Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BF0471

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2008
Datum publicatie
10-10-2008
Zaaknummer
08/03218
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BF0471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz; voorlopige machtiging; gevaar; andere maatregel op voet van art. 8a, motivering (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 732
RvdW 2008, 936
JWB 2008/403
BJ 2008/64
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/03218

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 5 september 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

Officier van Justitie te Groningen

Het cassatiemiddel komt met diverse motiveringsklachten op tegen een voorlopige machtiging.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene)(1) is krachtens een last tot inbewaringstelling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij beschikking van 4 april 2008 heeft de rechtbank te Groningen een machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling.

1.2. Op 21 april 2008 heeft de officier van justitie in het arrondissement Groningen aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis (verpleeghuis) te doen voortduren. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring d.d. 15 april 2008 gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene heeft doen onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1].

1.3. Op 24 april 2008 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe, de echtgenote en een zoon van betrokkene, de verpleeghuisarts en de verantwoordelijk verpleegkundige. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 23 oktober 2008.

1.4. Namens betrokkene is - tijdig(2) - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Voor een voorlopige machtiging is onder meer vereist (1) dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens die de betrokkene gevaar doet veroorzaken en (2) dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (art. 2 lid 2 Wet Bopz). Betrokkene is een tot voor kort thuiswonende man, geboren in 1928. De rechtbank heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens (dementiesyndroom).

2.2. Onderdeel I van het middel heeft betrekking op het eerste vereiste, het gevaarscriterium; onderdeel II heeft betrekking op het tweede vereiste, de eventuele beschikbaarheid van een alternatief voor gedwongen opneming. Onderdeel III ziet op de vraag of de rechtbank toepassing had behoren te geven aan art. 8a Wet Bopz.

2.3. Met betrekking tot het gevaar heeft de rechtbank overwogen dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken voor anderen. De rechtbank noemt het gevaar van fysiek agressief gedrag bij frustratie; in het verpleeghuis heeft betrokkene verpleegkundigen geslagen. Daarnaast acht de rechtbank het in de beschikking van 4 april 2008 genoemde gevaar nog steeds aanwezig, te weten: gevaar voor de psychische gezondheid van de daar genoemde gezinsleden (de echtgenote van betrokkene, een dochter van 6 en een (stief-)zoon van 13 jaar). De beschikking van 4 april 2008 houdt in, voor zover van belang, dat de gezinssituatie door de stoornis ernstig onder druk is komen te staan en voorts:

"Uit de nader door de rechtbank ingewonnen informatie bij [betrokkene 2] [de lokatiemanager van de Thuiszorginstelling, noot A-G] is gebleken dat vader door zijn aandoening zoveel aandacht naar zich toetrekt, dat de kinderen aandacht te kort krijgen. Ook houdt vader door zijn nachtelijk gedrag de kinderen uit de slaap, hetgeen de toestand nog verergert. Met name de twee jonge kinderen van betrokkene zijn dusdanig ernstig onder de situatie gaan lijden dat er sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar, te weten dat voor hun psychische gezondheid. Bij [betrokkene 3], de (stief)zoon van 13, uit zich dat in gedrag als gooien met vazen en deuren intrappen. De leiding van de school waar hij op zit heeft alarm geslagen naar aanleiding van zijn schoolresultaten. [Betrokkene 3] heeft volgens de moeder verklaard zichzelf van het leven te willen beroven als vader zou worden opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke uitlating geen normale reactie van een kind van die leeftijd is en dat zulks wijst op een ernstige ontwrichting van het gezin.

Alles overziende acht de rechtbank de situatie zover geëscaleerd dat er inderdaad gesproken moet worden van een zo onmiddellijk dreigend gevaar (enz.)."

2.4. Onderdeel I klaagt over onbegrijpelijkheid van deze vaststelling en voert daartoe vier argumenten aan, kort samengevat:

a. De verwijzing in de bestreden beschikking naar de beschikking van 4 april 2008 is onbegrijpelijk, omdat de griffier van de rechtbank niet bereid is gebleken desgevraagd een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 3 april 2008 af te geven (cassatierekest blz. 2).

b. De verwijzing in de bestreden beschikking naar de beschikking van 4 april 2008 is onbegrijpelijk voor wat betreft de constatering dat betrokkene door zijn nachtelijk gedrag de kinderen uit de slaap houdt. Dit is destijds al door betrokkene en zijn echtgenote tegengesproken en is ter zitting van 24 april 2008 nogmaals tegengesproken, terwijl dezelfde verpleeghuisarts van wie de informatie over de nachtelijke onrust afkomstig was ([betrokkene 4]) op 24 april 2008 onder meer verklaarde dat ten aanzien van betrokkene sprake is van een normaal dag- en nachtritme (cassatierekest blz. 3).

c. De verwijzing in de bestreden beschikking naar de beschikking van 4 april 2008 is ook onbegrijpelijk voor wat betreft de daarin opgenomen constatering dat betrokkene door zijn aandoening zoveel aandacht naar zich toetrekt dat de kinderen aandacht te kort komen. De rechtbank heeft in de beschikking van 4 april 2008, en indirect in de bestreden beschikking, miskend dat de door haar aangehaalde uitlating van de (stief-)zoon ook in heel andere zin kan worden opgevat, namelijk dat hij zijn vader vreselijk mist en in huis wil houden (cassatierekest blz. 3).

d. Of het fysieke gedrag jegens de verpleegkundigen reden moet zijn om dit gevaar aan te nemen, is de vraag. Uit de gegevens blijkt dat verzoeker naar huis wil; een situatie die ook zijn echtgenote en kinderen voorstaan (cassatierekest blz. 4).

2.5. De algemene motiveringsklacht faalt, omdat de redengeving de beslissing kan dragen. In cassatie is niet bestreden dat het gevaar van fysiek agressief gedrag jegens anderen, respectievelijk het gevaar voor de psychische gezondheid van een ander, een `gevaar' in de zin van art. 1 Wet Bopz kan zijn.

2.6. Voor wat betreft het onder (a) genoemde argument: als bijlage bij het cassatierekest is een brief van 9 juni 2008 van de fungerend griffier van de rechtbank gevoegd, waarin deze weigert aan de cassatieadvocaat van betrokkene een afschrift toe te zenden van het proces-verbaal van de zitting van 3 april 2008 m.b.t. de voortzetting van de inbewaringstelling(3). Wat er zij van die weigering, zij maakt de verwijzing in de bestreden beschikking naar (de motivering van) de beschikking van 4 april 2008 niet onbegrijpelijk. In de eerste plaats heeft de rechtbank in de bestreden beschikking kort samengevat waarom het gaat, te weten de psychische gezondheid van de gezinsleden. In de tweede plaats is kennisneming van het proces-verbaal van de behandeling op 3 april 2008 niet vereist om te begrijpen wat de rechtbank heeft bedoeld in de beschikking van 4 april 2008 of in de, daarnaar verwijzende, beschikking van 24 april 2008.

2.7. Voor wat betreft het onder (b) genoemde argument: in de geneeskundige verklaring d.d. 15 april 2008 (rubriek 3.a) is "nachtelijke onrust" genoteerd als een van de symptomen van de stoornis. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 24 april 2008 heeft de echtgenote van betrokkene verklaard dat haar man liever thuis is en 's nachts altijd doorslaapt. Het is volgens haar te vroeg om hem in een verpleeghuis op te nemen. Het stond de rechtbank vrij, als rechter die over de feiten oordeelt, met voorbijgaan aan deze verklaring van de echtgenote te oordelen dat gevaar voor de psychische gezondheid van de gezinsleden aanwezig is. De verpleeghuisarts heeft ter zitting aangegeven dat sprake is van een normaal dag- en nachtritme. Ook dat maakt het oordeel niet onbegrijpelijk. In de eerste plaats sprak de arts kennelijk over de toestand in het verpleeghuis, terwijl de rechtbank kennelijk het oog heeft op het gevaar dat ontstaat wanneer betrokkene thuis zou verblijven. Daarnaast gaat het hier om een waardering van feitelijke aard, die aan de rechtbank is voorbehouden en geen nadere uitwerking behoefde.

2.8. Voor wat betreft het onder (c) genoemde argument: dit miskent m.i. dat de uitleg van de verklaring van (de moeder over een verklaring van) de zoon aan de rechtbank als feitenrechter is voorbehouden. Onbegrijpelijk is deze interpretatie niet. De beslissing tot gedwongen opneming is niet enkel gebaseerd op deze uitlating van de zoon. De rechtbank heeft deze uitlating in de beschikking van 4 april 2008 slechts gebruikt als een voorbeeld van de door haar aangenomen ernstige ontwrichting van het gezin als gevolg van de stoornis van betrokkene, met daaruit voortvloeiend: het gevaar voor de psychische gezondheid van de gezinsleden.

2.9. Voor wat betreft het onder (d) genoemde argument: de gestelde omstandigheid dat betrokkene naar huis wil en dat ook zijn echtgenote en kinderen daaraan de voorkeur zouden geven, staat geenszins in de weg aan het oordeel dat gevaar bestaat van fysieke agressie van betrokkene jegens derden in geval van frustratie. Waaraan de rechtbank dit gevaar heeft ontleend is wel duidelijk. Dit gevaar is met zoveel woorden genoemd in rubriek 4 van de geneeskundige verklaring d.d. 15 april 2008. Dat hij tweemaal een verpleegkundige heeft geslagen is vermeld in de aanbiedingsbrief van diezelfde datum.

2.10. Onderdeel II klaagt dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank zich niet uitspreekt over het aanbod van de echtgenote om betrokkene naar de dagbehandeling te zullen brengen en, zonder nadere redengeving, aanneemt dat het gevaar niet anders dan door een gedwongen opname kan worden afgewend. In dit verband acht het middel van belang dat de verpleeghuisarts ter zitting heeft gezegd dat de mogelijkheid van 's nachts thuis zijn en overdag in het verpleeghuis het overwegen waard is. Het middelonderdeel wijst op het uitgangspunt dat een gedwongen opneming een ultimum remedium is.

2.11. Uit de tekst van art. 2 lid 2 Wet Bopz ("naar het oordeel van de rechter") en uit de parlementaire geschiedenis(4) volgt dat de toetsing, of het gevaar niet op andere wijze kan worden afgewend, geen absoluut karakter kan hebben. De rechter heeft tot op zekere hoogte een beoordelingsmarge, zolang de ultimum remedium-gedachte maar niet uit het oog wordt verloren. Indien naar het oordeel van de rechter uit de geneeskundige verklaring en uit hetgeen hem blijkt uit het horen van de betrokkene en eventueel van andere personen, naar voren komt dat redelijkerwijs al het mogelijke is ondernomen, doch geen andere oplossing mogelijk is, kan een machtiging worden verleend(5). Bij de alternatieven voor een gedwongen opneming kan bijvoorbeeld worden gedacht aan hulp van de huisarts, aan ambulante voorzieningen voor geestelijke gezondheidszorg, zoals sociaal-psychiatrische diensten of psychiatrische poliklinieken, en voorts aan medisch-opvoedkundige bureaus, bureaus voor levens- en gezinsvragen en dergelijke. Voor wat betreft de mogelijkheid van ''mantelzorg'' en hulp van personen in de nabije omgeving van de patiënt, zal de rechter ook de (lichamelijke en geestelijke) draagkracht van degenen die betrokkene nastaan, en hetgeen van hen in redelijkheid nog mag worden verwacht, hebben te betrekken(6).

2.12. Volgens de rechtbank is gebleken dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. De geneeskundige verklaring (rubriek 6) vermeldt dat andere mogelijkheden, te weten medicatie en ambulante psychiatrische behandeling zijn overwogen: "De afgelopen jaren heeft het ambulant dementieteam patiënt en zijn gezin begeleid en heeft niet kunnen voorkomen dat e.e.a. escaleerde". Ter zitting heeft de echtgenote van betrokkene gezegd dat zij hem thuis zo lang mogelijk wil verzorgen en bereid is hem naar de dagbehandeling te brengen. De ter zitting aanwezige verpleeghuisarts heeft, in reactie hierop, aangegeven dat dit in het recente verleden al is voorgesteld, maar dat er niets van terecht is gekomen; het is moeilijk met de vrouw afspraken te maken. De omstandigheid dat de rechtbank in haar beschikking niet met zoveel woorden op deze discussie is ingegaan, maakt de beschikking niet onbegrijpelijk. Het gaat hier om een mededeling van de echtgenote, die, hoezeer op zichzelf relevant, niet door de rechtbank is beschouwd, noch behoefde te worden beschouwd, als een door of namens betrokkene gevoerd verweer waarop de rechtbank in haar motivering nader had behoren in te gaan. De omstandigheid dat de ter zitting aanwezige arts de mogelijkheid besprak dat, wanneer eenmaal zou zijn besloten tot een gedwongen opneming, verlof wordt verleend om de nachten thuis door te brengen, doet op zichzelf niet af aan het oordeel van de rechtbank over de noodzaak van een gedwongen opneming. Onderdeel II leidt om deze redenen niet tot cassatie.

2.13. Onderdeel III klaagt dat de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de vraag of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de verzochte voorlopige machtiging niet passender zou zijn en dus ook niet of er wellicht redenen waren om met toepassing van art. 8a Wet Bopz een verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging uit te lokken.

2.14. Art. 8a Wet Bopz bepaalt dat, indien de rechtbank op grond van het door haar ingestelde onderzoek zich afvraagt of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de verzochte niet passender is, zij dit gevoelen aan de officier van justitie kenbaar kan maken. Deze mogelijkheid is destijds in de wet opgenomen om, kort gezegd, een verzoek tot het verlenen van een onvoorwaardelijke machtiging in dezelfde procedure te kunnen doen omzetten in een verzoek tot een voorwaardelijke machtiging en omgekeerd, indien de rechtbank daartoe aanleiding ziet. Uit het feit dat de rechtbank geen gebruik heeft gemaakt van deze wettelijke bevoegdheid valt reeds af te leiden dat de rechtbank in dit geval geen aanleiding heeft gezien om een verzoek van de officier van Justitie tot een voorwaardelijke machtiging uit te lokken. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt: "De advocaat vraagt zich af of een andere maatregel, bijvoorbeeld een voorwaardelijke machtiging, beter is." en dat zij haar betoog afsluit met: "Namens betrokkene verzoekt zij de machtiging niet te verlenen." Het is m.i. niet onbegrijpelijk dat de rechtbank een dergelijke losse opmerking ("vraagt zich af of ...") niet heeft opgevat als een concreet verzoek namens betrokkene tot toepassing van art. 8a Wet Bopz, waarop de rechtbank had kunnen of zelfs moeten responderen. Ook overigens verdient aandacht dat de rechtbank alternatieve mogelijkheden (met name ambulante behandeling, zie onderdeel II) ontoereikend heeft geacht. Dat de rechtbank in haar motivering niet nader is ingegaan op de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging, behoefde geen nadere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Een voorwaardelijke machtiging kan dienen als prikkel om te patiënt te laten meewerken aan een ambulante behandeling die noodzakelijk is om het gevaar weg te nemen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is de rechtbank van oordeel dat het bij betrokkene niet gaat om een door de stoornis bepaalde onwil tot behandeling, maar dat de gevolgen van de stoornis (het dementiesyndroom) zodanig zijn dat daadwerkelijk een opneming in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk is.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De naam van betrokkene is niet overal gelijk gespeld. In de aanhef van deze conclusie is de spelling gevolgd van het overgelegde uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie.

2 Het cassatieverzoekschrift is op 24 juli 2008 per fax ontvangen, vier dagen later gevolgd door het origineel.

3 Als reden voor de weigering is opgegeven dat van de beschikking van 4 april 2008 geen cassatie is ingesteld noch kan worden ingesteld. Mijns inziens staat deze weigering op gespannen voet met het bepaalde in art. 290, leden 1 en 2, in verbinding met art. 279 lid 4 Rv.

4 Voor een weergave van de relevante passages verwijs ik naar de conclusie van de A-G Asser voor HR 4 november 1994, NJ 1995, 211 m.nt. JdB. Voor het ultimum remedium-karakter van een rechterlijke machtiging is, uit de jurisprudentie nadien, ook van belang: EHRM 4 april 2000, BJ 2001, 1 m.nt. J.C.J. Dute (EHRC 2000, 40 m.nt. Van der Velde), rov. 35.

5 Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270, nr. 13, blz. 28.

6 Kamerstukken II, 1980-1981, 11 270, nr. 17, blz. 7.