Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD7479

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2008
Datum publicatie
03-10-2008
Zaaknummer
07/11436
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD7479
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid voor dieren; Vervolg van HR 25 oktober 2002, nr. C01/067, NJ 2004, 556; eigen schuld; billijkheidscorrectie; verklaring voor recht dat manege voor 50% aansprakelijk is voor de tengevolge van een ongeval met een paard geleden en nog te lijden schade (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 713
RvdW 2008, 916
JWB 2008/396
JA 2009/12 met annotatie van K. Aantjes
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/11436

mr. J. Spier

Zitting 11 juli 2008 (bij vervroeging)(1)

Conclusie inzake

Manege Nieuw Amstelland B.V.

(hierna: Nieuw Amstelland)

tegen

[Verweerster]

1. Inleiding en inzet van het geding in cassatie

1.1 Het cassatieberoep richt zich tegen een, na het verwijzingsarrest van Uw Raad van 25 oktober 2002,(2) gewezen arrest van het Hof 's Gravenhage van 16 mei 2007.

1.2 Inzet van het geschil is [verweerster]s vordering voor recht te verklaren dat Nieuw Amstelland aansprakelijk is voor haar (nader bij staat op te maken) schade als gevolg van een haar op 22 juni 1990 overkomen ongeluk met een paard van Nieuw Amstelland.

1.3 Na verwijzing diende het Hof, met inachtneming van de in het verwijzingsarrest geformuleerde rechtsregel, aan de hand van de inhoud van de overeenkomst en de verdere omstandigheden van het geval te beoordelen in hoeverre [verweerster] haar schade zelf zal moeten dragen (rov. 3.5).

2. Procesverloop voor zover thans nog van belang

2.1 Voor een weergave van de feiten en de wijze waarop de procedure tot aan het verwijzingsarrest van Uw Raad is verlopen, zij verwezen naar rov. 1, 3.1 en 3.2 van dit arrest alsmede naar mijn daaraan voorafgaande conclusie onder 1.2 tot en met 2.14.

2.2 Het eerdere cassatieberoep was gericht tegen de afwijzing van de vordering van [verweerster] door het Amsterdamse Hof. Uw Raad heeft dat arrest vernietigd en het geding verwezen naar het Hof 's Gravenhage.

2.3 Het Haagse Hof heeft in zijn onder 1.1 genoemde arrest voor recht verklaard dat Nieuw Amstelland voor 50% aansprakelijk is voor de tengevolge van het ongeval door [verweerster] geleden en nog te lijden schade. Daartoe wordt overwogen:

"4. De voor de beantwoording van voornoemde vraag relevante omstandigheden zijn de volgende. Vast staat dat de lesovereenkomst tussen partijen mondeling is overeengekomen. Niet is gesteld of gebleken dat de Manege daarbij een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot haar aansprakelijkheid voor gebeurtenissen als het onderhavige ongeval. Evenmin is gesteld of gebleken dat de Manege aan [verweerster] in het kader van die overeenkomst toezeggingen heeft gedaan voor het geval zich een ongeval zou voordoen. Het kader van de overeenkomst biedt derhalve in dit geval geen bijzondere aanknopingspunten voor de verdeling van de schade.

De Manege heeft bij conclusie van dupliek afstand gedaan van haar beroep op exoneratie via door haar aangebrachte waarschuwingsborden, zodat hieraan voorbij kan worden gegaan.

[Verweerster] heeft het verweer dat zij al een halfjaar paardrijlessen had gevolgd bij een andere manege en bij de Manege vervolgens nog zeventien binnenlessen had ontvangen niet (voldoende) betwist, zodat hiervan uit kan worden gegaan. Zij kan daarmee niet worden gezien als een volstrekt onervaren ruiter, zij het dat zij ook niet als zeer ervaren of volleerd kan gelden.

Tussen partijen staat vast dat [verweerster] op 22 juni 1990 voor het eerst buiten paard reed. Voordien had zij alleen in de binnenbak van de manege les gehad. Vast staat dat sprake was van een groep van twaalf ruiters en één ervaren instructeur. [verweerster] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting bij dupliek door de Manege van haar ([verweerster]s) stelling dat de meeste ruiters in de groep (zeer) onervaren waren en enkelen zelfs voor het eerst op een paard zaten, haar stelling in hoger beroep niet nader geconcretiseerd. Evenmin heeft zij haar stelling dat één instructeur te weinig was, na de gemotiveerde betwisting hiervan door de Manege, nader geadstrueerd. Aan deze stellingen zal derhalve voorbij worden gegaan. [Verweerster] heeft aangevoerd dat de paarden onrustig waren door het weer, maar dit is betwist door de Manege. [Verweerster] heeft niet betwist dat de Manege haar een paard beschikbaar heeft gesteld dat qua temperament binnen de grenzen bleef die zij, gegeven haar rijkunst aankon, dat sprake was van een bostraject ter vermijding van risico's in het verkeer en dat de hiervoor (..) bedoelde auto stond op een plaats waar auto's niet mogen komen. Voorts staat vast dat de paarden stapvoets liepen. Gelet op deze door de Manege aangevoerde omstandigheden had het op de weg van [verweerster] gelegen om nader aan te geven hoe de onrust van de paarden zich uitte en hoe zij wat het paard dat zij bereed daarmee omging voor het ongeval. Nu zij dat heeft nagelaten zal ook aan deze stelling van [verweerster] worden voorbij gegaan. Ten slotte heeft de Manege niet betwist dat zij verzekerd is voor schade zoals geleden door [verweerster]. [Verweerster] heeft geen op risico's als de onderhavig toegesneden verzekeringsovereenkomst gesloten.

5. Het hof stelt voorop dat het tot uitgangspunten bij de verdeling van de schade neemt enerzijds de omstandigheid dat het onberekenbare gedrag van het paard in beginsel ex artikel 1404 BW (oud) voor rekening van de Manege komt en anderzijds het gegeven dat tussen de Manege en [verweerster] mondeling is overeengekomen dat [verweerster] door de Manege gegeven lessen volgt. Het hof acht in dat laatste kader meer in het bijzonder van belang het gegeven dat de Manege op zichzelf zorgvuldig gehandeld heeft bij de keuze van de instructeur, de te volgen route en het door [verweerster] bereden paard, alsmede het gegeven dat de ervaring van [verweerster] met paarden indertijd beperkt was, de omstandigheid dat [verweerster] geen rijfout heeft gemaakt en het feit dat de Manege voor een risico als zich in dit geval verwezenlijkt heeft, verzekerd is. Het hof wijst er evenwel op dat het de eigen keuze van [verweerster] is geweest deel te nemen aan een rijles te paard in het Amsterdamse Bos, dat het ook voor [verweerster] kenbaar was dat paarden onberekenbaar gedrag kunnen vertonen en dat haar ervaring met paarden beperkt was, terwijl zij voor het eerst buiten de Manege paard reed. Dit alles afwegend is het hof van oordeel dat een redelijke en billijke verdeling ex artikel 6:101 BW van de schade meebrengt dat [verweerster] en de Manege ieder de helft hiervan dragen. Dit leidt ertoe dat de door de Manege voorgedragen grief gedeeltelijk slaagt en gedeeltelijk faalt. Voldoende staat vast dat sprake is van de mogelijkheid van schade, zodat de verwijzing naar de schadestaat toewijsbaar is.

6. Nu de grief gedeeltelijk slaagt, bestaat aanleiding het beroepen vonnis te vernietigen. De bewijsaanbiedingen van de Manege en [verweerster] dienen als te vaag - nu zij onvoldoende duidelijk zijn betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen - dan wel niet terzake dienende - nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen tot andere oordelen aanleiding geven - te worden gepasseerd."

2.5 Nieuw Amstelland heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Tegen [verweerster] is verstek verleend. Nieuw Amstelland heeft haar standpunt kort schriftelijk toegelicht.

3. 's Hofs oordeel nader beschouwd

3.1 Het Hof geeft in rov. 4 en 5 uitvoerig aan welke feiten en omstandigheden tot zijn oordeel hebben geleid. In zoverre is het glashelder en inzichtelijk.

3.2 Minder duidelijk is langs welke juridische weg het Hof het aan het slot van rov. 5 genoemde resultaat heeft bereikt. Gesproken wordt van "een redelijke en billijke verdeling". Deze bewoordingen wijzen op toepassing van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW. Niets wijst erop dat het Hof zich eerst de vraag heeft gesteld naar de causale bijdrage van iedere partij. Dat valt in zoverre te begrijpen dat de - zoals al vaker benadrukt m.i. minder doordachte wettelijke - maatstaf in veel zaken vrijwel onwerkbaar is.

3.3.1 Er kunnen zich inderdaad omstandigheden voordoen waarin de rechter over de onderlinge causaliteit heen mag stappen en de zaak afhandelt op grond van de billijkheidscorrectie. Zo'n benadering dringt zich vooral op - en heeft ook de zegen van Uw Raad - wanneer sprake is van een sterk uiteenlopende ernst van de over en weer gemaakte fouten als gevolg waarvan de schadevergoedingsverplichting geheel vervalt of instand blijft.(3)

3.3.2 Er is m.i. geen klemmende reden waarom de zo-even genoemde benadering per se beperkt zou moeten blijven tot situaties waarin het gaat om een sterk divergerende ernst van de gemaakte fouten. Maar dat laat onverlet dat voorzichtigheid past om al te gemakkelijk over de primaire maatstaf van art. 6:101 lid 1 BW heen te stappen; zeker in gevallen waarin het - zoals in casu - niet gaat om algeheel verval of instandhouding van de schadevergoedingsverplichting. Dat is m.i. alleen mogelijk en geoorloofd wanneer de juistheid van de louter op de billijkheid gebaseerde uitkomst zich opdringt.(4)

3.4 In cassatie wordt over 's Hofs juridische benadering niet geklaagd. Verdedigbaar is m.i. dat reeds daarmee het doek over de wél gepostuleerde klachten valt. Deze dwingen immers tot een beoordeling van de zaak in het verkeerde perspectief dan wel tot beoordeling van de in cassatie evenmin aan de orde gestelde vraag(5) of de door het Hof bijgebrachte feiten en omstandigheden dat oordeel kunnen dragen. Daartoe moet een rechter zich m.i. niet laten verleiden.

3.5.1 De hier voorgestane afhandeling heeft als bijkomend voordeel dat na na twaalf jaar procederen in elk geval één belangrijke kwestie is beslecht. Uit het debat na verwijzing valt af te leiden dat de weg die leidt naar vergoeding van [verweerster]s schade nog lang kan zijn.

3.5.2 Volledigheidshalve stip ik nog aan dat 's Hofs uitkomst m.i. allerminst bevreemdt. Het Hof had daartoe m.i. eveneens kunnen komen langs de juiste weg.(6) Dat ligt m.i. in het verwijzingsarrest besloten. De boodschap daarvan is - kort samengevat - dat in situaties waarin iemand krachtens overeenkomst met de eigenaar (bezitter) een dier berijdt, terwijl door een van buiten komende oorzaak schade aan de berijder ontstaat, in beginsel geen grond bestaat voor een alles(7) op niets(8)-oplossing. Dat is - wellicht behoudens bijzondere omstandigheden - slechts anders ingeval de tussen partijen gesloten overeenkomst daartoe noopt.

3.5.3 Het al te gemakkelijk wegpoetsen van de gevolgen van een door de wetgever in het leven geroepen risico-aansprakelijkheid zou zich ook moeilijk verdragen met het recente arrest over de nasleep van een brand in de Leeuwardense veehallen,(9) al ging het daar om een juridisch andere kwestie (te weten de omvang van de toerekening op de voet van art. 6:98 BW).

3.6.1 Het is wellicht nog dienstig erop te wijzen dat het eerdere arrest van Uw Raad in deze zaak uiteenlopende reacties heeft opgeroepen. Sommige auteurs hebben benadrukt dat, los van een eventuele andersluidende contractuele regeling of verwijtbaar handelen van de benadeelde, de strekking van art. 6:179 BW is dat het risico van het onberekenbare gedrag van een dier voor rekening komt van de eigenaar;(10) Hijma ziet meer in 2/3 of 50% vergoedingsplicht.(11) Anderen nemen aan dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een vuistregel geldt dat uit de aard en strekking van de overeenkomst voortvloeit dat het risico van 's diers onberekenbaarheid gedeeltelijk voor rekening van de berijder komt.(12)

3.6.2 Hartkamp zou willen aannemen "dat indien een reactie van het dier waarop de overeenkomst betrekking heeft, in het kader van de overeenkomst niet onverwacht is, deze (..) gezien de strekking van de overeenkomst voor rekening van de benadeelde komt en dat art. 179 buiten toepassing blijft."(13) Het gaat hier allicht om gevallen waarin voor beide partijen (en met name ook de benadeelde) duidelijk was dat zulks de strekking van de overeenkomst was. Of dat het geval is, is m.i. in overwegende mate een feitelijke kwestie. Ik zou het niet al te gemakkelijk willen aannemen; met name ook niet, laat staan zonder meer, in situaties als de onderhavige.

3.7 De sterren voor het middel staan eens te meer ongunstig omdat het antwoord op de vraag met welk percentage de verplichting tot schadevergoeding in een concreet geval, gelet op de in ogenschouw genomen omstandigheden, moet worden verminderd, sterk is verweven met een beoordeling van feitelijke aard en daarmee slechts in beperkte mate vatbaar voor toetsing in cassatie.(14)

4. Bespreking van het middel

4.1 Volgens het eerste onderdeel heeft het Hof het oordeel van Uw Raad slechts herhaald, maar niet toegepast.

4.2 Deze klacht faalt omdat het Hof in rov. 4 en 5 uitvoerig aangeeft welke feiten en omstandigheden tot zijn oordeel hebben geleid.

4.3 Volgens het tweede onderdeel heeft het Hof niet gerespondeerd op twee in de memorie na verwijzing door Nieuw Amstelland geëtaleerde stellingen, waarmee volgens haar, "een beroep [is] gedaan op omstandigheden binnen de risicosfeer van de berijder die een volledige risicotoedeling aan de berijder rechtvaardigen".

4.4 Deze klacht mislukt al aanstonds omdat zij kennelijk is gezet in de sleutel van de - door het Hof evenwel niet toegepaste - primaire maatstaf van art. 6:101 BW; zie onder 3.2.

4.5.1 De klacht voldoet bovendien niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat wel wordt gesteld dat, maar niet wordt uitgelegd waarom de in het onderdeel geciteerde stellingen omstandigheden als onder 4.3 genoemd zouden opleveren. Het valt ook niet in te zien omdat art. 6:179 BW nu juist bescherming beoogt te bieden tegen het onberekenbare karakter van een dier en - toegespitst op de onderhavige casus - het paard juist irrationeel reageert op objectief bezien onschuldige en ongevaarlijke gebeurlijkheden als in het onderdeel genoemd. Bovendien is, zonder gedegen toelichting - die evenwel ontbreekt - onduidelijk waarop de bewering is gebaseerd dat de paarden dat anders zagen.

4.5.2 Het Hof heeft niet miskend dat in de gegeven omstandigheden, waarop het tweede citaat ziet, de schade voor een deel voor rekening van de benadeelde moet blijven. Nieuw Amstelland vindt dat evenwel niet genoeg, maar meent dat de vergoedingsplicht geheel vervalt. De hier bedoelde omstandigheid is daarvoor evenwel volstrekt onvoldoende, zoals ook blijkt uit het verwijzingsarrest van Uw Raad. De parallel met bijvoorbeeld ski-ongevallen miskent dat daarvoor naar Nederlands recht geen risico-aansprakelijkheid geldt.

4.6 Ik laat dan nog maar daar dat:

a. niet wordt aangegeven waar in het betrokken processtuk de stellingen waarop de klacht steunt, zijn te vinden en

b. niet wordt aangegeven dat de stellingen al vóór verwijzing door Uw Raad zijn betrokken. Op zich én in het licht van het - ook voor ons land geldende - mensenrechtelijke imperatief dat procedures over "civil rights" niet onredelijk lang mogen duren, kan m.i. niet worden aanvaard dat stellingen die zonder bezwaar in een eerder stadium hadden kunnen worden vertolkt eerst na verwijzing worden geuit.(15)

4.7 Onderdeel 3 neemt met juistheid tot uitgangspunt dat in een concreet geval denkbaar is dat de schadevergoedingsverplichting geheel vervalt. Als ik goed begrijp, wordt het Hof verweten aan [verweerster] niet iedere vergoeding te hebben ontzegd. Dat had het Hof wel moeten doen omdat sprake was van "aan overmacht gelijke situaties".

4.8 Deze klacht mislukt reeds omdat de eigenaar (bezitter) niet met vrucht beroep op overmacht in de hier bedoelde zin kan doen.(16) Nog daargelaten dat niet wordt aangegeven dat - laat staan waar - in feitelijke aanleg beroep op overmacht is gedaan, welk beroep een beoordeling van feitelijke aard zou vergen. Evenmin wordt vermeld waar eerder zou zijn aangevoerd dat sprake was van "plotselinge en onvoorziene gebeurtenissen met een hoog voor paarden schrikaanjagend effect" welk risico door [verweerster] willens en wetens heeft aanvaard; trouwens een volstrekt ongeloofwaardige stelling omdat zij kennelijk leunt op de gedachte dat deze situatie voorzien was.

4.9 Bovendien geeft het onderdeel zelf aan dat ongewis is wat de precieze oorzaak is van de reactie van het paard. Dan ligt erg weinig voor de hand om de schadevergoedingsverplichting geheel te laten vervallen.

4.10 Het onderhavige cassatieberoep is m.i. om een groot aantal redenen volstrekt kansloos en leent zich daarom voor afhandeling op de voet van art. 81 RO.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het gaat hier om een ongeval in 1990 (!) waarbij letsel is ontstaan Het vorige HR-arrest werd in 2002 gewezen. Het heeft tweeënhalf jaar geduurd voordat de zaak (door het slachtoffer) aan de verwijzingsrechter werd voorgelegd. Inmiddels sleept deze procedure bijna 12 jaar. Onder deze weinig bevredigende omstandigheden wordt heden bij vervroeging geconcludeerd; een verdere bijdrage aan een adequate rechtsbedeling kan ik niet leveren.

2 NJ 2004, 556 JH.

3 Zie HR 13 januari 2006, NJ 2006, 59 en HR 3 juni 2005, 286; zie ook Asser-Hartkamp 4-I (2004) nr 452a.

4 Vgl. mijn conclusie voor HR 3 juni 2005, NJ 2005, 286 onder 3.12 e.v. Genuanceerder, want alleen in gevallen waarin de schadevergoedingsverplichting geheel vervalt of instand blijft, Asser-Hartkamp 4-I (2004) nr 452a. Zie nader ook A.L.M. Keirse, AV&S 2006 blz. 185 e.v. Uit rov. 3.4 van het verwijzingsarrest van Uw Raad blijkt m.i. duidelijk dat het niet de bedoeling was dat het verwijzingshof slechts naar de billijkheidscorrectie zou grijpen.

5 De cassatieklachten zitten immers op een ander spoor. Zij verwijten het Hof een of meer omstandigheden niet in zijn oordeel te hebben betrokken. Dergelijke klachten doen evenwel niet ter zake zolang 's Hofs op de billijkheid(scorrectie) geënte oordeel niet met vrucht wordt bestreden. Immers moeten de klachten worden beoordeeld in het kader van de primaire maatstaf van art. 6:101 BW. Daarvoor is evenwel geen plaats nu het middel niet opkomt tegen 's Hofs benadering waarin voor die maatstaf geen plaats is ingeruimd.

6 In zijn NJ-noot onder het verwijzingsarrest geeft Hijma m.i. overtuigend aan dat wel iets nuttigs over de primaire maatstaf had kunnen worden gezegd: 2004, 556 sub 6 en 7.

7 Zie expliciet rov. 3.5 van het verwijzingsarrest.

8 Dat staat met zoveel woorden in rov. 3.4: de strekking van art. 6:179 BW is dat het onberekenbare gedrag van een dier in beginsel voor rekening van de eigenaar komt. Rov. 3.5 voegt daaraan toe dat dit niet anders is wanneer het dier ter beschikking wordt gesteld in het kader van een door of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven paardrijles. Zie eveneens rov. 3.6.

9 HR 25 april 2008, NJ 2008, 262.

10 P.W.L. de Kuijer en G.E. van Maanen, NTBR 2003 blz. 123; E.M. van Orsouw, NbBW 2002 blz. 160; een opvatting die ook in mijn aan het verwijzingsarrest voorafgaande conclusie werd verdedigd.

11 NJ 2004, 556 sub 7.

12 A.J. Verheij, Onrechtmatige daad (2005) blz. 135 en T.F.E. Tjong Tjin Tai, Bb 2003 blz. 6/7.

13 Asser-Hartkamp III (2006) nr 193.

14 Onder meer HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214.

15 Zie meer Asser/Procesrecht, Veegens-Korthals Altes-Groen nr 200.

16 PG boek 6 blz. 763; Asser-Hartkamp III nr 199.