemaal toe ten overstaan van NN3 dat hij de laptop heeft gepikt, al kan dit ook een kwestie van onderhandelingstactiek zijn geweest.

6 Zie punt 4 van de overgelegde pleitnota. Een blik achter de papieren muur leert dat verdachte (die een Marokkaanse vader heeft) langer en ouder is dan zijn buurman, zodat - als beiden de overval zouden hebben gepleegd - verdachte dader 1 moet zijn geweest.