Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BF7412

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
12-12-2008
Zaaknummer
R07/099HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BF7412
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht; geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie na echtscheiding; behoeftigheid onderhoudsgerechtigde, interen op vermogen, maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 932
NJ 2009, 13
RFR 2009, 16
RvdW 2009, 36
NJB 2009, 132
JWB 2008/492
JPF 2009/33 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R07/099HR

mr. Keus

Parket, 3 oktober 2008

Conclusie inzake:

[De man]

(hierna: de man)

verzoeker tot cassatie

tegen:

[De vrouw]

(hierna: de vrouw)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of van de man, die vaststelling van een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud heeft verzocht, kan worden gevergd dat hij - om een beperkte periode van dubbele woonlasten te overbruggen - inteert op zijn vermogen.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1. Partijen zijn op 30 juni 1998 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Staande het huwelijk hebben partijen op 4 februari 2004 huwelijkse voorwaarden opgemaakt, die op 6 februari 2004 in het huwelijksgoederenregister zijn ingeschreven.

1.2. Bij beschikking van 5 oktober 2005 heeft de rechtbank Leeuwarden de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing over de alimentatie aangehouden. Bij tussenbeschikking van 18 januari 2006 is deze beslissing wederom aangehouden.

1.3. Het huwelijk van partijen is op 18 januari 2006 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ontbonden.

1.4. Bij beschikking van 12 april 2006 heeft de rechtbank het verzoek van de man, strekkende tot vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud ten bedrage van € 750,- per maand, afgewezen.

1.5. De man heeft van de onder 1.4 bedoelde beschikking hoger beroep ingesteld.

1.6. Het hof heeft - bij beschikking van 14 februari 2007 - de beschikking waarvan beroep bekrachtigd. Het heeft hiertoe, voor zover van belang, als volgt overwogen:

"15. Vaststaat dat ieder der partijen de beschikking heeft verkregen over een vermogen van ruim € 400.000,-.

16. In principe moet de man in staat worden geacht in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien uit het rendement van zijn vermogen tezamen met zijn WAO-uitkering. De man stelt echter dat dit niet het geval is en dat hij behoefte heeft aan een bijdrage van de vrouw in de kosten van zijn levensonderhoud.

17. De man voert daartoe aan dat hij naast de woonlasten van zijn huidige woning te [woonplaats] tevens lasten heeft met betrekking tot een in aanbouw zijnde nieuwe woning. Om deze lasten te kunnen betalen moet de man interen op zijn vermogen. Dit kan niet van hem worden gevergd, aldus de man.

18. De in aanbouw zijnde woning van de man zal in september 2007 gereed komen. Zijn huidige woning zal hij verkopen, zodat hij tegen die tijd geen dubbele woonlasten meer heeft en zich financieel kan redden, aldus de man. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat met ingang van 1 september 2007 de man geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de vrouw en hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.

19. Het hof zal nu oordelen over de periode van 18 januari 2006 tot 1 september 2007.

20. Bij die beoordeling is de vraag aan de orde of van de man in redelijkheid gevergd kan worden dat hij inteert op zijn vermogen teneinde de beperkte periode van zijn dubbele woonlasten te overbruggen. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend beantwoord moet worden. Immers, de man heeft behoefte aan een bijdrage van de vrouw als gevolg van een door hemzelf gemaakte keuze: het laten bouwen van een nieuw huis. Niet is gesteld dat daartoe enige noodzaak was. Deze keuze kan naar de mening van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet worden afgewenteld op de vrouw. Het verzoek van een (lees: de; LK) man tot een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud over de periode van 18 januari 2006 tot 1 september 2007 dient dan ook te worden afgewezen."

1.7. De man heeft bij rekest van 14 mei 2007 (op diezelfde dag ingekomen ter griffie van de Hoge Raad) - en dus tijdig - beroep in cassatie van de beschikking van het hof van 14 februari 2007 ingesteld. De vrouw heeft (alhoewel daartoe in de gelegenheid gesteld) geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Het cassatierekest omvat - onder 4 en 5 - twee middelen, die zich tegen de rov. 16, 20 en 21 alsmede de daarop steunende beslissing richten.

2.2. Middel I keert zich in onderdeel 4.3(2) tegen rov. 20 van 's hofs beschikking. Het onderdeel (dat in de onderdelen 4.4-4.8 nader wordt uitgewerkt) voert aan dat het hof heeft miskend "dat het wettelijk uitgangspunt is dat niet kan worden gevergd dat door de alimentatiebehoeftige wordt ingeteerd op het vermogen".

2.3. Bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak kan de rechter aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen (art. 1:157 lid 1 BW). De daarbij door de rechter aan te leggen maatstaven zijn behoefte, draagkracht en andere, ook niet-financiële omstandigheden. Rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval(3).

2.4. De omvang van de alimentatie wordt - behoudens de wettelijke beperking van de alimentatieduur en mogelijk relevante, niet-financiële omstandigheden - door behoefte enerzijds en draagkracht anderzijds bepaald. Behoefte is eerst dan relevant indien deze als "behoeftigheid" kan worden aangemerkt. Daarvan is sprake als men zelf niet in zijn redelijke behoeften kan voorzien(4).

2.5. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het vermogen een draagkrachtbepalende omstandigheid is en dat daarop, afhankelijk van de door de feitenrechter te beoordelen omstandigheden, kan worden ingeteerd, bijvoorbeeld door het vermogen te gelde te maken of onder dekking van het vermogen schulden aan te gaan(5). De beantwoording van de vraag of van een alimentatieplichtige kan worden verlangd dat hij inteert op zijn vermogen, hangt af van de omstandigheden van het geval(6). Niet steeds mag intering worden verwacht. Zo kan de behoefte aan een oudedagsvoorziening zich daartegen verzetten(7).

2.6. Over de vraag of en onder welke omstandigheden van de alimentatiebehoeftige kan worden gevergd dat hij op zijn vermogen inteert, heeft de Hoge Raad nog geen duidelijke uitspraak gedaan(8). Uit de lagere rechtspraak volgt echter dat het vermogen, naast een draagkrachtbepalende, ook een behoeftebepalende omstandigheid is en dat eventueel ook van de partij die alimentatie vraagt kan worden verlangd daarop in te teren(9).

2.7. Ook de literatuur wijst in die richting. Art. 1:157 lid 1 BW relateert de behoeftigheid aan "inkomsten". Inkomsten kunnen voortspruiten uit arbeid maar ook uit vermogen. Daarnaast kan ook het vermogen zelf dienen ter leniging van behoeftigheid, als het zich voor intering leent. Een redelijke uitleg van de wettekst sluit niet uit dat onder omstandigheden mag worden verwacht dat enigermate op het vermogen wordt ingeteerd(10).

2.8. Naar mijn mening dwingt art. 1:157 BW niet ertoe en ontbreekt ook overigens iedere grond de mogelijkheid om op aanwezig vermogen in te teren, ten aanzien van draagkracht en behoefte uiteenlopend te beoordelen. Daarom kan mijns inziens onder omstandigheden ook van de alimentatiebehoeftige worden gevergd dat hij op aanwezig vermogen inteert. Dit impliceert dat de klacht dat het hof zou hebben miskend "dat het wettelijk uitgangspunt is dat niet kan worden gevergd dat door de alimentatiebehoeftige wordt ingeteerd op het vermogen", van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat en daarom faalt.

2.9. De onderdelen 4.8 en 4.9 kunnen evenmin tot cassatie leiden, voor zover zij betogen dat het bestreden oordeel onjuist is of niet naar behoren is gemotiveerd, nu het hof niet óók het inkomen én het vermogen van de vrouw in zijn beschouwingen en zijn oordeel heeft betrokken. In de kennelijke en niet onbegrijpelijke gedachtegang van het hof staat het een los van het ander. De vraag of van de man in redelijkheid kan worden gevergd in te teren op zijn vermogen, komt aan de orde bij de vaststelling van de behoefte van de man, welke behoefte losstaat van de (mede aan de hand van haar vermogen te bepalen) draagkracht van de vrouw.

2.10. In onderdeel 4.10 wordt betoogd dat het hof ten onrechte de redelijkheid en billijkheid in zijn oordeelsvorming heeft betrokken.

2.11. Waar de rechtsverhouding tussen gewezen echtgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid(11) en zulks ook in alimentatiekwesties tussen gewezen echtgenoten opgeld doet(12), gaat ook de klacht van onderdeel 4.10 van een onjuiste rechtsopvatting uit. Ook die klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.

2.12. Het tweede middel behelst (in het bijzonder in de onderdelen 5.3 en 5.4) de klacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat voor de man geen noodzaak bestond een nieuw huis te laten bouwen. De man is immers - volgens de klacht - in verband met zijn handicap op een woning (flat) met een lift aangewezen.

2.13. De enige plaats in het procesdossier waar stellingen van de man over de bouw van zijn nieuwe huis zijn te vinden, is het proces-verbaal van de zitting van het hof van 14 februari 2007. Hierin wordt (op p. 5) vermeld:

"De jongste raadsheer:

Waarom verkoopt u uw huidige woning in [woonplaats] en laat u een nieuwe woning bouwen?

De man:

Dat is vanwege mijn handicap. Ik ga naar een flat met een lift. Nu heb ik een tuin en ben niet meer in staat om goed op het huis te passen. (...)."

2.14. Zonder nadere onderbouwing rechtvaardigt deze (enkele) stelling van de man niet de conclusie dat het voor hem noodzakelijk is een nieuw huis te (laten) bouwen. Zo laat die stelling onbeantwoord waarom de man niet aanstonds een woning met lift heeft gekocht(13) en waarom hij thans niet een bestaande woning met lift heeft gekocht om een periode van dubbele lasten te voorkomen, althans zoveel mogelijk te beperken. Aldus moet mijns inziens het oordeel van het hof in rov. 20 met betrekking tot de door de man zelf gemaakte keuze worden gelezen: het hof oordeelt niet dat het de eigen keuze van de man is dat hij op een woning met lift is aangewezen, maar dat hij zodanige woning laat bouwen ("een door hemzelf gemaakte keuze: het laten bouwen van een nieuw huis"), in plaats van een bestaande woning te kopen.

2.15. Nu Bos zijn keuze voor de bouw van een nieuwe woning niet nader heeft geadstrueerd, is 's hofs oordeel dat de noodzaak daartoe niet is gesteld, niet onbegrijpelijk. De klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.

2.16. Onderdeel 5.5 klaagt opnieuw (zie ook hiervoor onder 2.10) over de toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid door het hof. Het onderdeel strandt om dezelfde reden als hiervoor onder 2.11 weergegeven. Anders dan het onderdeel lijkt te veronderstellen, is met het hanteren van die maatstaven niet onverenigbaar dat bij de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud zoals bedoeld in art. 1:157 BW alle feiten en omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen. Wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid passend is, zal immers eveneens slechts aan de hand van alle feiten en omstandigheden kunnen worden bepaald. Daarbij sluiten die maatstaven niet bepaalde feiten en omstandigheden uit, maar bepalen zij wel (in de woorden van het onderdeel) hun weging.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan de thans bestreden beschikking van 14 februari 2007.

2 De onderdelen 4.1 en 4.2 bevatten geen klacht.

3 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding (2006), p. 686 e.v., met verwijzing naar HR 7 december 1990, NJ 1991, 201, HR 20 februari 1991, NJ 1992, 194 en HR 27 maart 1998, NJ 1998, 551; vgl. ook M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht (2006), nr. 148 en Th.M. Dorn, Alimentatieverplichtingen (2008), p. 27-29.

4 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, a.w., p. 690.

5 Zie conclusie A-G Fokkens voor HR 27 maart 1992, NJ 1992, 395, onder 3; vgl. ook HR 1 februari 2002, NJ 2002, 184. Zie ook Asser-De Boer (2006), nr. 625, p. 495.

6 HR 27 maart 2003, NJ 1992, 395. Ook Asser-De Boer (2006), nr. 625, p. 495, relateert de redelijkheid van het (tijdelijk) interen op vermogen aan de omstandigheden van het geval: "(Tijdelijk) interen op vermogen kan onder omstandigheden als redelijk worden aangemerkt; (...)."

7 Zie M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, a.w., p. 700, en (in verband met de invloed van het vermogen op de behoefte van de alimentatiegerechtigde en onder verwijzing naar HR 26 november 1999, NJ 2000, 329) p. 694.

8 Evenals in de oudere rechtspraak, genoemd in Asser-De Boer (2006), nr. 621, p. 490, slot, heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 26 november 1999, NJ 2000, 329, de alimentatiebehoeftige niet tot interen op aanwezig vermogen gehouden geacht. In (rov. 3.4 van) laatstgenoemde beschikking lijkt de Hoge Raad echter wel ervan uit te gaan dat onder omstandigheden (ook) van de alimentatiebehoeftige kan worden gevergd op aanwezig vermogen in te teren. In de desbetreffende zaak was aan de orde, dat van de (alimentatiegerechtigde) vrouw niet in redelijkheid kon worden gevergd op haar vermogen in te teren, nu zij dat vermogen voor haar oudedagsvoorziening nodig had.

9 Zie bijv. hof Den Haag 14 september 2005, LJN: AU2915, en hof Den Haag 18 oktober 2006, LJN: AZ2087.

10 M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, a.w., nr. 149; M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, a.w., p. 694. Ook Asser-De Boer (2006), nr. 621, p. 490, slot, sluit niet uit dat van de alimentatiebehoeftige wordt gevergd dat hij op zijn vermogen inteert, alhoewel "(i)nteren op het vermogen (...) in redelijkheid niet steeds (zal) kunnen worden verlangd, bijv. in verband met het ontbreken van een pensioenvoorziening (...)."

11 Verbintenissenrecht, aantekening 4 bij art. 6:2 BW (R.M.Ch.M. Koot e.a., 2007), met verwijzing naar HR 23 april 1982, NJ 1982, 335, en HR 9 februari 2007, NJ 2007, 306, m.nt. J.de Boer.

12 In dit verband is mede van belang dat gewezen echtgenoten niet in art. 1:397 BW worden genoemd, juist om duidelijk te maken dat voor gewezen echtgenoten niet alleen de in art. 1:397 omschreven maatstaven gelden. Zie in dit verband Asser-De Boer (2006), nr. 620, p. 487, alsmede HR 28 mei 1971, NJ 1971, 371, en HR 10 mei 1974, NJ 1975, 183, m.nt. EAAL.

13 Dit klemt temeer nu uit het dossier lijkt te volgen dat de man zijn huidige woning al ten tijde van het huwelijk voor zichzelf heeft gekocht. Zie het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandig verzoek van 9 augustus 2005, p. 1: "2. (...) Op aanraden van de therapeut heeft de man een nieuwe woning gekocht, zodat de man en de vrouw niet meer bij elkaar behoefden te wonen. Wel verbleven zij nog veel bij elkaar en heeft de vrouw ook nog bij de man gewoond. Pas met oudjaar 2004 heeft de vrouw de man verlaten." Het ligt niet zonder meer voor de hand dat de man destijds een voor hem ongeschikte woning heeft gekocht. Overigens heeft de man niet gesteld dat zijn handicap sedertdien is verergerd.