Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BE7201

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2008
Datum publicatie
17-10-2008
Zaaknummer
C07/037HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2897
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BE7201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Grenzen rechtsstrijd van partijen; afspraak ter comparitie dat onder overlegging van alle gedingstukken uit de andere procedure deze geacht kunnen worden te zijn herhaald en ingelast in de onderhavige procedure; niet voldoende om wat in die stukken aan stellingen en feiten is te vinden als aangevoerd in het onderhavige geding te beschouwen; de partij die zulke stellingen en feiten wil inroepen, dient dit op een zodanige wijze te doen dat dat voor de rechter en de wederpartij duidelijk is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 476 met annotatie van H.J. Snijders
JOL 2008, 741
RvdW 2008, 953
NJB 2008, 1931
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C07/037HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 11 juli 2008

Conclusie inzake

Het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),

eiser tot cassatie

tegen

Baros A.G.,

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) In de onderhavige zaak heeft de verweerster in cassatie, Baros, de eiser tot cassatie, het COA, in vrijwaring opgeroepen en gedagvaard om haar, Baros, te vrijwaren terzake van datgene waartoe Baros op vordering van een derde, Embrica GmbH, mocht worden veroordeeld. Tot goed begrip van de onderhavige zaak draagt dan ook bij, kennisneming van de hoofdlijnen van het geding tussen Embrica (als principaal eiseres in eerste aanleg) en Baros. In die thans eveneens in cassatie aanhangige zaak, met zaaknr. C07/00084HR, waarin ook vandaag (door mij) wordt geconcludeerd, heb ik de voorgeschiedenis en procesgang als volgt beschreven(1):

1) De verweerster in het principale cassatieberoep, Embrica, heeft in juni 1998 met de eiseres in het principale cassatieberoep, Baros, een huurovereenkomst gesloten betreffende een hotelschip dat "Embrica Marcel" heet. Dat schip is op 1 augustus 1998 in Bremen (BRD) aan Baros ter beschikking gesteld. Baros heeft het schip onderverhuurd aan het COA(2). Het COA heeft het schip in oktober 1999 in Nederland in gebruik genomen. De huurovereenkomst vermeldde ook dat het schip bestemd was voor de huisvesting van asielzoekers in Nederland.

2) In § 6 van de huurovereenkomst staat dat Baros bij beëindiging van de overeenkomst het schip moet opleveren, en wel: in de staat waarin het schip van Embrica in ontvangst werd genomen en op de plaats waar het schip laatstelijk werd geëxploiteerd.

Bij brief van 9 juli 2001 hebben Embrica en [betrokkene 1] aan Baros meegedeeld dat het schip op 1 mei 2001 aan [betrokkene 1] was verkocht. Aansluitend heeft Embrica de huurovereenkomst tegen 1 augustus 2002 opgezegd en hebben Embrica en [betrokkene 1] gevraagd om de huurpenningen "tot nader order" aan Embrica te (blijven) betalen.

In een door Embrica geproduceerd koopcontract van april 2001 staat dat het schip (toen) werd gekocht door Reno, een Engelse vennootschap, nauw verbonden met [betrokkene 1].

3) Het schip moest, zoals al werd aangestipt, bij het einde van de huur aan Embrica worden opgeleverd in de staat waarin Baros het in 1998 had ontvangen. Op 31 juli 2002, dus op de datum vóór die waartegen de huur was opgezegd, heeft een eerste inspectie van het schip plaatsgevonden. Daarvan is door [A](3) in september 2002 een rapport opgemaakt. De conclusie daarvan was dat herstel in de staat waarin het schip bij aanvang van de huur was opgeleverd € 193.400,-- aan herstelkosten en € 468.180,-- aan kosten voor herstel van waterschade zou vereisen. In een tweede rapport uit juli 2003 zijn deze kosten door [A] nader begroot op € 742.416,--.

4 ) Embrica vordert in deze zaak in hoofdzaak vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden wegens het feit dat Baros het gehuurde schip niet heeft opgeleverd in de staat waarin het haar, Baros, ter beschikking was gesteld; die schade moet volgens Embrica worden begroot aan de hand van de uit de rapporten-[A] blijkende herstelkosten.

In de eerste aanleg werd deze vordering afgewezen(4),(5). De kantonrechter overwoog daartoe, in essentie, dat de rechtsverhouding naar Nederlands recht moest worden beoordeeld en dat Embrica door de werking van art. 7A:1612 BW ("koop breekt geen huur"), de hoedanigheid van verhuurster had verloren toen Baros aan haar opleveringsverplichting moest voldoen.

5) In appel oordeelde het hof anders (dan de rechter van de eerste aanleg) over de vraag of aan Baros een beroep op art. 7A:1612 BW toekwam; waarbij het hof overigens ook aannam dat de rechtsverhouding naar Nederlands recht moest worden beoordeeld.

Omdat het hof de huurverhouding tussen Baros en Embrica ten tijde van de oplevering als nog niet geëindigd aanmerkte (nu Embrica niet op de voet van art. 7A:1612 BW de hoedanigheid van verhuurster had verloren); en nu als vaststaand viel aan te nemen dat oplevering niet in de "oorspronkelijke staat" had plaatsgehad, achtte het hof de schadevordering van Embrica voor een groot deel toewijsbaar.

2) In de zojuist kort beschreven procedure heeft Baros incidenteel gevorderd, het COA in vrijwaring te mogen oproepen. Die vordering werd toegewezen. De in dit cassatieberoep te beoordelen zaak vormt het uitvloeisel van het aan Baros toegewezen "vrijwaringsverzoek".

Van de procedure in eerste aanleg is nog het vermelden waard, dat daarin een comparitie van partijen is bevolen(6), zowel in de "hoofdprocedure" als in de vrijwaringszaak, en wel: op hetzelfde ogenblik. Het besprokene ter comparitie heeft, althans voor een deel, zijn weerslag gevonden in een brief van de griffier van het kantongerecht aan alle (raadslieden van) partijen van 3 september 2004, die zich in alle dossiers (hoofdzaak en vrijwaringszaak) bevindt. In die brief wordt onder meer de afspraak vastgelegd om de stukken uit de vrijwaringsprocedure in de "hoofdprocedure" over te leggen en daar als "herhaald en ingelast" aan te merken. Uit rov. 1.1 van het thans in cassatie bestreden arrest blijkt dat het hof aanneemt dat ook het "omgekeerde" was afgesproken (dus: dat de stukken uit de "hoofdzaak" in de vrijwaringsprocedure zouden worden "ingebracht" en daar als herhaald en ingelast zouden worden aangemerkt). Tegen dit oordeel van het hof wordt in cassatie geen bezwaar ingebracht.

3) In de eerste aanleg werd Baros' vordering tot vrijwaring tegen het COA vervolgens afgewezen omdat, zoals in alinea 4 van het zojuist geciteerde procesverloop in de "hoofdzaak" al bleek, de "hoofdvordering" ook als niet toewijsbaar werd beoordeeld. Uit alinea 5 van het eerder aangehaalde procesverloop blijkt echter dat de "hoofdvordering" in hoger beroep anders werd beoordeeld (en wel: als grotendeels toewijsbaar).

4) Na de afwijzing van Embrica's vordering in de "hoofdzaak" en nadat van de kant van Embrica hoger beroep was ingesteld, heeft Baros in de vrijwaringsprocedure geappelleerd(7). In dit appel hebben partijen echter volstaan met verwijzing naar hun stellingen van de eerste aanleg - een nader inhoudelijk debat in appel heeft niet plaatsgehad.

Toen, zoals in alinea 3 aangegeven, het hof in de "hoofdzaak" tot een andere uitkomst was gekomen dan de rechter van de eerste aanleg, heeft het hof de vrijwaringszaak herbeoordeeld aan de hand van de stellingen van partijen uit de eerste aanleg. Dat leidde ertoe dat de vrijwaringsvordering in een alleszins beperkte omvang werd toegewezen.

Tot goed begrip vermeld ik nog dat het hof de "hoofdzaak" en de vrijwaringszaak heeft beoordeeld in een stuk dat er naar de vorm als één arrest uitziet. Blijkens rov. 2.3.1 van zijn arrest(en) heeft het hof beide zaken ambtshalve gevoegd, gelet op hun onderlinge samenhang en het feit dat beide zaken tegelijk in staat van wijzen verkeerden(8).

5) Van de te zijnen laste gegeven beslissing heeft het COA tijdig en regelmatig cassatieberoep laten instellen(9). Namens Baros is voor wat betreft de onderdelen 1 a en b en 3, voorzover betrekkelijk tot onderdeel 1, van het middel tot verwerping geconcludeerd, en voor het overige tot referte. Partijen hebben beiden hun standpunten schriftelijk laten toelichten. Namens het COA is gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

6) Als eerste klaagt het middel, in onderdelen 1a en 1b, over het feit dat het hof een schaderapport dat in de "hoofdzaak" wel zou zijn overgelegd maar in de vrijwaringszaak niet, of althans: dat in de vrijwaringszaak niet als deel van de grondslagen van het gevorderde zou zijn gepresenteerd, aan zijn oordeel in de vrijwaringszaak ten grondslag heeft gelegd. (Het gaat dan om een rapport van het bureau [A] van 14 juli 2003, dat in de "hoofdzaak" als productie 12 bij Conclusie van Dupliek in reconventie, tevens akte van 23 juli 2003 in het geding is gebracht. In dat rapport worden belangrijke wijzigingen verdedigd ten aanzien van de schadeopstelling zoals die eerder in de "hoofdzaak" was gepresenteerd. Ook worden daarin voor het eerst gegevens vermeld over schade wegens verlies van inventaris - zie onderdeel 2 van het middel.)

7) Er spelen, als het om beoordeling van deze klacht gaat, een aantal rechtskundige uitgangspunten/vuistregels een rol. Helaas leiden die tezamen niet tot een eenduidige beantwoording van de vraag die deze klacht (hetzelfde geldt trouwens voor de klachten van onderdeel 2 van het middel) oproept. Ik noem:

- bij de begroting van gevorderde schade beschikt de ("feitelijke") rechter over een aanzienlijke "speelruimte"; hij is daarbij niet gebonden aan de "gewone" regels van stelplicht en bewijslast(10).

- zoals het hof in rov. 1.2 van het bestreden arrest opmerkte, betekent het feit dat stukken uit een bepaalde procedure in een andere procedure zijn overgelegd of zelfs "ingelast" niet zonder meer dat de daaruit blijkende gegevens als stellingen aan de procespartijen in de andere procedure mogen worden toegerekend(11). Omgekeerd kán het echter zo zijn dat stellingen uit aldus in het geding gebrachte stukken wél als grondslag voor een vordering of verweer mogen (of moeten) worden opgevat. Naar de "gewone" regels hangt dit ervan af of de wederpartij kon opmerken, dan wel behoorde op te merken dat het betoog van de andere partij hiertoe strekte. De bij het vorige "gedachtestreepje" vermelde vuistregel doet vermoeden dat als het gaat om schadebegroting, de eerstbedoelde partij er eerder op verdacht zal moeten zijn dat de rechter bepaalde gegevens uit niet expliciet aan partijstellingen ten grondslag gelegde bronnen kan "oppikken". Maar: aangezien het hier om een wel heel "basaal" beginsel van eerlijke procesvoering gaat (iedere partij moet kunnen weten waarover het geschil gaat en waarmee zij bij de onderbouwing van haar eis of verweer rekening heeft te houden), is de ruimte voor "vrije garing" door de rechter, denk ik, maar beperkt.

- waar er door partijen, al-dan-niet "onder leiding van de rechter", processuele afspraken zijn gemaakt om bepaalde stukken, of zelfs hele dossiers uit andere procedures, aan te merken als "ingelast" of als "deel uitmakend van de gedingstukken" in "hun" procedure, wordt het door de eerder genoemde twee gegevens al enigszins onheldere beeld nog verder gecompliceerd.

Zoals het hof in deze zaak terecht heeft opgemerkt, blijft ook dan gelden dat het voldoende duidelijk moet zijn welke gegevens ieder van de betrokken partijen nu aan haar vordering en/of verweer ten grondslag legt; maar afspraken zoals hier bedoeld maken het gewoonlijk (aanmerkelijk) moeilijker om te beoordelen, voor welke gegevens nu wel, dan wel juist niet, aan de hier bedoelde maatstaf is voldaan. Bijwege van vuistregel valt immers te stellen dat elke partij alle gegevens die de rechter in het voordeel van het door die partij verdedigde standpunt "opvat", graag aan dat standpunt ten grondslag zou (hebben) willen leggen; en in het algemeen mag ook wel worden verondersteld dat alle betrokkenen bij een afspraak als deze, van de premisse zullen uitgaan dat de rechter met de aldus te zijner beschikking komende gegevens zijn voordeel wil doen - maar dat dan ook binnen wat ruimere grenzen dan zonderdien zouden gelden, mág doen.

8) Het zojuist geschetste samenstel van gegevens maakt het er, zoals ik al even liet blijken, niet eenvoudiger op om in een zaak als deze, waarin al die gegevens aan de orde zijn, de grenzen aan te geven waar de klacht die ik nu wil bespreken op doelt.

Mijn oordeel wordt in dit geval bepaald door het volgende samenstel aan feiten en factoren:

- in de vrijwaringszaak vorderde Baros dat het COA zou worden veroordeeld tot betaling van alles wat Baros in de "hoofdzaak" aan Embrica schuldig zou blijken te zijn;

- het COA was ervan op de hoogte dat Embrica haar vorderingen laatstelijk baseerde op het rapport-[A] van 14 juli 2003;

- het COA heeft, naar de vaststelling van het hof, ermee ingestemd dat de stukken uit de "hoofdprocedure" in de vrijwaringsprocedure werden overgelegd en "als ingelast aangemerkt". Dat gold ook voor het onderhavige rapport-[A] (van 14 juli 2003) en voor het processtuk waarin Embrica haar vordering daarop baseerde(12); en

- het COA heeft vóór de in eerste aanleg gehouden comparitie (en dus vóór de bij gelegenheid van die comparitie gemaakte afspraak) een rapport van Spect Gebouwenconsult aan de rechter en de wederpartij gezonden(13). In dat rapport wordt het rapport-[A] van 14 juli 2003 tot uitgangspunt genomen, en wordt daarop uitgebreid commentaar geleverd. Allicht kon de rechter aannemen dat het COA wenste, dat met wat het aldus onder de aandacht van de rechter (en de wederpartij) bracht rekening zou worden gehouden.

9) Althans bij dit samenstel van factoren, en mede gezien de in alinea 7 hiervoor besproken parameters, denk ik dat het het hof vrij stond om de zaak te beoordelen met als uitgangspunt dat het rapport-[A] van 14 juli 2003 onderdeel uitmaakte van de conflictstof, óók in de vrijwaringsprocedure, en dat dat bij de schadebegroting in aanmerking mocht (of zelfs moest) worden genomen.

Daarom merk ik de klachten van de onderdelen 1a en 1b als ongegrond aan.

10) Die klachten lijken mij ook om een tweede, zelfstandige reden ondoeltreffend: zoals ik het arrest van het hof (en dan in het bijzonder de rov. 6.14 - 6.17) lees, hééft het hof zijn oordeel niet gebaseerd op de bevindingen uit het rapport-[A] van 14 juli 2003, maar op de daarvan gemotiveerd afwijkende bevindingen van het namens het COA overgelegde rapport-Spect waar ik in voetnoot 12 naar verwees. Dat dát rapport wél strookte met het namens een van de partijen (namelijk: het COA zelf) in de vrijwaringsprocedure zélf betrokken standpunt, ligt in hoge mate voor de hand. Het hof kon dus zonder miskenning van recht of logica aannemen dat dat het geval was, en zijn oordeel (vooral) op dat stuk baseren.

11) Een verzuchting terzijde mag ik misschien wel doen: een procesgang zoals die door de hierboven besproken gegevens geïllustreerd wordt, is bepaald ongelukkig. Als de rechter wordt overladen met informatie uit verschillende gedingen, zonder dat telkens duidelijk is aangegeven welke consequenties men aan (ieder van) de desbetreffende gegevens verbonden wenst te zien, schept dat onduidelijkheid. Dat krijgt extra accent in een zaak als deze: daarin was het debat over de schadeomvang in de eerste aanleg vrij beperkt gebleven (er was wel veel feitelijke informatie overgelegd, maar de daarmee gepaard gaande stellingen van partijen waren betrekkelijk summier gebleven). Dat bleef vooralsnog zonder gevolg, omdat de rechter in de eerste aanleg niet over de schadeomvang hoefde te beslissen. Vervolgens werd de appelrechter als uitvloeisel van de "devolutieve werking" wél genoodzaakt daarover te oordelen; en wel op basis van het beperkte partijdebat uit de eerste aanleg, dat geen vervolg in de appelinstantie had gehad.

Maar het is nu eenmaal aan partijen, om op de problemen die op deze manier kunnen ontstaan bedacht te zijn(14). Men kan zich wel afvragen of de consequenties die de hier besproken (vuist)regels met zich kunnen meebrengen, niet aandringen dat het systeem dat daaruit naar voren komt heroverweging behoeft.

12) Onderdeel 2 (met subonderdelen a en b) klaagt dat het hof ook, ten nadele van het COA, het verloren gaan of de waardevermindering van de oorspronkelijk tussen Embrica en Baros meeverhuurde inventaris in aanmerking heeft genomen, terwijl bepaalde gegevens uit het dossier duidelijk maken dat het COA de inventarisgoederen in kwestie nooit in huur heeft gekregen (omdat die bij de ingebruikneming door het COA waren verwijderd, en door een nieuwe, van elders afkomstige inventaris vervangen).

13) Hier manifesteren zich opnieuw de in de alinea's 7 - 11 hiervóór besproken problemen:

In het rapport-[A] van 14 juli 2003 waarover het ook in de onderdelen 1a en 1b gaat, wordt het verloren gaan van de meeverhuurde inventaris als een van de relevante schadeposten opgevoerd, zie p. 27 - 28 en 31 van dat rapport. Zoals ik eerder besprak, heeft het COA ermee ingestemd dat de processtukken van de "hoofdzaak", waaronder het processtuk dat naar dit rapport verwees, in de vrijwaringsprocedure werden overgelegd en als ingelast aangemerkt. Bovendien is in een namens het COA overgelegd rapport-Spect specifiek op dit rapport-[A] van 14 juli 2003 commentaar geleverd; en is onmiskenbaar dat de in het rapport-[A] mede vermelde schade aan de inventaris, begrepen was onder de schade die Embrica door Baros vergoed wilde zien; en lag dus ook in de rede dat de vrijwaringsvordering van Baros mede op die schade zag.

14) Met die gegevens voor ogen valt het hof niet kwalijk te nemen dat het ervan uit is gegaan dat Baros ook de onderhavige schade in de vrijwaringszaak had betrokken; en partijen zijn het er over eens dat het COA niets heeft ingebracht ter betwisting van deze schadepost. Dat in de door Baros in de "hoofdzaak" overgelegde prod. 9 een (duidelijke) aanwijzing staat dat de inventaris niet aan het COA was "meeverhuurd" (maar bij de beschikbaarstelling van het schip aan het COA is verwijderd) doet daaraan niet af. De processtukken vertonen een lijn die erop duidt dat het hier wél om een mede (door Baros) van het COA gevorderde schade ging; en het hof was niet gehouden om de dossiers er in volle omvang op na te pluizen om te bezien of er niet (door partijen overigens geheel onvermeld gelaten) aanwijzingen voor een andere uitleg te vinden waren.

15) Een enigszins prikkelende bijzonderheid in dit verband is, dat namens Baros ten aanzien van deze klachten in cassatie tot referte is geconcludeerd; en dat Baros bij schriftelijke toelichting (alinea 4.5) onomwonden aangeeft dat de klacht inhoudelijk juist is (in dier voege dat de inventaris waarvoor Baros door Embrica aansprakelijk wordt gehouden inderdaad niet aan het COA was "meeverhuurd").

Dit plaatst ons voor een probleem.

16) "Gewone mensen" (althans: niet-juristen) zien hier allicht geen probleem: de partijen zijn het erover eens dat de in cassatie voorliggende beslissing van de "lagere" rechter op een bepaald punt inhoudelijk onjuist is - hoe zou de cassatierechter dan anders kunnen beslissen? Maar voor de vakjurist ligt het iets minder eenduidig. Er wordt in cassatie geklaagd over een beslissing van het hof, die dat hof zonder miskenning van rechtsregels of van logica heeft genomen, en ook zo kon nemen. Hoe zou de cassatierechter die beslissing dan kunnen vernietigen?

17) Is het volgen van de toepasselijke regels van (cassatie)procesrecht hier als verwerpelijk aan te merken "Begriffsjurisprudenz"of letterknechterij, en moet niet het gezonde verstand voorrang krijgen? Ik denk per saldo: tweemaal "nee". Gegeven de manier waarop deze procedure zich heeft ontwikkeld, heeft het hof de zaak op het onderhavige punt correct beslist. Dat inmiddels gebleken is dat de feiten anders liggen dan het hof die uit de stukken kon opmaken levert dan geen grond voor cassatie op. Het staat partijen uiteraard vrij om "minnelijk" hun rechtsverhouding aan de feiten zoals die werkelijk waren aan te passen (en om dus alsnog de in de vrijwaring toegewezen vordering terzake van de inventaris te "elimineren"); maar zij kunnen niet van de cassatierechter verlangen dat die een beslissing vernietigt, waar geen deugdelijk bezwaar in cassatie tegen valt in te brengen.

18) Onderdeel 3 berust op de stelling dat het COA niet hoefde te begrijpen dat het rapport-[A] van 14 juli 2003 in de vrijwaringsprocedure aan de orde was. Zoals ik al aangaf, denk ik dat het hof bij het samenstel van gegevens waarnaar ik in alinea 8 hiervóór heb verwezen, kón (en misschien zelfs wel moest) oordelen, dat het COA dit wel moest begrijpen.

Dat zo zijnde, was het hof niet gehouden het COA nader in de gelegenheid te stellen zich over dit gegeven uit te laten. Ik herhaal dat wij er van uitgaan dat het aan partijen is om zich rekenschap te geven van de eigenaardigheden die uit de "devolutieve werking van het appel" voortvloeien. De partij die ervoor kiest om in appel niet méér te doen dan naar haar standpunt van de eerste aanleg te verwijzen, neemt in dat opzicht een zeker risico. Men begrijpt intussen gemakkelijk dat, zeker wanneer in de eerste aanleg een omvangrijke massa informatie is overgelegd en die door vrij summiere partijstellingen is ondersteund en toegelicht, het voor de appelrechter onbegonnen werk is om de partijen in appel de gelegenheid te geven nader toe te lichten wat zij in de eerste aanleg, bezien vanuit de inmiddels in appel bereikte situatie, onvoldoende hebben toegelicht. Hoe zou die rechter moeten kiezen wát er uit de vele aangevoerde informatie voor nadere toelichting in aanmerking komt? En hoe zou de appelrechter onverantwoord "uitdijen" dan wel vertragen van procedures kunnen beteugelen, als men dit anders zou beoordelen?

19) Ik beoordeel onderdeel 3 daarom als ongegrond.

20) De klacht van onderdeel 4 daarentegen lijkt mij gegrond. Die klacht veronderstelt dat klachten uit het middel in de "hoofdzaak" succes hebben en dat daarom het in de "hoofdzaak" gewezen arrest moet worden vernietigd.

Aangezien het in de vrijwaringszaak gewezen arrest voortbouwt op de schadevergoedings-veroordeling uit de "hoofdzaak" (zie bijvoorbeeld rov. 6.1 van het bestreden arrest), lijkt mij juist dat de overwegingen in de vrijwaringszaak, althans voor een belangrijk deel, "staan of vallen" met de beslissingen uit de andere procedure die zij tot uitgangspunt nemen.

In de "hoofdzaak" concludeer ik vandaag dat de beslissingen van het hof met recht door verschillende klachten worden bestreden, en dat het daar gewezen arrest daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Wanneer de Hoge Raad tot hetzelfde oordeel zou komen, zou de basis aan het oordeel in de vrijwaringszaak komen te ontvallen, en moet ook het arrest in die zaak worden vernietigd(15).

Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest, met verwijzing en verdere beslissingen als gebruikelijk.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De nummering van de voetnoten in het citaat komt (door gelukkig toeval) overeen met die in het "origineel".

2 Het zelfstandige lichaam Centraal Orgaan Opvang asielzoekers, ingesteld bij de Wet van 19 mei 1994, S. 422; zie ook de "Lexplicatie-editie" nr. 3.13a.

3 Dit is, naar uit de stukken kan worden opgemaakt, een bureau dat expertise op het gebied van binnenschepen bezit en aan gegadigden aanbiedt.

4 Baros vorderde in deze procedure in reconventie voorzieningen in verband met door Embrica gelegde conservatoire beslagen. Voor de thans in cassatie voorgelegde vragen zijn de lotgevallen van de reconventionele vordering van Baros niet van belang.

5 (Hier weggelaten. De voetnoot maakt melding van de onderhavige vrijwaringsprocedure.)

6 Bij vonnissen van 14 en 28 april 2004 respectievelijk, waarin de comparitie werd bepaald op 18 juni 2004. Deze datum is blijkbaar later "verzet" naar 3 september.

7 In de vrijwaringsprocedure speelde ook een eis in reconventie van het COA tegen Baros. Deze speelt echter in cassatie geen rol. Ik zal daar dus verder over zwijgen.

8 Volledigheidshalve wijs ik er op dat in de doctrine wordt geleerd dat vrijwaringszaken "van rechtswege" als gevoegd met de hoofdzaak moeten worden aangemerkt - zonder dat dat overigens gevolgen heeft voor de zelfstandigheid van beide procedures. Zie voor bronnen Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Snijders, Titel 2, afdeling 10 § 2, aant. 6.

9 Het in cassatie bestreden arrest is van 24 oktober 2006. De cassatiedagvaarding is op 24 januari 2007 uitgebracht.

10 HR 27 juni 2008, rechtspraak.nl LJN BD1842, rov. 3.4, overigens: een bevestiging van daarvóór al geaccepteerde "rechtsleer" (zie bijvoorbeeld HR 15 november 1996, NJ 1998, 314 m.nt. Grosheide, rov. 3.5.1 en HR 18 april 1986, NJ 1986, 567 m.nt. G, rov. 3.3; zie ook HR 28 juni 1991, NJ 1991, 746, rov. 3.3.)

11 Zie daarover bijvoorbeeld HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342, rov. 3.3.4; HR 31 december 1993, NJ 1994, 387, m.nt. DWFV, rov. 3.4; HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814, rov. 3.5; Snijders - Klaassen - Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2007, p. 233; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. . Voor de verhouding tussen de "hoofdprocedure" en de vrijwaringsprocedure wordt overigens ook wel een minder ver doorgevoerde "scheiding" verdedigd, zie (wederom) Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Snijders, Titel 2, afdeling 10 § 2, aant. 6.

12 De Conclusie van Dupliek in reconventie, tevens akte, in de "hoofdzaak".

13 Dat is gebeurd bij brief van de raadsman van het COA van 18 augustus 2004, genummerd als processtuk 7 in het A-dossier.

14 HR 12 november 2004, NJ 2005, 24, rov. 3.4.

15 Namens het COA wordt in dit verband volgens mij terecht, gewezen op HR 26 september 1997, NJ 1998, 419 (m.nt. PAS onder nr. 420), rov. 3.3.