Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BF1027

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
R07/021HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BF1027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antillenzaak. Besluit tot overdracht door het eilandgebied van studieschulden aan een stichting niet namens het Eilandgebied ondertekend door de Gezaghebber maar door (de voorzitter en secretaris van) de Eilandsraad; bij gebreke van een geldige cessie stichting niet bevoegd tot stuiting verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 773
NJ 2008, 568
RvdW 2008, 986
NJB 2008, 2061
JWB 2008/422
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R07/021HR

mr. Wuisman

Rolzitting: 12 september 2008

CONCLUSIE inzake:

[Eiseres],

verzoekster tot cassatie,

adv.: mr. J. Groen

tegen

Stichting Studiefinanciering Curaçao,

verweerster in cassatie,

adv.: R.S. Meijer

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan((1)):

(i) Het openbare lichaam Eilandgebied Curaçao heeft in de jaren 1979 tot en met 1986 op basis van besluiten van het Bestuurscollege van dit openbare lichaam aan verzoekster in cassatie (hierna [eiseres]) studieleningen en aanvullende studieleningen toegekend tot een totaal bedrag van US$ 113.844,- in verband met een studie tandheelkunde in de V.S((2)). [Eiseres] heeft zich telkens wanneer haar een geldbedrag ter leen werd verstrekt, schriftelijk akkoord verklaard met de terugbetaling van dat bedrag((3)).

(ii) [Eiseres] heeft de studie tandheelkunde voltooid en is in juli 1986 op Curaçao teruggekeerd. Daar is zij, toen er voor haar geen plaats bij de Geneeskundige en Gezondheidsdienst bleek te zijn, de tandartsenpraktijk gaan uitoefenen, eerst voor een korte tijd bij een andere tandarts en daarna zelfstandig.

(iii) De Stichting Studiefinanciering Curaçao((4)) (hierna: SSC) heeft [eiseres] bij brieven van 13 januari 1995 en 5 maart 1996 uitgenodigd voor overleg over een betalingsregeling ter aflossing van de studieschuld.

(iv) In opdracht van SSC heeft het incassobureau Intrum Justitia bij brief van 1 februari 1999 [eiseres] aangemaand tot betaling van een bedrag van NAF 238.477,99 wegens studieschuld, rente, incassokosten, leges en informatiekosten en is de wettelijke rente aangezegd. Bij brief van 14 augustus 2001 is de aanmaning herhaald.

1.2 Bij een op 18 september 2002 ingediend verzoekschrift is SSC tegen [eiseres] een procedure bij het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna GEA), gestart en heeft zij op grond van aan [eiseres] verstrekte studieleningen een veroordeling van [eiseres] gevorderd tot betaling van US$ 113.844,- aan hoofdsom en van US$ 17.076,60 aan incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 1999.

1.3 [Eiseres] heeft de vordering bestreden. Haar verweren laten zich, voor zover in cassatie nog van belang, kort als volgt samenvatten:

a. het recht op terugbetaling van het ter leen ontvangen geldbedrag komt niet aan SSC toe, want [eiseres] heeft geldleenovereenkomsten met het Eilandgebied Curaçao gesloten en niet met SSC, terwijl het terugvorderingsrecht niet aan SSC is overgedragen; SSC is derhalve niet bevoegd dat bedrag op eigen naam in rechte op te vorderen;

b. de rechtsvordering ter zake van de terugbetaling van het ter leen ontvangen geldbedrag is verjaard;

c. het recht om het ter leen ontvangen geldbedrag terug te vorderen is verwerkt vanwege de volgende omstandigheden ((5)):

- voor haar vertrek voor de studie in de V.S. hebben ambtenaren, belast met de verstrekking van studieleningen en hoofdambtenaren, haar en andere studenten meegedeeld dat het niet de bedoeling was om hen na terugkeer het ter leen verstrekte geld te laten terugbetalen, maar dat de studieleningen bij terugkeer naar Curaçao in studiebeurzen zouden worden omgezet, ten einde zo terugkeer naar Curaçao te bevorderen;

- één jaar voor het afstuderen is haar een toezegging gedaan dat zij bij de G.G.D. zou kunnen komen werken, maar bij terugkeer bleek er geen vacature meer te zijn;

- na enige tijd voor een andere tandarts te hebben gewerkt, heeft zij bij een bezoek aan het kantoor van het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao het verzoek gedaan om aan haar haar financiële verplichtingen kwijt te schelden, daar zij een eigen tandartsenpraktijk wilde beginnen; de toenmalige gedeputeerde [betrokkene] liet via de Secretaris van het Eilandgebied Curaçao weten dat haar verzoek was ingewilligd; zij heeft vervolgens bij de bank een geldsbedrag van NAF 300.000,- geleend, waarbij de kwijtschelding van de schuld uit geldleen in aanmerking is genomen;

- vanaf 1987 tot 1995 heeft zij nimmer van het Eilandgebied Curaçao een opdracht tot terugbetalen ontvangen;

- vanwege de genoemde omstandigheden heeft zij in redelijkheid kunnen geloven dat er sprake was van rechtsverwerking.

1.4 Het GEA wijst ter beslechting van het geschil tussen partijen vijf vonnissen.

1.4.1 In zijn tussenvonnis d.d. 8 december 2003 gaat het GEA in op het punt van de incassobevoegdheid van SSC. Voor haar incassobevoegdheid heeft SSC zich op een Besluit d.d. 29 september 2000 van de Eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao((6)) beroepen. In genoemd tussenvonnis oordeelt het GEA dat in het besluit de overdracht door het Eilandgebied Curaçao aan SSC van enkele categorieën vorderingen wegens studiefinanciering is vastgelegd en dat de door SSC ingestelde vordering daaronder valt. Daarmee verwerpt het GEA het standpunt van [eiseres] dat het Besluit rechtens niet als een cessie (levering) van vorderingen op naam kan worden beschouwd. Het GEA is verder van oordeel dat, nu de overdracht vóór 1 januari 2001 heeft plaatsgevonden, op die overdracht nog het vóór 1 januari 2001 geldende burgerlijk wetboek van toepassing is en dat dat betekent dat de overgang zelf van de vordering van het Eilandgebied Curaçao naar SSC niet mede afhankelijk was van een kennisgeving van de overdracht aan [eiseres], zodat deze overgang al op 29 september 2000 heeft plaatsgevonden. Een en ander voert het GEA tot de conclusie dat aan SSC de bevoegdheid toekomt om op eigen naam en voor zichzelf de vordering op [eiseres] tot terugbetalen van het ter leen verstrekte geldbedrag in rechte aanhangig te maken((7)).

1.4.2 Het beroep van [eiseres] op verjaring beoordeelt het GEA in zijn tussenvonnis d.d. 14 maart 2005. Het beroep kan naar het oordeel van het GEA niet slagen. De verjaring is, aldus het GEA in rov. 2.2, per mei 1987 gaan lopen. Onder het oude burgerlijk wetboek bedroeg de verjaringstermijn 30 jaar, maar ingevolge het overgangsrecht bij het per 1 januari 2001 in werking getreden nieuwe burgerlijk wetboek is die termijn verkort tot 31 december 2001 (rov. 2.3 t/m 2.5). Bij brief van 14 augustus 2001 heeft het incassobureau Intrum Justitia in opdracht van SSC, aan wie op dat moment al de vordering tot terugbetalen toebehoorde, een aanmaning tot betaling aan [eiseres] doen uitgaan. Daarmee is de verjaring gestuit. De procedure tegen [eiseres] is op 18 september 2002 aanhangig gemaakt en daarmee binnen de opnieuw gestarte verjaringstermijn (rov. 2.6).

1.4.3 In zijn tussenvonnis d.d. 14 maart 2005 geeft het GEA verder te kennen dat voor de beoordeling van het beroep van [eiseres] op rechtsverwerking eerst door [eiseres] bewijs dient te worden geleverd van de door haar in verband daarmee gestelde en door SSC betwiste omstandigheden. In zijn tussenvonnis d.d. 12 december 2005 merkt het GEA, na eerst de door [eiseres] aan haar beroep op rechtsverwerking ten grondslag gelegde omstandigheden nog eens kort te hebben weergegeven, evenwel op dat het inmiddels tot het inzicht is gekomen dat die omstandigheden [eiseres] niet kunnen baten. Het GEA bedoelt daarmee klaarblijkelijk dat de omstandigheden, ook indien zij in rechte komen vast te staan, niet tot honorering van het beroep op rechtsverwerking kunnen leiden en bewijslevering ter zake van die omstandigheden derhalve achterwege kan blijven. In verband hiermee verwijst het GEA naar een vonnis dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba op 28 september 1999 in een procedure van SSC tegen Adriaens had uitgesproken((8)). Het GEA stelt partijen en in het bijzonder [eiseres] in de gelegenheid om zich eerst over dat vonnis uit te laten alvorens te beslissen. In zijn eindvonnis d.d. 20 februari 2006 acht het GEA de uitlating van de zijde van [eiseres] niet adequaat. Het wijst het door SSC gevorderde toe, zij het voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten voor een lager bedrag.

1.5 [Eiseres] gaat van de vonnissen van het GEA in appel bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. In zijn memorie van grieven voert hij drie grieven aan, waarmee hij de hierboven al gememoreerde geschilpunten opnieuw aan de orde stelt. In zijn vonnis d.d. 7 november 2006 oordeelt het Hof dat de grieven falen. Het Hof leunt hierbij in belangrijke mate op de oordelen van het GEA omtrent die geschilpunten.

1.6 [Eiseres] stelt cassatieberoep tegen het vonnis van het Hof in bij een verzoekschrift dat op 2 februari 2007 bij de griffie van de Hoge Raad is binnengekomen. Het cassatieberoep is daarmee tijdig ingesteld. SSC heeft tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Beide partijen hebben vervolgens hun standpunt in cassatie schriftelijk doen toelichten. Ten slotte is er gere- en -dupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het aangevoerde cassatiemiddel omvat drie onderdelen, waarmee ook in cassatie de hierboven onder 1.3 vermelde punten ter sprake worden gebracht. Het komt dienstig voor om voorafgaande aan de bespreking van de klachten in de drie onderdelen een enkele opmerking te maken over (a) de bestuurlijke organisatie van het Eilandgebied Curaçao en (b) de regelingen van het Eilandgebied Curaçao inzake financiële bijstand in studiekosten en de plaats van SSC daarin.

2.2 Het land Nederlandse Antillen kent vijf Eilandgebieden waaronder het Eilandgebied Curaçao (artikel 1 Staatsregeling van de Nederlandse Antillen). Het Eilandgebied Curaçao vormt een bestuurlijke eenheid met rechtspersoonlijkheid((9)), waarvan de bestuursinrichting krachtens artikel 91 lid 4 Staatsregeling van de Nederlandse Antillen nader is uitgewerkt in de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA). In artikel 3 ERNA is bepaald dat het bestuur van elk eilandgebied bestaat uit de Eilandsraad, het Bestuurscollege en de Gezaghebber. Krachtens artikel 24 ERNA behoort met betrekking tot de regeling en het bestuur van de eigen aangelegenheden van het eilandgebied alle bevoegdheid, die niet bij de Eilandenregeling of andere wettelijke regeling aan de Gezaghebber of aan het Bestuurscollege is opgedragen, aan de Eilandsraad. Blijkens artikel 27 treedt de Gezaghebber als voorzitter van de Eilandsraad op en bij diens ontstentenis de waarnemend Gezaghebber en bij ontstentenis van ook deze laatste de in leeftijd oudste gedeputeerde (lid van het Bestuurscollege). De Gezaghebber is ook voorzitter van het Bestuurscollege (artikel 47 ERNA). In artikel 74 ERNA is bepaald dat de Gezaghebber het Eilandgebied in alle rechtsgedingen vertegenwoordigt en dat hij voor het Eilandgebied optreedt in alle buitengerechtelijke rechtshandelingen welke voor het Eilandgebied dienen te worden verricht. Hij kan een gemachtigde aanwijzen om namens hem bij buitengerechtelijke handelingen op te treden.

2.3 Met de Eilandsverordening van 13 december 1979, AB 1979 no. 29, is voorzien in een regeling voor de verlening van studiebeurzen en -leningen voor opleidingsscholen. De regeling vermeldt onder meer de voorwaarden waaronder studiebeurzen dan wel studieleningen kunnen worden verkregen. Onder de oorspronkelijke opzet van de verordening was de uitvoering van de regeling toevertrouwd aan de Dienst Onderwijs en Kultuur van het Centraal Bestuurskantoor, terwijl het toezicht op de uitvoering en het nemen van besluiten ter zake van het verlenen van beurzen en leningen aan het Bestuurscollege was toevertrouwd.

2.3.1 De Eilandsverordening van 13 december 1979 is met terugwerkende kracht tot 1 februari 1992 gewijzigd bij Eilandsverordening d.d. 27 mei 1992, AB 1992 no. 10. De wijziging werd wenselijk geoordeeld in verband met de oprichting van de Stichting Studiefinanciering Curaçao (eind december 1990; zie voetnoot 4). De achtergrond van de oprichting van de Stichting blijkt uit de volgende passages uit de memorie van toelichting bij de wijzigingsverordening((10)):

Algemene beschouwingen

Binnen de kontekst van het integrale onderwijsinnovatiebeleid van het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao is besloten tot een grondige herziening van het momenteel vigerende studiefinancieringsstelsel.

Sinds jaren stelt de overheid zo'n 32 miljoen gulden per jaar beschikbaar voor studies zowel lokaal als in het buitenland. Reeds enkele jaren verstrekt het eilandgebied Curaçao studieleningen, met uitzondering van studies aan de universiteit van de Nederlandse Antillen en de Pedagogische Akademie.

In de praktijk is gebleken dat de zogenaamde ouderlijke bijdragen in het beurzensysteem, en evenmin aflossingen van de leningen in het huidige systeem konsekwent door de overheid worden geïnd en door betrokkenen afgedragen. Van de jaarlijks uit te geven gelden wordt slechts 1% volgens gegevens van de begroting teruggestort in de overheidskas. Gezien het feit dat men ook in het onderwijs drastisch zal moeten bezuinigen, terwijl er anderzijds de nodige fondsen moeten worden gegenereerd voor de onderwijsvernieuwing, is het volgens het Bestuurscollege niet verantwoord de huidige situatie te laten voortbestaan langer dan nodig.

In dit licht bezien is door het Bestuurscollege besloten om over te gaan tot de oprichting van de Stichting Studiefinanciering Curaçao, hierna aan te duiden als SSC of stichting. Deze stichting is belast met de organisatie van de toekenning van de studiefinanciering aan alle jongeren van Curaçao, alsmede met het beheer van de (door de stichting zelf "gefunde") gelden voor leningen. Bij een efficiënt beheer zal de jaarlijkse bijdrage van de overheid aan de stichting steeds minder worden, zodat gedeeltelijk van een "revolving fund" sprake kan zijn. Konsekwente vordering van de ouderlijke bijdrage, aflossingen door afgestudeerden en snelle terugvordering van ten onrechte uitgekeerde gelden moeten dit mogelijk maken.

............................

Voorgesteld wordt thans tot een zo gering mogelijke wijziging van deze eilandsverordeningen over te gaan. Alle beslissingen en handelingen die op grond van de huidige tekst van de verordeningen worden genomen door het bestuurscollege of een van de diensten of functionarissen van het Centraal Bestuurskantoor, worden in het vervolg opgedragen aan de stichting. ....... Met deze voorstellen wordt bereikt dat inhoudelijk op dit moment geen veranderingen optreden in de materie die in deze verordeningen worden geregeld. Uitsluitend de uitvoerende instantie wordt een andere. ..... Door deze wijzigingen is de toekenning, verstrekking, intrekking en inning van studiefinanciering een eigen taak van de SSC. Het ligt overigens in het voornemen van het Bestuurscollege om alle vorderingen die zij ter zake van studiefinanciering bezitten op ingezetenen van Curaçao, door SSC te laten innen. Ook wanneer het vorderingen betreft van personen die overigens nooit meer iets als studerende met de SSC te maken zullen hebben. Dit daar de verwachting bestaat dat SSC op korte termijn de mogelijkheden zal hebben op efficiënte wijze tot terugvordering van studiefinancieringsgelden in staat te zijn. De noodzakelijke stappen om een en ander juridisch mogelijk te maken zullen worden voorbereid."

2.3.2Het hierboven in 1.4.1 al genoemde Besluit d.d. 29 september 2000 van de Eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao strekt tot uitvoering van het aan het slot van het bovenstaande citaat genoemde voornemen van het Bestuurscollege om alle vorderingen ter zake van studiefinanciering op ingezetenen van Curaçao door SSC te laten innen, ook wanneer het vorderingen betreft van personen die overigens nooit meer iets als studerende met de SSC te maken zullen hebben. Blijkens de considerans wordt het nl. wenselijk geoordeeld om de vorderingen van het Eilandgebied vanwege verleende studiefinanciering vòòr het studiejaar 1991-1992 over te dragen aan de Stichting Studiefinanciering Curaçao((11)). Het Besluit luidt verder, voor zover te dezen relevant, als volgt:

Besluit:

I. Over te dragen aan de Stichting Studiefinanciering Curaçao alle vorderingen wegens studiefinanciering welke door het Eilandgebied Curaçao vòòr het studiejaar 1991-1992 zijn verleend krachtens Eilandsverordening studiebeurzen en -leningen (AB 1979 nr. 29) ......... alsmede vorderingen die steunen op verleende studieleningen onder borgstelling, plaatselijke studiebeurzen en vorderingen wegens toegekende overtocht- en uitrustingskosten;

II. Te bepalen dat:

a. de overgang van de vorderingen als bedoeld onder I niet de verdere tenuitvoerlegging van een voor die overgang uitgebrachte dwangafschrift belet;

b. de overdracht van de vorderingen onder I is om niet;

c. bij ontbinding van de Stichting Studiefinanciering Curaçao worden de vorderingen bedoeld onder I om niet overgedragen aan het Eilandgebied Curaçao;

III. Het Bestuurscollege te machtigen alle rechtshandelingen te verrichten nodig ter uitvoering van de overdracht van alle onder I genoemde vorderingen.

Daarna volgt de ondertekening door de voorzitter en de secretaris.

onderdeel A

2.4 Onderdeel A heeft betrekking op het verweer van [eiseres] dat, aangenomen dat er op zichzelf een vordering jegens haar tot terugbetalen van aan haar ter leen verstrekte gelden zou bestaan, deze niet voor toewijzing aan SSC in aanmerking komt, omdat SSC geen rechthebbende van die vordering is geworden.

De klacht in onderdeel A komt, zo schijnt het toe, hierop neer dat niet juist is het oordeel van het Hof in rov. 3.1 van zijn vonnis dat het GEA op juiste gronden heeft geoordeeld dat de vordering van het Eilandgebied op [eiseres] ter zake van de aan haar verstrekte lening rechtsgeldig aan SSC is gecedeerd. Aangevoerd wordt dat het Besluit d.d. 29 september 2000 van de Eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao ten onrechte - door het GEA en in navolging van dat gerecht het Hof - als de voor de overdracht van de vordering vereiste levering wordt aangemerkt. Het Besluit is immers niet meer dan een voornemen tot overdracht, aan welk voornemen pas uitvoering is gegeven met de akte van cessie d.d. 1 juli 2004 die als productie A bij de memorie van grieven in het geding is

gebracht((12)). Een cessie kan alleen worden aangegaan door de Gezaghebber.

2.5 De klacht in onderdeel A komt op zichzelf gegrond voor.

Nu niets ten processe op het tegendeel wijst, mag wel worden aangenomen dat de vorderingen ter zake van studiefinanciering, die vóór 1991 door het Eilandgebied Curaçao in de vorm van een geldlening is verstrekt, aan de rechtspersoon het Eilandgebied Curaçao hebben toebehoord, en dat zij te beschouwen zijn als vorderingen op naam. Het bewerkstelligen van de overgang van die vorderingen uit het vermogen van het Eilandgebied naar het vermogen van een ander, in casu dat van SSC, door overdracht vormt een door het privaatrecht, meer in het bijzonder het burgerlijk wetboek, beheerste aangelegenheid. Aangezien het gaat om een beweerde overdracht van vóór 1 januari 2001, moet de vraag of er sprake is geweest van een rechtsgeldige overdracht, worden beoordeeld naar het op dat moment geldende burgerlijk wetboek. Ingevolge artikel 635 BWNA(oud) is voor de overdracht van een vordering op naam vereist "levering tengevolge van een rechtstitel van eigendomsovergang afkomstig van degenen die gerechtigd was over de eigendom te beschikken". Nu de rechtstitel en de beschikkingsbevoegdheid niet in geschil zijn, kunnen deze twee overdrachtsvereisten hier verder buiten beschouwing blijven. Voor het vereiste van levering is in artikel 662 BWNA(oud) nader bepaald dat deze "geschiedt door middel van een authentieke of onderhandse akte, waarbij de rechten op die voorwerpen aan een ander worden overgedragen". Wat de inhoud van de akte betreft, wordt voldoende geacht dat de akte een verklaring van overdracht inhoudt en door de cedent is ondertekend((13)). De levering is te beschouwen als een rechtshandeling. Voor de rechtspersoon het Eilandgebied Curaçao dienen buitengerechtelijke rechtshandelingen door de Gezaghebber te worden verricht (artikel 74 ERNA). Een akte van levering waarbij het Eilandgebied Curaçao als cedent optreedt, zal dan ook door de Gezaghebber als vertegenwoordiger van het Eilandgebied Curaçao of door een door hem aangewezen gemachtigde moeten worden ondertekend.

Het Besluit van 29 september 2000 is neergelegd in een schriftelijk stuk en het houdt ook een verklaring van overdracht in. In zoverre wordt voldaan aan de vereisten voor een akte van levering als bedoeld in artikel 662 BWNA (oud). Het het Besluit bevattende schriftelijke stuk is ondertekend door de voorzitter van de Eilandsraad en de secretaris. Of de handtekening van de voorzitter afkomstig is van de persoon die op dat moment ook de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao was, valt uit het schriftelijk stuk zelf niet af te leiden. Maar ook indien dat het geval zou zijn, dan valt uit niets af te leiden dat de handtekening door die persoon in een nog andere hoedanigheid dan die van voorzitter van de Eilandsraad is geplaatst. Onder die omstandigheid kan niet worden aangenomen dat het schriftelijke stuk (mede) is ondertekend door de rechtspersoon het Eilandgebied Curaçao als cedent. Dan kan van het schriftelijk stuk waarin het Besluit d.d. 29 september 2000 is vastgelegd, niet worden gezegd dat het mede een verklaring van overdracht van de rechtspersoon het Eilandgebied Curaçao, de cedent, inhoudt. Dat het schriftelijke stuk van 29 september 2000 aldus beoordeeld dient te worden, vindt bevestiging in het feit dat op 1 juli 2004 alsnog een akte is opgemaakt, waarin wordt verklaard dat het Eilandgebied Curaçao de vorderingen overdraagt waarop het Besluit van 29 september 2000 het oog heeft, en die bovendien ondertekend wordt door een persoon met de aantekening dat hij optreedt in de hoedanigheid van Gezaghebber.

2.6 Zoals hierboven al opgemerkt, heeft onderdeel A betrekking op het verweer van [eiseres] dat de door SSC tegen haar ingestelde vordering niet toewijsbaar is, omdat SSC geen rechthebbende van de vordering is geworden. Dat verweer gaat, ondanks hetgeen hiervoor in 2.5 omtrent het Besluit d.d. 29 september 2000 is opgemerkt, toch niet op. In verband met genoemd verweer dient ook de akte van cessie van 1 juli 2004 in aanmerking te worden genomen. Op blz. 6 van het verzoekschrift tot cassatie wordt in de achtste en negende regel van boven opgemerkt dat die akte van cessie een geldige akte van cessie is en dat [eiseres] in de loop van de procedure van die cessie kennis heeft genomen. Wat dit laatste betreft, in de memorie van antwoord in appel maakt SSC onder 28 melding van de akte van cessie van 1 juli 2004. Deze memorie is op 28 juni 2006 aan [eiseres] betekend. De op 1 juli 2004 plaatsgevonden hebbende levering is daarmee in ieder geval op die dag aan [eiseres] meegedeeld((14)). De vordering van het Eilandgebied Curaçao op [eiseres] is in ieder geval op die dag als gevolg van overdracht (cessie) op SSC overgegaan((15)). Toen het Hof op 7 november 2006 zijn vonnis uitsprak, was SSC rechthebbende van de tegen [eiseres] ingestelde vordering, zodat aan de toewijzing van de vordering in de vorm van bevestiging van het eindvonnis van het GEA niet in de weg stond dat SSC geen rechthebbende was van de vorderingen uit hoofde van aan [eiseres] verstrekte studieleningen.

2.7 De slotsom met betrekking tot onderdeel A is dat dit onderdeel, voor zover het onderdeel er toe strekt om het verweer in stand te houden dat de door SSC tegen [eiseres] ingestelde vordering niet toewijsbaar is omdat SSC geen rechthebbende van de vordering is, wegens gebrek aan belang geen doel kan treffen.

onderdeel B

2.8 Onderdeel B heeft betrekking op het door [eiseres] gevoerde verjaringsverweer.

Het Hof verwerpt in rov. 3.2 van zijn vonnis het verjaringsverweer op dezelfde gronden als welke daartoe door het GEA zijn gebezigd. Twee belangrijke gronden zijn dat het Besluit d.d. 29 september 2000 als akte van cessie kan worden gezien en geleid heeft tot overgang op die datum van de vordering van het Eilandgebied Curaçao naar SSC, zodat SSC bevoegd en in staat was om de nog lopende verjaring van de vordering te stuiten met de brief van 14 augustus 2001 van het incassobureau Intrum Justicia.

2.9 De in onderdeel B opgenomen klacht bestrijdt de verwerping van het verjaringsverweer. Daartoe wordt in de klacht in de eerste plaats aangevoerd dat ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat SSC ten tijde van het uitgaan van de brief d.d. 14 augustus 2001 van het incassobureau Intrum Justitia bevoegd was om de verjaring van de vordering te stuiten. Immers, toen had nog geen rechtsgeldige overdracht van de vordering door het Eilandgebied Curaçao aan SSC plaatsgevonden. De klacht houdt verder in, dat de verjaringstermijn met betrekking tot de vordering op [eiseres] op 1 januari 2002 is 'vol gelopen' zonder dat er voordien een rechtsgeldige stuiting heeft plaatsgevonden. De klacht bouwt met het eerst vermelde gedeelte voort op de klacht in onderdeel A, welke klacht inhoudt dat door het hof in navolging van het GEA ten onrechte is geoordeeld dat de vordering van het Eilandgebied Curaçao op [eiseres] ter zake van de aan haar ter leen verstrekte studiegelden met het Besluit d.d. 29 september 2000 op SSC is overgegaan. Hierboven in 2.5 is reeds uiteengezet dat en waarom terecht met onderdeel A het oordeel omtrent het Besluit d.d. 29 september 2000 wordt bestreden. Aangenomen dat met onderdeel A terecht het oordeel omtrent het Besluit d.d. 29 september 2000 wordt bestreden, betekent dit dat daarmee de grond vervalt die het hof in navolging van het GEA aanvoert voor het door SSC hebben kunnen stuiten van de verjaring van de rechtsvordering jegens [eiseres] met de brief van 14 augustus 2001. Daaruit volgt dat het oordeel van het Hof dat strekt tot verwerping van het verjaringsverweer van [eiseres] geen stand kan houden.

2.10 Er heeft bij het Hof en het GEA tussen partijen niet een debat plaatsgevonden over andere, onbetwist gebleven gronden die ook de verwerping van het verjaringsverweer van [eiseres] zouden kunnen dragen. Een en ander betekent dat onderdeel A, voor zover het in dienst staat van de bestrijding van de verwerping van het verjaringsverweer van [eiseres], en onderdeel B doel treffen.

onderdeel C

2.11 In onderdeel C wordt opgekomen tegen de verwerping door het Hof in rov. 3.3 van zijn vonnis van het beroep van [eiseres] op rechtsverwerking.

2.12 In rov. 3.3 stelt het Hof eerst voorop:

"Voor een succesvol beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop niet voldoende. Hiervoor is meer nodig, namelijk een gedraging van de rechthebbende, die onder omstandigheden ook in een nalaten kan bestaan. Deze gedraging of dit nalaten dient bij de wederpartij een zodanig vertrouwen te hebben opgewekt dat [toevoeging A-G: deze heeft mogen aannemen dat] de rechthebbende zijn recht heeft prijsgegeven of de (bewijs)positie van de wederpartij zodanig onredelijk is verzwaard dat de rechthebbende geen beroep meer kan doen op zijn desbetreffende recht."

Daarna vervolgt het met:

"Gelet op het vorenstaande brengen het door [eiseres] geschetste gedrag en nalaten van het eilandgebied Curaçao, zo dit al in rechte zou vaststaan, niet mee dat [eiseres] zich met succes op rechtverwerking van zijn wederpartij kan beroepen."

Met dit oordeel geeft het Hof te kennen dat het door [eiseres] aangeboden bewijs van de door haar gestelde omstandigheden niet ter zake doende is. Zij kunnen immers, ook indien zij bewezen zouden kunnen worden, toch niet tot de slotsom leiden dat er sprake is van rechtsverwerking aan de kant van SSC/het Eilandgebied Curaçao. Het Hof gaat er kennelijk van uit dat [eiseres] op zichzelf wel een afdoende bewijsaanbod heeft gedaan.

2.13 In onderdeel C wordt betoogd dat [eiseres] 'onterecht' niet tot bewijs van haar stellingen is toegelaten. Na vermelding op blz. 8 en 9 van het verzoekschrift tot cassatie van de gestelde omstandigheden en van overgelegde stukken (correspondentie) wordt op blz. 9, onderaan, van het verzoekschrift tot cassatie opgemerkt: "Het bewijsaanbod is ook relevant(;) als immers uit die getuigenverklaringen komt vast te staan dat dit het beleid was en dat de studieschuld was kwijtgescholden althans in verband met het beleid aan haar had moeten worden kwijtgescholden dan is de onderhavige vordering ongepast en kan SSC daarin ook om die reden niet worden ontvangen en moet haar de vordering worden ontzegd." Mede gelet op de opbouw van onderdeel C is de gebezigde term 'onterecht' te verstaan als aangevende dat het Hof een onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven met betrekking tot het beroep van [eiseres] op rechtsverwerking en het bewijsaanbod dat zij in dat verband heeft gedaan.

2.14 Tot de omstandigheden waarop [eiseres] zich heeft beroepen, behoort de op blz. 8 van het verzoekschrift tot cassatie onder G genoemde omstandigheid dat de toenmalige gedeputeerde [betrokkene] in 1989 door de toenmalige secretaris van het Eilandgebied, Mr. Vliet, aan [eiseres] naar aanleiding van een door haar daartoe ingediend verzoek heeft meegedeeld dat zij geen studieschuld meer had(16). Indien deze omstandigheid in rechte komt vast te staan, dan valt niet in te zien, althans niet zonder nadere toelichting, waarom [eiseres] niet er op heeft mogen vertrouwen dat het Eilandgebied Curaçao haar recht op terugbetaling van de aan [eiseres] ter leen verstrekte gelden heeft prijsgegeven. Hierbij is in aanmerking te nemen dat in 1989 de studiefinanciering (het verlenen van financiële bijstand aan scholieren en studenten en ook het terugvorderen van ter leen verstrekte studiegelden) nog een aangelegenheid van het Bestuurscollege was en dat de zojuist genoemde gedeputeerde [betrokkene] toen van dat college als gedeputeerde deel uitmaakte. In de hierboven in 2.3.1 genoemde, op 22 mei 1992 gedateerde memorie van toelichting bij de Eilandsverordening d.d. 27 mei 1992 (AB 1992 no. 10) wordt ook onder meer opgemerkt dat "in de praktijk is gebleken dat ...... evenmin aflossingen van de leningen in het huidige systeem konsekwent door de overheid worden geïnd." Uit diezelfde memorie van toelichting blijkt dat beoogd werd op dat vlak een nieuw beleid te gaan voeren. De andere omstandigheden waaraan op blz. 8 en 9 van het verzoekschrift tot cassatie wordt gerefereerd, kunnen, indien zij zich hebben voorgedaan, hebben bijgedragen aan het ontstaan van het vertrouwen dat [eiseres] stelt te hebben geput uit de bij monde van de secretaris ontvangen reactie op haar verzoek om kwijtschelding. In het licht van een en ander komt 's Hofs oordeel dat het door [eiseres] geschetste gedrag en nalaten van het eilandgebied Curaçao, zo dat al in rechte zou vaststaan, niet meebrengen dat [eiseres] zich met succes op rechtsverwerking van zijn wederpartij kan beroepen, onvoldoende voor. Ofwel worden er te hoge eisen gesteld aan het geboden vertrouwen, ofwel wordt niet voldoende aangegeven waarom dat wat [eiseres] heeft aangevoerd niet kan leiden tot het aanvaarden van het geboden vertrouwen. En dat betekent voorts dat de beslissing om [eiseres] niet toe te laten tot het leveren van bewijs van de omstandigheden die zij aan haar beroep op rechtsverwerking ten grondslag heeft gelegd, een goede grond ontbeert.

2.15 Kortom, ook onderdeel C treft, naar het voorkomt, doel.

3. Conclusie

Het vonnis d.d. 7 november 2006 komt voor vernietiging in aanmerking.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Van de genoemde feiten worden enkele vastgesteld in rov. 3.1 van het tussenvonnis d.d. 8 december 2003 van het Gerecht in Eerste Aanleg.

2. Bij het verzoekschrift waarmee de procedure bij het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen wordt ingeleid, is als prod.1 een op zichzelf onbestreden gebleven overzicht van de verstrekte leningen gevoegd.

3. Zie in dit verband prod. 2 bij het in voetnoot 2 genoemde verzoekschrift in samenhang met prod. 8 bij de conclusie van repliek, het besluit d.d. 9 januari 1980 van het Bestuurscollege voor het ter leen verstrekken van een geldbedrag aan [eiseres]. In het op de achterzijde van die productie afgedrukte artikel 3 lid 3 wordt gesproken van een verplichting tot het maken van een begin van terugbetalen binnen één jaar na het beëindigen van de studie.

4. De Stichting is door het Eilandgebied Curaçao eind 1990 opgericht en heeft onder meer tot doel: "het op basis van de desbetreffende publiekrechtelijke verordeningen toekennen van studiefinancieringsfaciliteiten aan ingezetenen van het Eilandgebied Curaçao alsmede het verstrekken, beheren en innen van verstrekte studieleningen en het aantrekken van de daarvoor benodigde middelen, zomede al hetgeen daarmede verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn." Zie prod. II bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg.

5. De omstandigheden zijn ontleend aan een bijlage bij de memorie van grieven, waarin de feitelijke grondslag voor het beroep van [eiseres] op rechtsverwerking is weergegeven. Genoemde omstandigheden komen ook voor in de opsomming van de 'overige' verweren van [eiseres] in rov. 4.2 van het vonnis d.d. 8 december 2003 van het GEA.

6. Het besluit is op last van het GEA door SSC bij akte d.d. 22 september 2003 in het geding gebracht. Het besluit kent de volgende overweging: "dat het wenselijk is dat mede in verband met de oprichting van de Stichting Studiefinanciering Curaçao alsmede in verband met het optimaliseren van het functioneren van voornoemde stichting de vorderingen van het Eilandgebied vanwege verleende studiefinanciering vóór het studiejaar 1991-1992 over te dragen aan de Stichting Studiefinanciering Curaçao."

7. [Eiseres] heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba verzocht haar toe te staan van het tussenvonnis d.d. 8 december 2003 tussentijds in hoger beroep te komen. Dat verzoek is echter door het Hof bij vonnis d.d. 8 juli 2004 afgewezen.

8. Deze uitspraak heeft SSC, gevolggevend aan een toezegging op een comparitie van partijen, bij brief van 23 augustus 2004 in kopie aan het GEA toegezonden. De uitspraak gaat over de vraag of Adriaens, aan wie door het Eilandgebied Curaçao een studielening voor een studie aan de Landbouwhogeschool te Wageningen was verstrekt, er op heeft mogen vertrouwen dat van hem geen terugbetaling van het ter leen verstrekte geld zou worden gevorderd. Het Hof beantwoordt de vraag ontkennend, daartoe onder meer overwegende dat dat wat ambtenaren op voorlichtingsbijeenkomsten hebben opgemerkt over eventuele kwijtschelding niet meer dan inlichtingen over regels inhield en niet een het Eilandgebied bindende toezegging vormde.

9. Zie in dit verband A.B. Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, 1999, blz. 326: "Land en Eiland-gebieden bezitten rechtspersoonlijkheid en beschikken in die hoedanigheid over dezelfde privaatrechtelijke rechten, plichten en bevoegdheden als andere natuurlijke en rechtspersonen."

10. De memorie van toelichting treft men aan als prod. 7 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg.

11. Zie ook de brief d.d. 23 augustus 2000,waarmee het Bestuurscollege het voorstel voor het besluit aan de Eilandsraad wordt toegezonden. Een kopie van die brief is in appel in het geding gebracht bij brief d.d. 24 augustus 2006 aan het Hof.

12. In deze akte verklaart het Eilandgebied, vertegenwoordigd door de Gezaghebber, onder verwijzing naar het Besluit d.d. 29 september 2000 van de Eilandsraad aan SSC over te dragen: "alle ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande vorderingen en rechten van het Eilandgebied wegens studiefinanciering welke door het Eilandgebied Curaçao vòòr het studiejaar 1991-1992 is verleend krachtens Eilandsverordening studiebeurzen en -leningen (AB 1979 nr. 29) ......... alsmede alle ten tijde van de ondertekening van deze akte bestaande vorderingen en rechten die steunen op verleende studieleningen onder borgstelling, plaatselijke studiebeurzen en alle ten tijde van de ondertekening van deze akte bestaande vorderingen wegens toegekende overtocht- en uitrustingskosten."

13. Zie Asser-Beekhuis-Mijnssen-De Haan, 3-I, 1985, nr. 367 en Asser-Mijnssen-De Haan, 3-I, 1992, nr. 356; Pitlo-Brahn, Zakenrecht, 1987, blz. 212. In gelijke zin wordt geoordeeld over artikel 3:94 BWNA. Zie: Asser-Mijnssen-De Haan- Van Dam-Ploeger, 3-I, 2006, nr. 275; W.H.M. Reehuis, Levering, Mon. NBW, nr. B6b, 2004, nr. 74.

14. De akte van cessie d.d. 1 juli 2004 is door [eiseres] zelf in het geding gebracht bij haar memorie van grieven van 19 maart 2006. Hoe zij van die akte kennis heeft genomen, blijft onverklaard.

15. Omdat het gaat om een overdracht na 1 januari 2001, is op die overdracht artikel 3:94 lid 1 BWNA van toepassing. Ander dan onder de artikelen 635 en 662 BWNA(oud), is voor de overgang van een vordering op naam naar een ander op grond van overdracht mede vereist dat de levering aan de ander is meegedeeld.

16. Deze bijzondere omstandigheid deed zich niet voor in de zaak SSC/Adriaanse, waarop het hierboven in 1.4.3 genoemde vonnis d.d. 28 september 1999 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba betrekking heeft.