Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BF1045

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
C07/090HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BF1045
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Afgewezen schadevordering informant CID tegen de Staat (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Wetboek van Strafvordering 89
Wetboek van Strafvordering 591a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 780
RvdW 2008, 992
JWB 2008/429
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C07/090HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 12 september 2008

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

de Staat der Nederlanden

Dit geschil heeft betrekking op een strafvervolging, ingesteld tegen een persoon die werkzaam is geweest als informant van de politie. De strafzaak is geëindigd zonder een veroordeling. In deze civiele procedure gaat het om de vraag of de betrokken persoon schade heeft geleden door een onrechtmatige overheidsdaad, bestaande in een onzorgvuldige afweging van belangen bij de beslissing tot aanhouding en vervolging en/of onvoldoende geheimhouding van zijn hoedanigheid van informant.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die in het vonnis in eerste aanleg zijn opgenomen onder 1.1 - 1.12. Het hof heeft deze feiten samengevat als volgt:

1.1.1. Eiser tot cassatie (hierna kortweg: eiser) is vanaf november 1996 opgetreden als informant van de Criminele Inlichtingendienst (C.I.D.) van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Oost Nederland (IRT NON), dat onder verantwoordelijkheid van het parket te Zwolle viel.

1.1.2. In de loop van 1998 is bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, die in het kader van een breder onderzoek (ook) de telefoon van eiser afluisterde, de verdenking gerezen dat eiser betrokken was bij de invoer van verdovende middelen. Op 8 december 1998 is tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek geopend. Eiser is op 4 januari 1999 aangehouden en in verzekering gesteld. Hij is, met een onderbreking van zes weken, in voorlopige hechtenis gebleven tot 28 december 1999.

1.1.3. In het strafdossier van eiser en van zijn medeverdachten zijn stukken opgenomen waaruit viel op te maken dat eiser als informant van de politie was opgetreden.

1.1.4. Bij vonnis van 21 april 2000 heeft de rechtbank te Amsterdam het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van eiser, aangezien naar het oordeel van de rechtbank het O.M. zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld jegens eiser en diens belangen, dat sprake was van een schending van de beginselen van een goede procesorde.

1.1.5. Dit vonnis is bij arrest van 16 februari 2001 door het gerechtshof te Amsterdam bekrachtigd met verbetering van gronden. De overwegingen van rechtbank en hof komen erop neer dat het arrondissementsparket te Amsterdam pas had mogen besluiten tot aanhouding en vervolging van eiser over te gaan nadat alle beschikbare informatie tussen de twee betrokken politie-eenheden en/of parketten zou zijn uitgewisseld en in de afweging zou zijn betrokken.

1.1.6. Na afloop van de strafzaak door eiser ingediende verzoeken ingevolge art. 89 en 591a Sv zijn door het gerechtshof te Amsterdam afgewezen.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 14 mei 2003 heeft eiser de Staat gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage. Hij heeft gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Daarnaast vorderde eiser vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in zijn strafzaak, ten bedrage van € 74.762,55, te vermeerderen met wettelijke rente, en vergoeding van overige materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Aan zijn vordering heeft eiser ten grondslag gelegd dat een orgaan van de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld (a) door over te gaan tot aanhouding en vervolging van eiser zonder dat daaraan een behoorlijke belangenafweging is voorafgegaan en (b) door in de strafdossiers van hem en van zijn medeverdachten verklaringen en transcripties van afgeluisterde telefoongesprekken op te nemen waaruit kon worden afgeleid dat eiser als informant van de C.I.D. werkzaam was. Voor wat grondslag (a) betreft, verwees eiser naar de overwegingen van het hof te Amsterdam in de strafzaak. Voor wat grondslag (b) betreft, heeft eiser gesteld dat hij erop mocht vertrouwen dat de Staat zijn hoedanigheid als informant van de C.I.D. geheim zou houden. Sinds zijn hoedanigheid van informant openbaar is geworden, is eiser naar zijn zeggen bedreigd en lijdt hij aan psychische klachten die verband houden met angst voor represailles jegens hemzelf of jegens zijn familie.

1.3. Nadat de Staat verweer had gevoerd, heeft de rechtbank bij vonnis van 18 augustus 2004 de vordering afgewezen. Met betrekking tot grondslag (a) was de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van afdoende informatie-uitwisseling tussen de betrokken parketten en politiekorpsen en van een zorgvuldige belangenafweging de beslissing tot aanhouding van eiser onrechtmatig maakt jegens hem. Niettemin ontbreekt volgens de rechtbank het vereiste oorzakelijk verband tussen het gestelde overheidshandelen en de gestelde schade. De rechtbank overwoog dat het belang van een gewezen informant bij waarborging van zijn persoonlijke veiligheid inderdaad een belangrijke factor is bij de door het O.M. te maken belangenafweging. Anderzijds kan volgens de rechtbank niet als algemene regel worden aanvaard dat, indien de aanhouding en vervolging van een persoon ten aanzien van wie zwaarwegende verdenkingen bestaan risico's voor diens veiligheid kunnen meebrengen omdat zijn hoedanigheid als informant van de C.I.D. dan bekend zal worden, dit automatisch tot gevolg heeft dat het O.M zou moeten afzien van aanhouding en vervolging. Een informant die strafbare feiten begaat, neemt volgens de rechtbank willens en wetens het risico dat hij op enig moment vervolgd zal worden en dat zijn rol als informant wellicht niet verborgen kan blijven. In dit geval kan niet worden gezegd dat het O.M. na een tijdige en zorgvuldige belangenafweging niet tot aanhouding en vervolging van eiser zou hebben mogen besluiten (rov. 3.3 - 3.4 Rb).

1.4. Met betrekking tot grondslag (b) van de vordering besprak de rechtbank eerst de beslissing om stukken waaruit eisers rol als informant bleek, in het dossier van de strafzaak tegen eiser zelf te voegen (rov. 3.5.1 Rb)(1). Vervolgens besprak de rechtbank de vraag of het O.M. deze stukken heeft mogen voegen in het dossier van de strafzaak tegen elk van de medeverdachten. De rechtbank heeft tegenover elkaar gezet: enerzijds het belang van eiser bij geheimhouding van zijn hoedanigheid van informant en anderzijds het belang van de medeverdachten bij het verkrijgen van informatie over het gebruik van een informant in het strafrechtelijk onderzoek tegen hen. Voorts nam de rechtbank ook hier in aanmerking dat een informant die de verdenking op zich laadt zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige strafbare feiten, het risico neemt dat hij aangehouden en vervolgd zal worden en dat zijn hoedanigheid van informant dan wellicht niet verborgen zal blijven. De rechtbank achtte per saldo de beslissing tot voeging van de desbetreffende stukken in het dossier van de strafzaak tegen elk van de medeverdachten niet onrechtmatig jegens eiser (rov. 3.5.2 Rb). Het voorgaande laat volgens de rechtbank onverlet dat op de Staat de plicht bleef rusten om eiser zoveel mogelijk te beschermen tegen gevaren als gevolg van het bekend worden van zijn identiteit en rol als informant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staat aan deze verplichting voldaan door hem deelname aan een beschermingsprogramma aan te bieden (rov. 3.5.3 Rb).

1.5. Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 14 december 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.6. Namens eiser is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna eiser heeft gerepliceerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Alvorens op de middelen in te gaan, kan het nuttig zijn een onderscheid te maken tussen de begrippen `informant' en `infiltrant'. Informanten zijn in het rapport van de Parlementaire enquetecommissie opsporingsmethoden omschreven als: "personen die op basis van vertrouwelijkheid informatie aan de politie verstrekken"(2). Er kan sprake zijn van incidentele tipgevers of vaste informanten. Voor de onderhavige zaak van belang is de categorie van personen die als vaste informant van een C.I.D. optreden. Zij verschaffen gevraagd en ongevraagd inlichtingen, doorgaans via een vaste contactpersoon binnen de C.I.D., de zgn. "runner". Informanten worden door politie of justitie niet ingezet of aangemoedigd om strafbare feiten te plegen. Zij kunnen echter toeschouwer zijn of zijdelings betrokken zijn bij strafbare feiten die door anderen worden gepleegd. Sedert 1 februari 2000 is de positie van de burger-informant geregeld in art. 126v Sv(3).

2.2. Infiltratie wordt door de Parlementaire enquetecommissie omschreven als: "het met het oog op opsporing en vervolging onder gezag en regie van politie en openbaar ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het ervan deel uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds deel van uitmaken of het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit optreden gepaard gaat met het (i) aannemen van een valse identiteit en/of (ii) plegen van strafbare feiten en/of (iii) aanbieden van goederen en/of diensten aan de criminele organisatie of groep"(4). Infiltratie door een opsporingsambtenaar is sedert 1 februari 2000 geregeld in art. 126h Sv. De positie van de burger-infiltrant is geregeld in de artikelen 126w en 126x Sv. Volledigheidshalve noem ik hier ook de bepalingen over pseudokoop en dienstverlening aan het georganiseerd verband (art. 126ij en 126z Sv).

2.3. Om voor de hand liggende redenen(5) zullen zowel informanten als infiltranten tijdens en na afloop van het opsporingsonderzoek prijs stellen op een strikte geheimhouding van hun identiteit en hun rol in het onderzoek. Omgekeerd hebben ook politie en Openbaar Ministerie belang bij geheimhouding daarvan, om de informatiestroom op gang te houden. Geheimhouding kan evenwel tekort doen aan het beginsel dat de in het onderzoek gebruikte informatie uiterlijk ten tijde van de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting toegankelijk is voor de verdediging (de zgn. `interne openbaarheid' van het strafproces)(6). In het strafprocesrecht is een regeling getroffen omtrent het voegen in het dossier van de strafzaak van processen-verbaal waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden in o.m. titel VA: zie art. 126aa Sv.

2.4. Bij wijze van inleiding tot de behandeling van middel I diene het volgende. In de strafzaak tegen eiser heeft eisers raadsman betoogd dat het O.M. niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn vervolging van eiser, omdat het Amsterdamse parket bij de aanhouding en vervolging van eiser zodanig onzorgvuldig jegens eiser heeft gehandeld dat sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde. De verweten onzorgvuldigheid zou in het bijzonder hierin hebben bestaan dat het Amsterdamse parket, toen het bemerkte dat eiser als informant werd `gerund' door het IRT NON onder verantwoordelijkheid van het parket te Zwolle, heeft nagelaten overleg te voeren met het parket te Zwolle en/of met het IRT NON om zich te vergewissen van het veiligheidsrisico dat eiser zou lopen indien tot vervolging van eiser zou worden besloten en van het belang van eiser bij geheimhouding van zijn hoedanigheid van C.I.D.-informant. De rechtbank te Amsterdam heeft in de strafzaak tegen eiser de niet-ontvankelijkheid van het O.M. uitgesproken. In het hoger beroep in die strafzaak heeft het O.M. aangevoerd dat voorafgaand overleg met het parket te Zwolle en/of met het IRT NON geen enkel verschil zou hebben gemaakt voor de vervolgingsbeslissing: de misdrijven waarvan eiser werd verdacht waren zo ernstig dat eiser hoe dan ook zou zijn vervolgd (de verdenking betrof, kort gezegd, actieve betrokkenheid bij grootschalige handel in heroïne). Het gerechtshof te Amsterdam heeft dit standpunt van het O.M. verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring gehandhaafd. Volgens het hof is voor de strafzaak niet van belang hoe de vervolgingsbeslissing zou hebben geluid in het denkbeeldige geval dat wél tijdig overleg zou hebben plaatsgevonden met het parket te Zwolle en/of met het IRT NON(7).

2.5. In deze civiele procedure heeft dit debat zich herhaald, maar met een andere uitkomst. De rechtbank te 's-Gravenhage heeft overwogen dat het ontbreken van afdoende informatie-uitwisseling tussen beide parketten en van een zorgvuldige belangenafweging de beslissing tot aanhouding van eiser onrechtmatig maakt jegens eiser. De rechtbank heeft in het ontbreken van oorzakelijk verband tussen de gestelde onrechtmatige daad en de gestelde schade echter reden gezien tot afwijzing van de vordering. Die beslissing is in hoger beroep ter discussie gesteld (in grief 2), maar heeft niet tot een andere uitkomst geleid: ook het hof achtte geen oorzakelijk verband aanwezig tussen de gestelde onrechtmatige overheidsdaad en de gestelde schade (rov. 3.1 - 3.2).

2.6. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat eiser niet betwist dat - ten tijde van de beslissing tot aanhouding en vervolging - een zwaarwegende verdenking bestond van schuld van eiser aan ernstige strafbare feiten. Eiser heeft in reactie op die stelling van de Staat aangevoerd dat dit geen afbreuk doet aan de gestelde onzorgvuldigheid bij de besluitvorming rond de aanhouding en vervolging van eiser. Eiser voerde in dit verband aan dat alle handelingen waarvan hij werd verdacht, zijn uitgevoerd in opdracht en onder regie van de C.I.D.(8), welk standpunt door de Staat gemotiveerd is tegengesproken. De rechtbank was van oordeel dat eiser tegenover dit verweer van de Staat zijn desbetreffende stelling onvoldoende heeft onderbouwd (rov. 3.3.1 Rb). In hoger beroep is eiser met grief 1 tegen dit oordeel opgekomen, onder verwijzing naar een aantal producties waaruit zijn relatie tot de C.I.D. zou moeten blijken. Het hof heeft deze grief verworpen in rov. 2.2 - 2.4.

2.7. Middel I is gericht tegen rov. 2.2 - 2.4. Het middel acht het aldaar overwogene in strijd met de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM. Anders dan het hof overweegt, kan volgens het middel ook geen argument in het nadeel van eiser worden ontleend aan de uitspraak in de strafzaak tegen een van de medeverdachten. Volgens de klacht heeft het hof in rov. 2.2 en 2.4 ten onrechte de indruk gewekt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zonder dat eisers schuld in een strafrechtelijke procedure door de strafrechter is vastgesteld.

2.8. Art. 6 lid 2 EVRM bepaalt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Nu eiser niet in een strafrechtelijke procedure door de strafrechter is veroordeeld ter zake van de feiten waarvan hij werd verdacht - de strafzaak is immers geëindigd met een niet-ontvankelijkverklaring van het O.M. -, behoort eiser voor onschuldig te worden gehouden. Het geldt als vaste rechtspraak van het EHRM dat de overheid - in dit verband ook: de rechter die over een schadeclaim naar aanleiding van strafvorderlijk optreden heeft te oordelen - zich in zo'n geval behoort te onthouden van iedere vaststelling of suggestie dat de betrokkene zich toch schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit waarvan hij werd verdacht(9). Deze regel laat onverlet dat in de periode die voorafgaat aan het oordeel van de strafrechter een redelijke verdenking van schuld aan een strafbaar feit, als bedoeld in art. 5, eerste lid onder c, EVRM, kan hebben bestaan. Het EHRM maakt onderscheid tussen een verdenking ("a state of suspicion") en de vaststelling ("a finding of guilt").

2.9. Het middel, hoezeer het ook uitgaat van een juiste juridische maatstaf, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in het bestreden arrest niet vastgesteld noch gesuggereerd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer van de strafbare feiten waarvan hij in de strafzaak werd verdacht. Het hof heeft slechts gereageerd op het standpunt van eiser dat - het oorzakelijk verband tussen de gestelde onrechtmatige overheidsdaad en de gestelde schade hierin gelegen was dat - hij de strafbare feiten, waarvan hij werd verdacht, in opdracht en onder regie van de C.I.D. heeft begaan en dat dit gegeven voor het Openbaar Ministerie aanleiding zou zijn geweest - althans reden had behoren te zijn - om van aanhouding en vervolging van eiser af te zien, zo het parket te Amsterdam de moeite zou hebben genomen zich over eisers rol tevoren behoorlijk te informeren bij het parket te Zwolle of rechtstreeks bij het IRT NON. Het hof heeft dit op de volgende wijze tot uitdrukking gebracht. In rov. 2.2 heeft het hof uiteengezet dat uit de door eiser aangehaalde passages niet is op te maken dat eiser in opdracht of met instemming van de C.I.D. strafbare handelingen heeft gepleegd of daaraan deelnam. Dat oordeel geeft - uiteraard - niet blijk van een schending van de onschuldpresumptie. De verwijzing in rov. 2.4 naar de uitspraak in de strafzaak tegen een medeverdachte is door het hof niet gebruikt ter vaststelling dat eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan een of meer strafbare feiten. Het hof heeft uit die uitspraak niet méér afgeleid dan dat niet gebleken is dat eiser als infiltrant is ingezet(10). In het vervolg van rov. 2.4 heeft het hof nog eens duidelijk uiteengezet dat de rechtbank niet heeft overwogen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten; de rechtbank overwoog slechts dat eiser in deze civiele procedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij alle handelingen heeft uitgevoerd in opdracht en onder regie van de C.I.D. Ook het hof gaat er niet van uit dat eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan een strafbaar feit. Onderdeel I treft om deze reden geen doel.

2.10. Middel II bouwt grotendeels voort op de voorgaande klacht. De rechtsklacht, die inhoudt dat het hof in rov. 2.3 de onschuldpresumptie heeft geschonden, faalt om dezelfde reden als middel I.

2.11. De subsidiaire motiveringsklacht in middel II houdt in dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de verklaringen van de in het middel aangehaalde personen. Voorts zou het hof zijn voorbijgegaan aan de door het middel als essentieel beschouwde stelling van eiser, dat hij alle handelingen in opdracht en onder regie van de C.I.D. heeft uitgevoerd. Ook deze klacht faalt. Blijkens rov. 2.1 heeft het hof onderkend dat eiser op de desbetreffende passages in de gedingstukken een beroep had gedaan. Het hof heeft daaraan in rov. 2.2 een andere gevolgtrekking verbonden dan eiser. De klacht dat het hof aan de stelling van eiser is voorbij gegaan, gaat om deze reden niet op. De motivering behoefde geen nadere uitwerking om begrijpelijk te zijn.

2.12. De cassatiemiddelen III en IV hebben betrekking op grondslag (b) van de vordering: het voegen van stukken, waaruit de rol van eiser als informant van de C.I.D. kon blijken, in het dossier van de strafzaak tegen een of meer medeverdachten. Het hof heeft achtereenvolgens besproken: de stelling van eiser dat de Staat op zijn minst de gegevens van eiser had behoren te anonimiseren (rov. 4.1 - 4.2) en de stelling van eiser dat de Staat in het geheel had moeten afzien van het opnemen in de strafdossiers van stukken waaruit de rol van eiser als informant kon blijken (rov. 5.1 - 5.2).

2.13. Middel III is gericht tegen rov. 4.2. De rechtsklacht houdt in dat het hof voorbijgaat aan de bewijslastverdeling overeenkomstig art. 150 Rv: waar de Staat had aangevoerd dat de status van eiser als C.I.D.-informant ook bekend zou zijn geworden indien de desbetreffende verklaringen en transcripties van afgeluisterde telefoongesprekken geanonimiseerd zouden zijn geweest, welke stelling door eiser is betwist, had het hof aan de Staat bewijs van die stelling moeten opdragen dan wel die stelling van de Staat moeten verwerpen. Subsidiair wordt geklaagd over onbegrijpelijkheid van deze beslissing.

2.14. Wanneer een gedaagde de door de eisende partij aan haar vordering ten grondslag gestelde feiten betwist, en deze betwisting onderbouwt door feiten of omstandigheden te stellen (ook wel aangeduid als een "neen, want ..."-verweer), leidt dit niet tot een verschuiving van de bewijslast naar de gedaagde. Wanneer een gedaagde (al dan niet: voorwaardelijk) de juistheid van de door de eisende partij gestelde feiten erkent, maar een beroep doet op een bevrijdende omstandigheid (ook wel aangeduid als een "ja, maar ..."-verweer), draagt de gedaagde in beginsel de bewijslast van de door hem gestelde feiten. Het voorgaande laat onverlet dat de rechter op grond van art. 150 Rv kan vaststellen dat uit een bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

2.15. In de hier bestreden overweging gaat het niet om het bewijs van een bevrijdende omstandigheid. Het hof heeft in rov. 4.2 in aanmerking genomen dat het aan eiser was, zijn stelling nader te onderbouwen, dat zijn belang vereiste dat de in het dossier gevoegde stukken werden geanonimiseerd. Eiser heeft dit volgens het hof niet gedaan. Anders dan het middel meent, geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting van de bewijslastverdeling overeenkomstig art. 150 Rv. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk(11), zodat middel III faalt.

2.16. Middel IV richt twee motiveringsklachten tegen rov. 5.2. Het hof heeft - in cassatie in zoverre onbestreden - als hoofdregel vooropgesteld dat in het dossier van de strafzaak(12) moeten worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn: hetzij in voor de verdachte belastende, hetzij in voor hem ontlastende zin. Daartoe rekent het hof ook gegevens omtrent een informant, tegen wie de verdenking is gerezen dat hij zich tezamen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ernstige strafbare feiten. Tegen deze achtergrond, en mede in aanmerking nemend dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat anonimisering zijn identiteit doeltreffend zou hebben afgeschermd, acht het hof niet voorstelbaar dat in dit geval de rol en identiteit van eiser als informant volledig buiten de dossiers hadden kunnen zijn gehouden. Eiser heeft zijn andersluidend standpunt volgens het hof onvoldoende onderbouwd.

2.17. Het middel klaagt (in alinea 4) over onbegrijpelijkheid van het laatstgenoemde oordeel. Het middel wijst op de door eiser in hoger beroep ingenomen stelling, dat het mogelijk is verklaringen en transcripties van afgeluisterde gesprekken buiten het dossier van de strafzaak te houden, althans dit dossier zodanig in te richten dat de rol en de identiteit van de informant niet aan de lezer bekend worden. Het middel wijst in dit verband op verschillende verklaringen van functionarissen van politie en O.M. Volgens de klacht is het hof ten onrechte daarop niet ingegaan.

2.18. Art. 126aa Sv is ingevoerd per 1 februari 2000 (en nadien gewijzigd). Het had betrekking op de uitoefening van de per 1 februari 2000 in de wet opgenomen bevoegdheden van de officier van justitie met betrekking tot de bijzondere opsporingsmethoden. In de onderhavige zaak gaat het om het gestelde gebruik van een informant in het tijdvak vóór 1 februari 2000. Het antwoord op de vraag of de gegevens omtrent eisers rol als informant buiten het dossier in de strafzaak tegen de medeverdachten konden worden gehouden, is daarom niet te vinden in dit artikel. Het hof heeft het in rov. 5.2 niet over de vraag of het fysiek mogelijk is, de gegevens omtrent eisers rol als informant buiten het dossier te houden. Het hof heeft het, voor de lezer evident ("Tegen deze achtergrond ..."), over de juridische onmogelijkheid om in het tijdvak vóór 1 februari 2000 zulke informatie uit het dossier van de strafzaak te houden. Het hof geeft aldus een rechtsoordeel, dat niet met vrucht kan worden aangevallen in de vorm van een motiveringsklacht.

2.19. Het middel stelt in alinea 5 dat het hof niet ingaat op het argument van eiser dat de rechtbank heeft vastgesteld dat een informant die strafbare feiten begaat willens en wetens het risico neemt hij op enig moment vervolgd zal worden en dat zijn rol en identiteit dan niet verborgen zullen blijven (rov. 3.3.2 Rb). Volgens het middel is het hof evenmin ingegaan op het argument van eiser dat een informant die de verdenking op zich laadt zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige strafbare feiten, het risico neemt op enig moment aangehouden en vervolgd te zullen worden (rov. 3.5.2 Rb). Het hof heeft aan het slot van rov. 5.2 hieromtrent overwogen dat deze argumenten in het midden kunnen blijven. De klacht houdt in dat onbegrijpelijk is waarom het hof deze - volgens het middel: essentiële - argumenten in het midden laat. Volgens het middel blijkt hieruit dat de rechtbank en in haar voetspoor ook het hof ervan uitgaat dat eiser strafbare feiten heeft gepleegd, hoewel hij daarvoor nooit door de strafrechter is veroordeeld.

2.20. De klacht is m.i. gebaseerd op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. Het hof heeft juist in het midden gelaten of eiser zich wel of niet heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De vaststelling daarvan is immers de taak van de strafrechter. Het hof heeft beantwoording van die vraag ook niet nodig geacht. Het hof is op andere gronden tot het oordeel gekomen dat ook grondslag (b) niet tot toewijzing van de vordering leidt. Het hof acht, tegen de achtergrond van de door hem genoemde rechtsregel en van de omstandigheid dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat anonimisering in dit geval zijn identiteit doeltreffend zou hebben afgeschermd, niet voorstelbaar dat in dit geval de rol en identiteit van eiser buiten de dossiers van de medeverdachten zouden kunnen worden gehouden. Kortom, het hof kwam - anders dan de rechtbank - niet toe aan de vraag of eiser als informant willens en wetens het door de rechtbank bedoelde risico heeft genomen. Om die reden is niet onbegrijpelijk dat - en waarom - het hof niet meer is ingegaan op de bezwaren van eiser tegen de desbetreffende overwegingen van de rechtbank. Middel IV faalt.

2.21. Middel V heeft betrekking op het volgende. De rechtbank had geoordeeld dat de Staat heeft voldaan aan zijn plicht om eiser zoveel mogelijk te beschermen, namelijk door hem deelname aan een getuigenbeschermingsprogramma aan te bieden. Eiser heeft in hoger beroep als grief aangevoerd dat de Staat hem eerst in november 2000 in een beschermingsprogramma heeft ondergebracht en dat hij aan onredelijke beperkingen werd onderworpen ten aanzien van het contact met zijn vrouw en zijn zoontje. Het hof heeft deze grief verworpen in rov. 6.2 en 6.3. Volgens het hof heeft de Staat niet onrechtmatig gehandeld door deelneming aan een beschermingsprogramma te laat aan te bieden: enerzijds volgt uit de stellingen van eiser dat hij, in verband met de beperkingen in het contact met zijn gezin, deelname aan dat programma ook geweigerd zou hebben indien deze hem eerder zou zijn aangeboden. Daarnaast is het hof van oordeel dat eiser niet heeft aangegeven dat en waarom hij bescherming nodig had op een eerder tijdstip dan waarop de Staat hem deze heeft aangeboden. Het middel klaagt in alinea 6 dat dit laatste oordeel onbegrijpelijk is. Het middel wijst op bepaalde passages in de gedingstukken.

2.22. De klacht faalt bij gebrek aan belang. Het oordeel van het hof rust op twee gronden, die ieder voor zich de beslissing kunnen dragen. De aangevallen overweging heeft het karakter van een overweging ten overvloede, zodat zelfs een gegrondbevinding van de klacht niet tot cassatie zou leiden. Ook om een inhoudelijke reden faalt deze klacht. Weliswaar kan uit de in het middel aangehaalde passages in de gedingstukken de conclusie worden getrokken dat eiser als (gewezen) informant van de C.I.D. behoefte had aan bescherming, maar het hof heeft hieraan niet de conclusie behoeven te verbinden dat eisers behoefte aan deelname aan een beschermingsprogramma voor de Staat duidelijk was voordat de Staat dit aan eiser aanbood. Het oordeel behoefde geen nadere uitwerking om begrijpelijk te zijn.

2.23. Het middel klaagt voorts (in alinea 7) dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van eiser dat bij deelname aan het beschermingsprogramma onredelijke beperkingen zouden zijn opgelegd, in het bijzonder de beperking dat hij drie tot vier jaar geen contact zou mogen hebben met zijn zoontje. Door aan deelname van eiser aan het beschermingsprogramma zulke onredelijke beperkingen te verbinden, heeft de Staat volgens het middel niet voldaan aan zijn plicht tot bescherming van eiser.

2.24. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof uitdrukkelijk op deze stelling van eiser is ingegaan in rov. 6.3. Voor zover het middel vervolgens klaagt dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat het hof van een minder belastende toestand is uitgegaan (namelijk een gering contact tussen eiser en zijn zoontje) dan de toestand die zou hebben bestaan als eiser op het aanbod zou zijn ingegaan (helemaal geen contact met zijn zoontje gedurende 3 tot 4 jaar), gaat die klacht niet op. Weliswaar spreekt het hof in rov. 6.2 van "het geringe contact", maar het hof verwijst naar de stellingen van eiser. Als essentie van eisers stellingen heeft het hof begrepen dat eiser van oordeel is dat hij aan onredelijke beperkingen werd onderworpen ten aanzien van het contact met zijn vrouw en zijn zoontje (rov. 6.1 slot). Hieruit volgt m.i. dat het hof niet van een andere toestand is uitgegaan dan die, welke zich volgens eiser zou hebben voorgedaan wanneer hij zou zijn ingegaan op het aanbod tot deelname aan het getuigenbeschermingsprogramma. Ook middel V leidt niet tot cassatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Deze vraag is in cassatie niet langer aan de orde en blijft verder onbesproken.

2 Inzake opsporing. Rapport van de Enquetecommissie opsporingsmethoden, Kamerstukken II 1995/96, 24 072, nrs. 10-11, hoofdstuk 5, i.h.b. blz. 207.

3 Zie ook art. 126j Sv, voor de heimelijke informatie-inwinning door een opsporingsambtenaar.

4 Inzake opsporing. Rapport van de Enquetecommissie opsporingsmethoden, ibidem, hoofdstuk 6, i.h.b. blz. 229.

5 Te denken valt aan vrees voor acties vanuit het criminele milieu om de tipgever het zwijgen op te leggen, om anderen af te schrikken van het optreden als tipgever of als wraakneming voor aan de politie verstrekte inlichtingen.

6 Ten overvloede kan nog worden gewezen op de Aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten d.d. 20 april 2005 (Recommendation on the protection of witnesses and collaborators of justice, Rec. (2005) 9.

7 Zie blz. 4-5 van het arrest van het hof te Amsterdam van 16 februari 2001.

8 Rov. 3.3.1 Rb. De rechtbank doelt kennelijk op het gestelde bij CvR onder 19. Zie ook: MvG blz. 3 onder 1.

9 Zie onder meer: EHRM 28 oktober 2003, NJ 2004, 261 (EHRC 2003, 97 m.nt. Mols); EHRM 9 december 2004, EHRC 2005, 1 m.nt. Fernhout; EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349 m.nt. M.J. Borgers. In de alinea's 2.1 - 2.20 van mijn conclusie voor HR 16 juni 2006, LJN: AV6967, is een uitgebreider overzicht van de EHRM-rechtspraak over de onschuldpresumptie opgenomen.

10 Zie over het begrip `infiltrant': alinea 2.2 hiervoor.

11 De motiveringsklacht is niet nader toegelicht, zodat ik het bij deze constatering moet laten.

12 Het hof heeft hier het oog op het dossier van de strafzaken tegen de medeverdachten; niet op het dossier van de strafzaak tegen eiser zelf.