Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD5019

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
01047/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD5019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. Taak griffie. Memobriefje. De akte instellen rechtsmiddel houdt als GBA-adres in adres A en voorts als post/verblijf/huidig adres eveneens adres A. Op de akte is een memobriefje geplakt met “adres B. Postadres”. De akte van uitreiking houdt niet in dat een afschrift is verzonden naar een ander adres dan adres A. O.g.v. art. 588a Sv dient een afschrift van de appeldagvaarding naar een ander adres dan het GBA-adres worden gezonden als bij het instellen van een rechtsmiddel een ander adres in NL is opgegeven. Met het oog hierop is in art. 451.1 Sv bepaalt dat de griffier aan degene die het rechtsmiddel instelt, vraagt naar het adres in NL waaraan de dagvaarding kan worden toegezonden. Mede gelet op de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de opgave van zo een van het GBA-adres afwijkend adres heeft de HR in HR LJN AD5163 gewezen op de taak van de griffie om uitdrukkelijk navraag te doen naar de actuele adresgegevens van verdachte en niet zonder meer het uit de stukken blijkende adres over te nemen en bepaald dat het afwijkende adres in de akte rechtsmiddel moet worden vermeld. Het op de appelakte aangebrachte briefje met daarop “adres B. Postadres” geeft grond aan het vermoeden dat verdachte bij het instellen van het HB naast zijn GBA-adres A tevens het (post)adres B heeft opgegeven en dat dit ten onrechte niet in de akte rechtsmiddel is vermeld. Dat briefje geeft dus grond aan het vermoeden dat de appelakte in dat opzicht onjuist is opgemaakt. ’s Hofs arrest houdt niets in ter ontzenuwing van dit vermoeden, zodat het niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 521
NJ 2008, 379
RvdW 2008, 698
NJB 2008, 1524
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 01047/07

Mr. Bleichrodt

Zitting 22 april 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 5 oktober 2006 de verdachte bij verstek ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring als in het arrest omschreven.

2. Mr. I. E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel bevat klachten, daarop neerkomende dat het Hof ten onrechte is gekomen tot het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is, althans dat de zaak niet behoefde te worden aangehouden, althans dat die oordelen nadere motivering behoefden, nu de verdachte niet is opgeroepen op het door hem bij het instellen van het appel (naast het daarin opgegeven GBA-adres) opgegeven postadres.

3.2 De akte van uitreiking gehecht aan de zich bij de stukken bevindende appèldagvaarding houdt in dat die dagvaarding met inachtneming van art. 588, eerste lid onder b sub 1° in verbinding met lid 3, aanhef onder c Sv op 20 september 2006 aan de Griffier van de Rechtbank Amsterdam is betekend. Uitgegaan is van het GBA-adres van de verdachte [b-straat 1] te [plaats A], waar de verdachte volgens het aan die dagvaarding gehechte GBA-overzicht op de dag van de aanbieding en vijf dagen nadien stond ingeschreven. Het oordeel van het Hof dat de dagvaarding op de juiste wijze was betekend, geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De op dat oordeel betrekking hebbende klacht en de klacht dat verdachte ook op een ander adres had moeten zijn opgeroepen (gedagvaard) is dus ongegrond.

3.3 Iets anders is of in het belang van de realisering van het aanwezigheidsrecht nog een afschrift van die dagvaarding had moeten worden toegezonden naar een ander adres. Die vraag is in HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 (rov. 3.38) bevestigend beantwoord voor het geval de betrokkene bij het instellen van hoger beroep in de appèlakte een ander adres heeft opgegeven dan dat waarop hij is ingeschreven in het GBA, waaronder mede is begrepen een postadres.

In deze zaak is van toepassing de Wet van 23 maart 2005 (Wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken), Stb. 175. Daarin is onder meer een aantal in de rechtspraak van de Hoge Raad geformuleerde regels met betrekking tot de verzending van een afschrift van de dagvaarding aan een ander voorhanden adres dan het GBA-adres gecodificeerd.

3.4 Ingevolge het bij die wet ingevoegde art. 588a Sv kan de verdachte onder meer bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel een adres in Nederland opgeven, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, in welk geval - aanvullend - een afschrift van de dagvaarding of oproeping dient te worden gezonden naar dat adres, behoudens de hier niet van belang zijnde uitzonderingen genoemd in het derde lid.

Art. 590, derde lid, Sv bepaalt dat de rechter als niet aan de verzendplicht ingevolge art. 588a Sv is voldaan, de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting beveelt, tenzij, kort gezegd, blijkt dat verdachte van de dag van de terechtzitting op de hoogte was, dan wel kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.

3.5 De akte van uitreiking houdt niet in dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is toegezonden aan enig door de geadresseerde opgegeven adres in Nederland, dat afwijkt van zijn GBA-adres.

Het middel stelt dat uit de akte waarbij hoger beroep is ingesteld blijkt dat de verdachte naast het adres waarop hij in het GBA was ingeschreven expliciet ook een postadres heeft opgegeven, te weten [a-straat 1] te [woonplaats], zodat aan bedoelde verzendplicht niet is voldaan. De vraag is of dat inderdaad het geval is of beter gezegd of het kennelijke oordeel van het Hof dat die situatie zich niet voordoet, onbegrijpelijk is.

3.6 Bij de stukken bevindt zich de appèlakte, inhoudende dat de verdachte op 19 juni 2006 in persoon hoger beroep heeft ingesteld. Die akte houdt in dat verdachte woonde aan de [b-straat 1], [postcode] [plaats A] (het GBA-adres) en voorts

(i) is in die akte getypt: "post/verblijf/huidig adres: [b-straat 1], [postcode] [plaats A]", terwijl

(ii) op die akte een geel papiertje is geplakt(1) met de handgeschreven, niet ondertekende of geparafeerde tekst:

"Adres op [a-straat 1] [woonplaats]. Postadres."(2)

Ik merk nog op dat [a-straat 1] te [woonplaats] het adres is waarop verdachte blijkens het aan de appèldagvaarding gehechte GBA-overzicht voordien - tot 21 maart 2006 - stond ingeschreven (en waarop hij blijkens het aan de aanzeggging in cassatie gehechte GBA-overzicht ook in 2007 ruim drie maanden ingeschreven is geweest).

3.7 Genoemd memopapiertje bevat geen verdere gegevens dan hiervoor zijn vermeld en dus ook geen gegevens die een directe band leggen met de onderhavige zaak. Verder is zoals gezegd, niet duidelijk wie dat briefje heeft geschreven en zelfs niet wanneer dat op de akte rechtsmiddel is bevestigd of terechtgekomen. Gelet daarop is verdedigbaar dat het kennelijke oordeel van het Hof dat niet blijkt dat een ander adres is opgegeven, niet onbegrijpelijk is.

3.8 Toch zou ik die kant niet willen opgaan. Juist omdat sprake is van [a-straat 1], een adres waar verdachte tot voor kort stond ingeschreven, lijkt het erop dat bij het instellen van het appèl wel sprake is geweest van een postadres en wel van de [a-straat 1]. Daarop wijst ook de omstandigheid dat in de getypte tekst al van een postadres sprake is, zij het dat daarbij - gelet op het al vermelde GBA-adres van de verdachte zinloos en dus blijkbaar bij vergissing - is ingetypt: [b-straat 1] te [plaats A]. Een en ander wekt mijns inziens het vermoeden dat bij het instellen van het hoger beroep inderdaad een (ander) (post)adres is genoemd en dat de desbetreffende griffie-ambtenaar meende door het schrijven en bevestigen van bedoeld papiertje - een uit administratief oogpunt uiteraard volstrekt inadequate werkwijze - dat adres te kunnen vastleggen, zulks in afwijking van wat in de getypte tekst al (ten onrechte) als postadres was opgenomen.

3.9 Gelet op deze bijzondere omstandigheden meen ik dat het Hof had moeten doen blijken te hebben onderzocht of verdachte bij het instellen van het hoger beroep [a-straat 1] als postadres heeft opgegeven. Anders gezegd: 's Hofs in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat daarvan geen sprake was, zodat geen afschrift van de dagvaarding hoefde te worden gezonden naar enig ander, van het GBA-adres afwijkend, adres, en dat de behandeling van de zaak in afwezigheid van de verdachte kon worden voortgezet, is naar het mij voorkomt in het licht van de stukken van het geding niet zonder meer begrijpelijk.(3)

3.10 Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

4.1 Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof in zijn strafmotivering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot de keuze van een vrijheidsbenemende straf hebben geleid.

4.2 Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het feit, mede gelet op de persoon van de verdachte, diens draagkracht en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op professionele wijze een groot aantal hennepplanten geteeld die kennelijk bestemd was voor de handel in hennep, een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Het hof acht de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf van zes maanden in beginsel passend en geboden.

Naar het oordeel van het hof heeft de strafvervolging van de verdachte niet plaatsgehad binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM. Daarbij overweegt het hof het volgende.

Getracht is de mededeling van het in eerste aanleg gewezen verstekvonnis van 5 februari 2004 aan de verdachte te betekenen op 27 februari 2004, 8 juli 2004 en 24 februari 2005 op het adres [c-straat 1] te [plaats B]. Niet is gebleken dat nadien is geprobeerd de verstekmededeling aan de verdachte te betekenen. Uit een bij de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep gevoegd GBA-overzicht van 20 september 2006 blijkt dat de verdachte vanaf 21 maart 2002 tot 30 oktober 2002 was ingeschreven op voormeld adres te [plaats B], in de periode vanaf 30 oktober 2002 tot 20 april 2005 geen vaste woon- of verblijfplaats had, vanaf 20 april 2005 tot 21 maart 2006 was ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [woonplaats] en vanaf 21 maart 2006 is ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats A]. Hieruit volgt dat na 24 februari 2005 niet elk jaar is getracht de verstekmededeling te betekenen op het bij de GBA bekende adres van de verdachte. De verdachte heeft op 19 juni 2006 hoger beroep ingesteld.

In voormelde omstandigheden ziet het hof aanleiding, in plaats van een gevangenisstaf van zes maanden, een gevangenisstraf van vijf maanden op te leggen.

Met betrekking tot de verbeurdverklaring overweegt het hof dat met behulp van de inbeslaggenomen assimilatielampen het bewezen geachte feit is begaan en die inmiddels zijn vernietigd."

4.3 Het Hof heeft overwogen dat gelet op de omstandigheden waaronder het feit was gepleegd, in het bijzonder de omstandigheid dat sprake was van professionele teelt van een groot aantal hennepplanten, dat kennelijk bestemd was voor de handel in hennep, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden was, waarbij echter gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, is volstaan met een gevangenisstraf van vijf maanden.

4.4 Aldus heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat niet kon worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan de opgelegde vrijheidstraf en heeft het deze straf toereikend gemotiveerd. Vergelijk in dit verband bijvoorbeeld een drietal op 3 juli 2007 gewezen arresten van de Hoge Raad (LJN BA3128, BA3133 en BA4994), in twee waarvan de raadslieden in de onderhavige zaak zijn opgetreden en een desbetreffend middel hadden voorgesteld.

4.5 Het middel faalt en komt in aanmerking voor afdoening op de wijze als voorzien in art. 81 RO.

5. Het eerste middel acht ik gegrond. Dat brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ik neem aan dat dat ook het geval was toen het Hof de zaak behandelde.

2 Op de zich ook bij de stukken voorkomende fotokopie van de appèlakte lijkt het erop dat die handgeschreven tekst ook in de akte zelf is opgenomen. Vermoedelijk baseren de raadslieden zich ook op een dergelijke fotokopie.

3 Of verdachte daadwerkelijk door de gang van zaken is geschaad en niet op de hoogte is gekomen van de dag van de terechtzitting, is overigens nog maar de vraag, welke vraag in cassatie echter niet kan worden onderzocht. Het heeft nogal wat moeite gekost om het verstekvonnis van de Rechtbank aan verdachte in persoon te betekenen. Uiteindelijk is dat op 7 juni 2006 en dus betrekkelijk kort voor de betekening van de appèldagvaarding gelukt, en wel op het adres [b-straat 1] te [plaats A].