Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BF0271

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
07/11650
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ6824
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BF0271
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. (Voorwaardelijk) opzet. In zijn nadere bewijsoverwegingen heeft het Hof geoordeeld dat verdachte eenmaal, op geringe afstand achter de wegvluchtende aangever, gericht op het trottoir heeft geschoten. Daarbij heeft het Hof tevens vastgesteld dat dit schieten in de richting van aangever plaatsvond. Dat laatste kan evenwel, zoals in de conclusie AG is uiteengezet, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Het oordeel van het Hof dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat aangever dodelijk zou worden getroffen, is dan ook ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 913
RvdW 2009, 65
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11650

Mr. Bleichrodt

Zitting 2 september 2008 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 22 januari 2007 de verdachte ter zake van 1. "poging tot moord" en 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie", veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren.

2. Namens de verdachte en door hem zelf is beroep in cassatie ingesteld. Mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel richt zich tegen de motivering van het onder 1. bewezenverklaarde. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou het (voorwaardelijk) opzet niet kunnen volgen.

3.2 Ten laste van verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

"hij te 's-Gravenhage, op 22 augustus 2005, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade een persoon, genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk na rustig overleg en kalm beraad met een semi-automatisch pistool (merk Heckler & Koch), een kogel heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.3.1 Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2007 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Op 22 augustus 2005 heb ik te 's-Gravenhage twee schoten gelost met een vuurwapen. Ik had onenigheid gehad met een aantal jongens over geluidsoverlast. Er is een vechtpartij ontstaan en ik heb daarbij enkele klappen uitgedeeld. Toen ik terugliep naar mijn woning werd ik opgewacht door een groep, waaronder [slachtoffer]. Zij hebben mij in elkaar geslagen. Omdat ik daarover kwaad was, ben ik naar mijn woning gegaan en heb ik een vuurwapen en 13 kogels opgehaald. Ik heb het magazijn in het vuurwapen gedaan. Ik ben toen naar buiten gegaan met het vuurwapen naar de plek waar onder andere die [slachtoffer] stond. Ik zag dat [slachtoffer] een hamer tevoorschijn haalde. Hierop pakte ik mijn vuurwapen. [slachtoffer] rende vervolgens meteen weg. Terwijl [slachtoffer] wegrende, heb ik mijn vuurwapen doorgeladen, ik ben achter [slachtoffer] aan gerend en heb achter hem gericht op het trottoir geschoten. Ik had vrij zicht op hem. Het eerste schot met het vuurwapen loste ik in een hoek van ongeveer 45 graden richting het trottoir. Ik heb verder geen andere mensen op straat gezien. Ik wilde de jongens met wie ik onenigheid had bang maken.

Nadat ik het eerste schot gericht op het trottoir had afgevuurd, heb ik een tweede schot gelost. Dit tweede schot heb ik recht omhoog in de lucht gelost. Ik schoot in de lucht omdat ik me realiseerde dat kogels kunnen afketsen.

Ik ben een geoefend schutter, ik heb op een schietschool gezeten. Om mijn schietvaardigheid bij te houden ging ik één keer in de maand naar de schietclub. Ik realiseer me dat kogels ook kunnen afketsen. De kans dat een afgeketste kogel in dit geval iemand zou raken is echter klein volgens mij. Ik weet wel dat een onder een hoek van 45 graden op een harde ondergrond afgeschoten kogel met kracht terug omhoog springt.

Ik weet dat de kogelbaan van een afgeketste kogel onvoorspelbaar is. Een afgeketste kogel kan alle kanten op gaan.

Ik weet dat sommigen mij '[verdachte]' noemen.

Op 22 augustus 2005 had ik te 's-Gravenhage een vuurwapen van het merk Heckler & Koch en de kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9 mm Luger voorhanden. Ik had het vuurwapen op dat moment ongeveer een half jaar in mijn bezit. Ik ben me bewust van de gevaren van ongeoorloofd vuurwapenbezit. Ik heb dit vuurwapen en de bijbehorende munitie aangeschaft omdat ik me niet veilig voelde.

2. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 2006 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ik heb het eerste schot in de richting van de grond gelost. Ik heb niet recht naar beneden geschoten, maar schuin naar beneden. Ik denk dat [slachtoffer] kort voor het eerste schot ongeveer vijf meter bij mij vandaan stond.

3. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Haaglanden, nr. PL1513/2005/49286-6, d.d. 22 augustus 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 22 augustus 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring [slachtoffer] (blz. 245 t/m 249):

Op 22 augustus 2005 stond ik met een groep jongens op de kruising van de Gabriel Metsusstraat met de Frans Halsstraat te 's-Gravenhage.

Ik weet dat [verdachte] bij mij in de straat woont in de [a-straat] te [plaats] op nummer [001]. [verdachte] kwam aanlopen. Hij liep op de Gabriel Metsusstraat en uit de richting van zijn huis gelopen. Ik zag dat hij kwam aanrennen. Ik zag dat hij in mijn richting gelopen kwam. Toen [verdachte] op de kruising liep, hoorde ik dat hij liep te schreeuwen naar mij. Op het moment dat [verdachte] mij op zo'n 5 meter was genaderd, zag ik dat hij met zijn ene hand zijn trui omhoog deed. Ik zag in zijn broekband een pistool zitten. Ik zag dat [verdachte] bijna gelijktijdig het pistool uit zijn broekband haalde. Ik zag dat [verdachte] het pistool op mij richtte. Ik ben gelijk gaan rennen. Ik hoorde gelijk een schot. Ik ben de Frans Halsstraat helemaal uitgerend en ben de Vaillantlaan opgerend.

4. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 16 februari 2006. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 16 februari 2006 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik rende over het trottoir van de Frans Halsstraat in de richting van de Vaillantlaan. Bij het eerste schot liep ik in ieder geval nog op dat trottoir.

5. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Haaglanden, nr. PL1513/2005/49286-177, d.d. 28 november 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 22 augustus 2005 werden wij verzocht een technisch sporenonderzoek in te stellen naar aanleiding van een schietincident dat zojuist op/of nabij de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen Gabriel Metsusstraat en de Frans Halsstraat had plaatsgevonden.

Aangetroffen op de openbare weg Frans Halsstraat

Tijdens ons onderzoek troffen wij in de Frans Halsstraat, het gedeelte tussen de Gabriel Metsusstraat en de Vaillantlaan, onder/bij geparkeerde auto's 2 hulzen en een kogelfragment aan. Dit is door ons middels foto's vastgelegd.

SVO 10 Kogelfragment Op openbare weg

SVO 11 Huls 9 mm Op openbare weg

SVO 12 Huls 9 mm Op openbare weg

6. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2005.09.08.105, d.d. 25 november 2005, opgemaakt en ondertekend door de deskundige P.J.M. Pauw-Vugts. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze deskundige:

Onderzoeksmateriaal

Ontvangen van: Technische Recherche Haaglanden

Datum ontvangst: 14 september 2005

SVO-nummerOmschrijving

10 een gedeformeerd kogelmanteldeel, aangetroffen op de openbare weg;

11 een huls, kaliber 9 mm Parabellum, aangetroffen op de openbare weg;

12 een huls, kaliber 9 mm Parabellum, aangetroffen op de openbare weg;

13 een pistool, merk Heckler & Koch, model P1O in kaliber 9 mm

Parabellum met patroonhouder en 10 patronen, aangetroffen in perceel [a-straat 1];

14 een patroon, kaliber 9 mm Parabellum, aangetroffen in de gootsteen van perceel [a-straat 1] te [plaats].

Wapen- en munitieonderzoek

Pistool [13]

Dit is een pistool van het merk Heckler & Koch, model P1O en is bestemd voor het semi-automatisch verschieten van pistool, patronen van het kaliber 9 mm Parabellum.

Ten behoeve van het onderzoek zijn met het pistool twaalf proefschoten gelost. Hierbij is gebruik gemaakt van patronen uit het munitiebestand van het Nederlands Forensisch Instituut. Tijdens het proefschieten traden geen storingen op: het pistool functioneerde goed.

Gedeformeerd kogelmanteldeel [10]

De massa van het kogelmanteldeel is ongeveer 1,1 gram. Gezien de uiterlijke kenmerken heeft dit kogelmanteldeel zeer waarschijnlijk behoort tot een 9 mm Parabellum volmantelkogel. Op het kogelmanteldeel zijn afvuursporen te zien, veroorzaakt door een polygoonloop met zes naar rechtsdraaiende vlakken. Het pistool [13) bevat een dergelijke polygoonloop.

Hulzen [11 en 12]

Deze twee hulzen zijn afkomstig van pistoolpatronen van het kaliber 9 mm Parabellum. De huizen zijn van het merk Sellier & Bellot, met bodemstempel "S&B 9mm Luger". De kaliber aanduiding 9 mm Luger is een syninoem voor 9 mm Parabellum. In de hulzen bevinden zich sporen die tijdens het verschieten zijn veroorzaakt. Zo zijn er sporen te zien van de slagpin de stootbodem, de hulsuitwerper, de patroontrekkerhaak en de kamer van de loop van een vuurwapen. Vergelijkend onderzoek heeft uitgewezen dat deze afvuursporen onderling aansluiten en overeenkomen.

De afvuursporen in de hulzen [11 en 12] zijn vergeleken met die in de proefhulzen afkomstig uit het pistool [13]. Hieruit is gebleken dat de in de afvuursporen voorkomende kraslijnen en onregelmatigheden deels aansluiten en overeenkomen. De kraslijnen en onregelmatigheden in de stootbodem- en kamerwandsporen var de proefhulzen zijn veroorzaakt door karakteristieke oneffenheden in de sporen veroorzakende onderdelen van het pistool [13]."

3.3.2 Het Hof heeft voorts ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 overwogen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting - zoals verwoord in zijn pleitaantekeningen - vrijspraak van de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit nu de verdachte geen schoten in de richting van [slachtoffer] zou hebben gelost en de verdachte aldus geen opzet zou hebben gehad op het raken van [slachtoffer].

Verdachte zou slechts hebben willen dreigen.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het navolgende vast. Na onenigheid met een aantal jongeren, waaronder [slachtoffer] heeft de verdachte vanuit zijn woning een vuurwapen en een magazijn met 13 kogels opgehaald. Hij heeft met het magazijn het vuurwapen geladen. Daarmee is hij in de richting van die [slachtoffer] gelopen. Hij heeft zijn vuurwapen doorgeladen en het vuurwapen in de richting van [slachtoffer] gehouden. [slachtoffer] is daarop aanvankelijk over een afstand van enkele geparkeerde auto's voor de verdachte uit over het trottoir van de Frans Halsstraat weggevlucht in de richting van de Vaillantlaan. De verdachte is achter hem aangerend en heeft - naar eigen zeggen bewust - een schot richting troittoir afgevuurd. Vlak voor het eerste schot bedroeg de afstand tussen de verdachte en [slachtoffer] ongeveer 5 meter. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard het wapen richting troittoir afgevuurd te hebben onder een hoek van ongeveer 45 graden. Terwijl hij [slachtoffer] achtervolgde heeft hij, aldus zijn verklaring in hoger beroep, vervolgens nog eenmaal vrijwel rechtstandig omhoog in de lucht geschoten, aangezien hij zich als geoefend schutter van het onvoorspelbare gedrag van een ketsende kogel en het daaraan verbonden gevaar bewust was.

Bij het ter plaatse verichtte forensisch onderzoek zijn twee hulzen en een kogelfragment veilig gesteld. De hulzen en het kogelfragment zijn aangetroffen naast en op het trottoir ter hoogte van de plaats waar de verdachte zich heeft bevonden en in de looprichting van de wegvluchtende [slachtoffer].

De resultaten van het forensisch onderzoek met betrekking tot het aantreffen van de hulzen en het kogelfragment zoals hiervoor aangegeven kunnen de lezing van de verdachte, dat hij het eerste schot naar het troittoir achter de wegvluchtende [slachtoffer] heeft afgevuurd en bij het tweede schot in de lucht heeft geschoten, ondersteunen. Gelet op het aantal aangetroffen hulzen en de elf later bij het vuurwapen aangetroffen bijbehorende patronen staat vast, dat tweemaal is geschoten.

Het hof acht dan ook bewezen, dat de verdachte eenmaal in de richting van [slachtoffer], maar op relatief geringe afstand achter die wegvluchtende [slachtoffer] gericht op het trottoir heeft geschoten. Het schot in de lucht is niet in de richting van [slachtoffer] afgevuurd.

Uit de handelwijze zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, kan niet anders worden afgeleid, dan dat de verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft besloten te handelen zoals hij heeft gehandeld. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voorts willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toe genomen dat hij [slachtoffer] met zijn schot dodelijk zou kunnen treffen. Immers ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard een geoefend schutter te zijn en vanuit die deskundigheid bekend te zijn met het onvoorspelbare gedrag en het daaraan verbonden gevaar van een ketsende kogel in de vrije ruimte. De verdachte heeft er ter terechtzitting in hoger beroep blijk van gegeven zich te hebben gerealiseerd, dat de baan van een afgeketste kogel vooraf niet valt te voorspellen, aangezien die afhankelijk is van een aantal factoren zoals ook in de pleitnota vermeld. In het thans bewezen verklaarde feit heeft de verdachte onder een hoek van ongeveer 45 graden geschoten op een harde stenen ondergrond. Beide omstandigheden dragen bij - zoals verdachte ter zitting in hoger beroep heeft erkend - aan het met kracht omhoog komen van de ketsende kogel. De ligging van de trottoirtegels kan - zoals verdachte heeft verklaard - een volstrekt willekeurige afbuiging veroorzaken. De verdachte heeft geschoten op een moment, dat hij vrij en onbelemmerd zicht had op het slachtoffer die zich op betrekkelijk korte afstand van hem bevond. Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat een met kracht van een harde ondergrond terugspringende kogel een zich in de nabijheid daarvan bevindend persoon in vitale delen met dodelijk gevolg kan raken. Het hof concludeert dan ook, dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer]. Rekening houdend met het hiervoor overwogene met betrekking tot de voorbedachte rade komt het hof tot het wettig en overtuigend bewijs van het primair tenlastegelegde feit."

3.4 Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof, zowel voor zover dat inhoudt dat hier gesproken kan worden van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel als voor wat betreft de door het Hof aangenomen bewuste aanvaarding door verdachte van die kans.

3.5 De beantwoording van de vraag of de verweten gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.(1)

3.6 Het Hof is uitvoerig op het gevoerde verweer ingegaan en heeft daarbij uiteengezet van welke feiten het, mede gelet op de aangetroffen sporen en de resultaten van het forensisch onderzoek, is uitgegaan. Die komen daarop neer dat de verdachte, die zichzelf een geoefende schutter noemt, nadat hij gewapend met een doorgeladen pistool achter de vluchtende [slachtoffer] was aangegaan, eerst gericht in een hoek van ongeveer 45° heeft geschoten op het trottoir achter [slachtoffer], die toen op een betrekkelijk korte afstand, ongeveer 5 meter, van hem verwijderd was. Daarna heeft de verdachte nog een keer in de lucht geschoten, omdat hij zich realiseerde dat kogels kunnen afketsen.

3.7 Het middel voert in de eerste plaats aan dat het Hof omstandig motiveert dat de kans op dodelijk letsel heeft bestaan, maar dat dat niet meebrengt dat van een aanmerkelijke kans sprake was. Inderdaad heeft het Hof in het slot van zijn overwegingen slechts overwogen dat van algemene bekendheid is dat een met kracht van de grond terugspringende kogel een zich in de nabijheid bevindend persoon in vitale delen met dodelijk gevolg kan raken en dus niet dat daar een aanmerkelijke kans op bestaat. Maar ik meen dat bedoeld deel van 's Hofs overweging in de context van de uiteenzetting in haar geheel aldus moet worden verstaan dat naar 's Hofs oordeel sprake is van een aanmerkelijke kans.

3.8 De casus doet denken aan het geval dat is berecht in HR 28 september 2004, NJ 2004, 660 m.n. D.H. de Jong. In die Antilliaanse zaak had de verdachte, die ook had verklaard het slachtoffer alleen maar bang te willen maken, naar 's Hofs vaststelling op de grond in de richting van het wegrennende slachtoffer geschoten, waarbij deze ter hoogte van het onderbeen was geraakt. Een en ander kon, aldus de Hoge Raad, bij gebreke van nadere vaststellingen omtrent de precieze toedracht niet 's Hofs oordeel dragen dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer dodelijk zou worden getroffen. De door het Hof daarbij in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte een ongeoefende schutter was, maakte dat niet anders. In die zaak was de omstandigheid dat "op de grond in de richting van het slachtoffer " was geschoten (en deze ook was geraakt) - waarbij de ongeoefendheid van de verdachte als een risicoverhogende factor zal zijn beschouwd - dus niet voldoende. Het arrest maakt niet expliciet duidelijk of reeds onvoldoende basis bestond voor het oordeel dat een aanmerkelijke kans aanwezig was of dat het de Hoge Raad specifiek ging om het zogenaamde wilselement, zoals de annotator meent. De omstandigheid dat het gebrek "aan nadere vaststellingen omtrent de precieze toedracht" beslissend is, lijkt mij echter eerder te wijzen op een naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende motivering van het oordeel dat van een aanmerkelijke kans sprake was.

3.9 In deze zaak is enerzijds meer vastgesteld, terwijl er anderzijds, naar het mij voorkomt, weer minder bekend is. Waaruit de grond in de Antilliaanse zaak bestond is niet bekend. Hier is vastgesteld dat verdachte heeft geschoten in de richting van het trottoir, een harde ondergrond vanwaar een kogel, aldus het Hof, met kracht zal terugspringen. Verder is hier ook meer bekend over de afstand tussen schutter en het slachtoffer. Aan de andere kant was in de Antilliaanse zaak vastgesteld dat de verdachte in de richting van de wegrennende persoon had geschoten en deze ook had geraakt. Dat ligt in deze zaak anders.

3.10 Bij verweer was aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld wat de exacte positie was van [slachtoffer] ten opzichte van verdachte en, samenhangend daarmee, in welke richting de verdachte heeft gevuurd. Het Hof heeft in zijn bewijsoverweging overwogen dat de verdachte "eenmaal in de richting van [slachtoffer], maar op relatief geringe afstand achter die wegvluchtende [slachtoffer] gericht op het trottoir heeft geschoten". Dat begrijp ik aldus dat weliswaar gericht op het trottoir is geschoten, maar dan wel op het gedeelte van het trottoir direct achter [slachtoffer], zodat in zoverre in de richting van [slachtoffer] is geschoten.

3.11 Dat oordeel moet dan wel zijn basis kunnen vinden in de gebruikte bewijsmiddelen en dat is mijns inziens niet het geval. De bewijsmiddelen bevatten geen verklaring van [slachtoffer] op dat punt, behalve dat hij, toen hij het eerste schot hoorde, nog op het trottoir liep (bewijsmiddel 4). Dat [slachtoffer] niet meer kan verklaren, is overigens begrijpelijk, omdat hij toen wegvluchtte voor verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard (bewijsmiddel 1) dat hij achter [slachtoffer] is aangerend en dat hij "achter hem gericht op het trottoir [heeft] geschoten" In bewijsmiddel 2 heet het dat hij het eerste schot in de richting van de grond heeft gelost en dat [slachtoffer] kort voor het eerste schot ongeveer vijf meter van hem vandaan stond. Of dat nu was voordat [slachtoffer] op de vlucht sloeg of dat "stond" moet worden gelezen als "zich bevond", is niet helemaal duidelijk.

3.12 Dat [slachtoffer] ten tijde van het eerste schot nog op het trottoir liep, brengt op zichzelf niet mee dat verdachte op een plaats direct achter [slachtoffer] - en dus in diens richting - op het trottoir heeft geschoten (dat kan lijkt mij ook niet volgen uit de niet geheel ondubbelzinnige passage uit bewijsmiddel 1).

Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of wanneer dat wel zou vaststaan, zou kunnen worden gesproken van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] getroffen zou worden en daarbij dodelijk letsel zou oplopen. Zelf betwijfel ik of dat als een feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd. Mijns inziens staat in de gegeven omstandigheden in ieder geval te weinig vast om het bestaan van een zodanige aanmerkelijke kans te kunnen aannemen.

3.13 Het voorgaande brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Gelet daarop zou de tweede klacht van het middel, die inhoudt dat uit de bewijsmiddelen ook niet kan worden afgeleid dat verdachte de door het Hof aangenomen aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, eigenlijk buiten beschouwing kunnen blijven. Ik zal er niettemin kort op ingaan.

3.14 Bij de bespreking van deze klacht van het middel moet veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat verdachte met het eerste schot de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer] dodelijk zou worden getroffen. Naast het bestaan van een aanmerkelijke kans op het intreden van dodelijk letsel is voor voorwaardelijk opzet in een geval als dit ook vereist dat de verdachte die aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard, dat gevolg op de koop toe heeft genomen.

De verdachte heeft verklaard dat het hem er alleen om te doen was om de jongens bang te maken, maar dat is uiteraard niet beslissend. Dat hij zich tegenover [slachtoffer] in ieder geval heeft schuldig gemaakt aan bedreiging en wel in een zeer ernstige vorm, staat overigens wel vast. Indien echter met een vuurwapen in de richting van iemand wordt geschoten onder omstandigheden die een aanmerkelijke kans op het intreden van dodelijk letsel meebrengt, kan dat naar mijn mening in de regel als een gedraging worden beschouwd die naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op dat gevolg, dat het ondanks de andersluidende verklaring van de verdachte - behoudens contra-indicaties - eigenlijk niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.(2) Dan vallen willen en weten praktisch gezien samen.

3.15 De steller van het middel meent dat het Hof heeft miskend dat hier contra-indicaties als in de rechtspraak van de Hoge Raad bedoeld, aanwezig zijn. Voordat ik daar op inga merk ik voor de volledigheid op dat mede tot het bewijs is gebruikt de verklaring van verdachte dat hij zich realiseerde dat een kogel kan afketsen waaraan hij echter heeft toegevoegd dat de kans dat een afgeketste kogel in dit geval iemand zou raken volgens hem klein is. Dat is een gedeelte van de verklaring van verdachte die niet redengevend is voor het bewijs en zelfs als een aanwijzing kan worden gezien dat verdachte de kans op dodelijk letsel niet heeft aanvaard.

3.16 Het middel voert in de eerste plaats aan dat een contra-indicatie als hiervoor bedoeld daarin gelegen is dat de verdachte hoewel die mogelijkheid aanwezig was, er niet voor heeft gekozen om rechtstreeks op [slachtoffer] te schieten. Een zodanig handelen, kan aldus het middel niet worden beschouwd als "zozeer gericht op het dodelijke gevolg", dat daaruit kan worden geconcludeerd dat de aanmerkelijke kans is aanvaard. Dat zie ik niet in: het enkele feit dat er een nog gevaarlijker wijze van handelen denkbaar was, sluit niet uit dat aan wat in feite is gedaan bedoelde gevolgtrekking kan worden verbonden.

Uit een en ander kan wel worden afgeleid dat verdachte, die zich op een betrekkelijk korte afstand van [slachtoffer] bevond en rechtstreeks zicht op hem had, niet het oogmerk had om deze dodelijk te treffen, maar dat brengt niet zonder meer mee dat de verdachte, ervan uitgaande dat de door hem gekozen gedragslijn een aanmerkelijke kan als hiervoor bedoeld in het leven riep, het gevolg niet kan hebben aanvaard. Met andere woorden: dat het doel van verdachte een bedreiging was, sluit niet uit dat de uitvoering daarvan met het daarvoor gekozen en voorhanden geladen vuurwapen, onder zodanige omstandigheden is geschied dat een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel is ontstaan waarvan moet worden aangenomen dat de betrokkene dit op de koop toe heeft genomen.(3)

3.17 In de tweede plaats wijst het middel erop dat het tweede schot in de lucht is afgevuurd. Daaruit volgt dat de verdachte bij die tweede handeling niet het risico heeft willen lopen dat daardoor letsel zou worden toegebracht en dat hij in zoverre het ingeslagen pad niet heeft vervolgd. Maar ook dat betekent niet zonder meer dat ten aanzien van zijn daaraan voorafgaande handeling niet zou kunnen worden geoordeeld dat hij daarbij wel de bedoelde aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

4. Uit het voorgaande volgt dat het middel gegrond is. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie bijv. HR NJ 2003, 552, HR NJ 2005, 154, HR NJ 2006, 123.

2 HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, rubr. 6.

3 Vergelijk voor de klassieke casus van het inrijden op een politieagent HR 15 januari 2008, LJN BA 7888: uitwijken toen de verdachte de politieambtenaar dicht genaderd was - van die manoeuvre was gesteld dat deze wees op een niet-aanvaarden - stond aan 's Hofs oordeel dat voorwaardelijk opzet aanwezig was, niet in de weg.