Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BF0378

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2008
Datum publicatie
24-10-2008
Zaaknummer
C07/115HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BF0378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Overeenkomst van opdracht tot bouw van een machine; onrechtmatige daad, verplichting ten opzichte van een derde tot herstel en onderhoud?; stelplicht (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 759
RvdW 2008, 966
JWB 2008/419
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr C07/115HR

mr J. Spier

Zitting 5 september 2008

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Metzeecon V.O.F.

[Verweerder 2]

[Verweerder 3]

(hierna gezamenlijk Metzeecon c.s.)

1. Vaststaande feiten

Het Hof 's-Hertogenbosch heeft, in navolging van het eindvonnis in prima, in zijn in cassatie bestreden arrest aangenomen dat [verweerders 2 en 3] vennoten zijn van Metzeecon v.o.f., welke v.o.f. zich bezighoudt met machinebouw en metaalbewerking. [eiser] en Metzeecon hebben in het verleden zaken met elkaar gedaan (rov. 4.2).

2. Procesverloop

2.1 Bij exploit van 11 maart 2004 heeft [eiser] Metzeecon c.s. gedagvaard voor de Rechtbank Breda. Hij heeft gevorderd hen te veroordelen tot betaling van "de door hem ten gevolge van bovenvermelde handelwijze van gedaagden reeds geleden en nog te lijden schade en kosten" op te maken bij staat. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd:

a. dat hij "sedert 1997 tot en met 1999" als tussenpersoon voor gedaagen optrad "en wel in die zin dat eiser bij gedaagden zeefmachines kocht en deze doorverkocht aan derden";

b. Metzeecon c.s. bleven gehouden gedurende "de garantietermijn" "de door eiser met deze derden gesloten koopovereenkomst (..) na te komen", zulks conform "de garantievoorwaarden van de Metaalunie";

c. hij heeft "in de zaak van [betrokkene 1]" materialen gekocht in opdracht en voor rekening van Metzeecon c.s. Deze zijn nadien met hem verrekend. "In tweetal zaken" hebben Metzeecon c.s. deze bedragen niet aan hem gerestitueerd;

d. hij moest jegens [betrokkene 2] instaan voor de "verkoop van een deugdelijke machine". Toen mankementen ontstonden waren Metzeecon c.s. niet tot repratie en onderhoud bereid. Hij heeft [betrokkene 2] € 6672,66 terugbetaald;

daarom heeft hij door onrechtmatig handelen van Metzeecon c.s. (thans nog niet te bepalen) schade geleden.

2.2 Metzeecon c.s. hebben de vordering bestreden.

2.3 Bij vonnis van 6 april 2005 heeft de Rechtbank de vordering afgewezen omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.

2.4 [Eiser] heeft beroep ingesteld. Hij meent zijn stellingen in prima "voldoende [te hebben] genuanceerd". Hij acht de stellingen in de inleidende dagvaarding duidelijk (mvg blz. 3). Metzeecon c.s. hebben het appèl bestreden.

2.5 In zijn arrest van 16 januari 2007 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd, naar de kern genomen omdat [eiser] te weinig heeft gesteld.

2.6 [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Tegen Metzeecon c.s. is verstek verleend. [Eiser] heeft zijn stellingen nog (summierlijk) toegelicht.

3. Bespreking van de klachten

3.1 Middel 1 komt op tegen rov. 4.6.3 waarin het Hof de kwestie [betrokkene 2] afhandelt. Naar 's Hofs oordeel is niet duidelijk uit welke overeenkomst of anderszins een verplichting van Metzeecon c.s. tot onderhoud en/of reparatie van de door [eiser] aan [betrokkene 2] geleverde machine zou kunnen voortvloeien.

3.2 Het middel brengt te berde dat a) de machine op grond van art. 6:162 BW teveel gebreken vertoonde, zoals uiteengezet in de mvg, b) dat "in dat verband" processen-verbaal "verhoor rechter in eerste aanleg" zijn overgelegd, terwijl c) Metzeecon c.s. de machine hebben gebouwd zodat ze de mankementen moeten herstellen.

3.3 Rechtbank en Hof hebben (in feite) geoordeeld dat het relaas van [eiser] onbegrijpelijk is. Ik kan niet tot een ander oordeel komen met betrekking tot het middel. Een p.v. van een "verhoor in eerste aanleg" trof ik niet aan. De enkele omstandigheid dat Metzeecon c.s. een machine hebben gebouwd, brengt niet mee dat zij ten opzichte van een derde gehouden zijn deze te herstellen of te onderhouden. Daarmee valt ook de basis van art. 6:162 BW weg, wat er verder van dat betoog ook zij.

3.4 Het tweede middel komt op tegen rov. 4.7.3. Daarin wuift het Hof de kwestie [betrokkene 1] weg. Tegenover de ontkenning van Metzeecon c.s. had [eiser] nader moeten stellen "waaruit de opdracht of de verplichting tot vergoeding zou kunnen volgen." Weliswaar heeft [eiser] te dier zake een aantal (nader genoemde) stukken overgelegd, "maar iedere toelichting op deze stukken ontbreekt", aldus het Hof.

3.5.1 Het middel voert aan dat [eiser] voor Metzeecon c.s. goederen heeft besteld en dat zij deze goederen niet wilden betalen. Hij verwijst in dat verband naar "de processen-verbaal bij akte in het geding gebracht".

3.5.2 Buitendien wordt het Hof verweten dat niet is ingegaan op het feit dat geen cvr en cvd zijn genomen zodat [eiser] zijn relaas niet verder kon onderbouwen. Het door hem op de comparatie in prima verzochte uitstel is geweigerd.

3.6.1 De onder 3.5.2 samengevatte klacht, waarin art. 6 EVRM nog naar voren wordt geschoven, miskent dat [eiser] de door hem gewenste gelegenheid om zijn stellingen nader toe te lichten wél degelijk heeft gekregen. Hij had een een begrijpelijke dagvaarding kunnen inleveren en hij had, zeker nu de Rechtbank daarop expliciet had aangedrongen, relevante stukken mee kunnen nemen naar de comparitie.

3.6.2 Hoe dit zij, [eiser] heeft de gelegenheid in elk geval gehad in appèl. Zeker nu art. 6 EVRM in civiele zaken niet dwingt tot het openstellen van hoger beroep, heeft hij ruim voldoende kans gehad zijn beweringen gemotiveerd voor te leggen. Ik laat daarbij nog rusten dat de Rechtbank in rov. 3.4 van haar eindvonnis - in appèl niet bestreden - uitlegt waarom [eiser] geen nader uitstel is verleend.

3.7 Ten gronde: de onder 2.1 sub c weergegeven basis van de hier bedoelde vordering is onbegrijpelijk. Datzelfde geldt voor het exposé in de mvg eerste twee alinea's van blz. 3. Op onbegrijpelijke stellingen kan een rechter niet ingaan. Reeds daarom kom ik niet toe aan de genoemde p.v.'s. Bovendien lag het (in elk geval in cassatie) op de weg van [eiser] concreet uit de doeken te doen waarom deze van belang zijn.

3.8 Ook dit middel mislukt daarom. Voor zover (de laatste alinea van) het middel nog een klacht behelst, gericht aan het adres van de Rechtbank had deze in appèl naar voren moeten worden gebracht.

3.9 Het derde middel bestrijdt rov. 4.9. Daarin oordeelt het Hof dat het bewijsaanbod moet worden gepasseerd omdat [eiser] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd.

3.10 's Hofs oordeel is juist. Het middel faalt.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal