Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD5511

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-09-2008
Datum publicatie
05-09-2008
Zaaknummer
C07/092HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD5511
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Onvoldoende gespecificeerd aanbod tot het leveren van nader bewijs (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 636
RvdW 2008, 817
JWB 2008/343
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C07/092HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 20 juni 2008

conclusie inzake

[De vrouw]

ook wel genaamd:

[de vrouw]

tegen

[De man]

ook wel genaamd:

[de man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: de vrouw, ingestelde cassatieberoep tegen het tussen verweerder in cassatie, hierna: de man, als appellant en de vrouw als gentimeerde gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 14 december 2006 berust op één middel. Dit middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat de Hoge Raad het middel kan verwerpen met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

2. Het middel klaagt dat het hof, door in r.o. 2.5 van het bestreden arrest het aldaar bedoelde bewijsaanbod van de vrouw te verwerpen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het bewijsaanbod van de vrouw dient te worden gekwalificeerd als tegenbewijs tegen het in eerste aanleg en in hoger beroep door de man bijgebrachte bewijs dat de man de Egyptische nationaliteit heeft behouden/herkregen, zodat het hof ingevolge art. 151 lid 2 Rv dit bewijsaanbod niet had mogen passeren.

3. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De door het middel betrokken stelling dat het bedoelde bewijsaanbod van de vrouw gekwalificeerd dient te worden als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, vindt geen steun in het bestreden arrest. In eerste aanleg heeft de rechtbank, blijkens r.o. 4.9 van haar tussenvonnis van 18 juni 2003, geoordeeld dat op de vrouw de bewijslast rust van haar door de man bestreden stelling dat de man afstand heeft gedaan van zijn Egyptische nationaliteit. De rechtbank overweegt immers dat zij de desbetreffende stelling van de vrouw voorshands bewezen acht en dat de man zal worden toegelaten tot tegenbewijs. Bij haar eindvonnis van 26 november 2003 heeft de rechtbank geoordeeld dat de man niet is geslaagd in het tegenbewijs waartoe hij bij het tussenvonnis was toegelaten (r.o. 2.6). In hoger beroep heeft de man grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in het tegenbewijs niet is geslaagd. Tegen het oordeel van de rechtbank inzake de bewijslastverdeling zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het hof aan dat oordeel was gebonden. Dit betekent dat het door de vrouw bedoelde bewijsaanbod niet kan worden gekwalificeerd als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, doch aangemerkt dient te worden - zoals het hof kennelijk ook heeft gedaan door aan het bewijsaanbod van de vrouw de eis te stellen dat het voldoende gespecificeerd is - als een aanbod tot het leveren van nader bewijs. Daarop is art. 151 lid 2 Rv niet van toepassing.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,