Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD4878

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
01521/07
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2006:AZ4322
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD4878
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid OM. CAG over schending van het vertrouwensbeginsel i.v.m. een sepot. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 695
RvdW 2008, 928
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01521/07

Mr Machielse

Zitting 17 juni 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 11 december 2006, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van vier maanden.

2. Mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem heeft cassatie ingesteld. Mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen, althans dat 's hofs motivering van de verwerping van het verweer onbegrijpelijk is.

3.2. Het hof heeft ten laste van verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 23 augustus 2005 in de gemeente Wierden als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Rondweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) schade was toegebracht"

3.3. Voor een volledig overzicht van de zaak geef ik ook de relevante inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg weer:

"De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:

(...)

2. een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de JD te Almelo, betreffende verdachte, d.d. 11 mei 2006.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging.

De raadsman voert aan dat hij van mening is dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is nu uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat het openbaar ministerie de zaak heeft geseponeerd wegens recente bestraffing. Cliënt mocht er dan ook op vertrouwen dat hij niet verder zou worden vervolgd.

De officier deel hierop desgevraagd mede dat er geen kennisgeving naar verdachte is gestuurd waarop is aangegeven dat hij niet verder zou worden vervolgd voor de onderhavige feiten. Hetgeen de raadsman aanvoert is een mededeling geweest naar de Centrale Justitiële Documentatie Dienst (CJD), die deze mededeling blijkbaar op het strafblad, wat de raadsman in het bezit heeft, heeft vermeld. Op het recente strafblad d.d. 11 mei 2006 van verdachte staat dit niet meer vermeld. Hij acht zich wel ontvankelijk.

De raadsman antwoordt hierop dat zijn cliënt inderdaad geen kennisgeving heeft gehad, maar dat hij nu hij het strafblad heeft gezien er op mocht vertrouwen dat hij niet verder vervolgd zou worden. Het strafblad dat hij heeft ontvangen dateert van maart 2006.

Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De politierechter deelt mede dat hij de officier van justitie wel ontvankelijk acht in zijn strafvervolging nu uit de stukken niet blijkt hetgeen ook niet wordt betwist dat verdachte een kennisgeving niet verdere vervolging heeft gehad wegens een sepot recente bestraffing. Een mededeling op het uittreksel justitiële heeft geen enkele rechtskracht en daaruit kan niet het vertrouwen worden gewekt dat door de raadsman wordt gesteld."

3.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bevat voor zover van belang het volgende:

"De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:

(...)

- een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister, gedateerd 13 november 2006;

(...)

De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:

Het hoger beroep richt zich tegen de verwerping van het beroep op de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit.

Ik heb aan de politierechter een uittreksel van het justitieel documentatieregister van mijn cliënt laten zien. Ik heb dit uittreksel in maart 2006 met de stukken ontvangen. In dit uittreksel stond dat het onderhavige feit geseponeerd was. Ik heb dat toen ook met mijn cliënt besproken. Het kan zijn dat ik het uittreksel bij de rechtbank heb laten liggen. Ik heb het nu in ieder geval niet meer en kan het dus niet meer bewijzen. Ik heb in eerste aanleg ook betoogd dat mijn cliënt erop mocht vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden. Op de eerste dagvaarding was alleen overtreding van art. 107 WVW tenlastegelegd. De dagvaarding werd ingetrokken en toen mijn cliënt opnieuw werd gedagvaard stond het misdrijf, het onderhavige feit, er ook ineens op.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Stel dat het betreffende uittreksel inderdaad een sepotbeslissing vermeldde van het onderhavige feit, dan nog heeft deze melding geen enkel rechtsgevolg. Deze vermelding kan niet gelden als een mededeling van een sepotbeslissing door de officier van justitie aan verdachte. Er is geen sprake van een opgewekt vertrouwen en daarom is er ook geen sprake van niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De raadsman voert het woord tot de verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.

De advocaat-generaal repliceert, zakelijk weergegeven:

In de door de raadsman besproken gevallen is er inderdaad sprake van een mededeling van het openbaar ministerie aan de verdachte en/of de raadsman. Dat is hier niet aan de orde. In het schaduwdossier zit een memo, gedateerd op 16 januari 2006, met een sepotvoorstel van de parketsecretaris aan de officier van justitie. Daarop laat deze op 10 februari 2006 weten het niet eens te zijn met het sepotvoorstel. Voor beide feiten (en niet slechts de overtreding) moet worden gedagvaard. Hier is het mis gegaan. Terwijl de discussie nog gaande was, is er kennelijk al een mededeling naar de justitiële documentatiedienst uitgegaan. Er is echter nooit een sepotbeslissing genomen.

De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:

Als de communicatie binnen het openbaar ministerie niet soepel is gelopen en er een mededeling door de parketsecretaris is gedaan, en dat moet, anders komt het niet in het Justitieel Documentatieregister terecht, dan is deze miscommunicatie aan het openbaar ministerie toe te rekenen, nu de aantekening van de sepotbeslissing in het documentatieregister langs reguliere weg aan de verdediging bekend is gemaakt."

De pleitnota van de raadsman houdt het volgende in:

"Ontvankelijkheid OM inzake schending vertrouwensbeginsel.

Op 6 december 2005 is [verdachte] in de zaak met parketnummer 08/710752-05 door de meervoudige kamer van de rechtbank te Almelo onherroepelijk veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het betrof tweemaal een gekwalificeerde diefstal, beiden gepleegd op 23 augustus 2005.

In de onderhavige zaak (08/770031 -06) is [verdachte] in eerste instantie gedagvaard voor de zitting van de politierechter (7) van 13 april 2006 wegens overtreding van art. 107, eerste lid WVW, gepleegd op 23 augustus 2005.

In deze zaak heeft de raadsman zich gesteld op 6 maart 2006.

De processtukken zijn naar de raadsman verzonden op 21 maart 2006. Bij deze stukken bevond zich een uittreksel Justitiële Documentatie, waarin de beslissing van het Openbaar Ministerie was opgenomen om de zaak met parketnummer 08/770031 voor wat betreft de verdenking inzake art. 7 WVW te seponeren wegens "recente bestraffing".

Deze beslissing is via de raadsman (mondeling) ter kennis gebracht van [verdachte]. Op 7 april 2006 ontving de raadsman het telefonisch bericht dat de dagvaarding voor de zitting van 13 april 2006 was ingetrokken.

Op 15 mei 2006 heeft de raadsman de dagvaarding voor de zitting van 6 juli 2006 ontvangen. In deze dagvaarding is, in strijd met de eerdere sepotbeslissing, het misdrijf van art. 7 WVW, gepleegd op 23 augustus 2005, ten taste gelegd.

Kennelijk is de sepotbeslissing op enig moment door het OM teruggedraaid.

Echter, door de sepotbeslissing en kennisneming daarvan door [verdachte] is bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij voor deze zaak niet meer zou worden vervolgd.

Het oordeel van de politierechter, dat de mededeling in de justitiële documentatie geen rechtskracht heeft en dat daaraan geen vertrouwen kan worden ontleend, is onjuist.

De sepotbeslissing is immers genomen door het OM; door de daartoe bevoegde instantie derhalve. Anders komt deze beslissing niet bij de Justitiële Documentatie Dienst. Bovendien wordt dat door de officier van justitie ter zitting in eerste aanleg bevestigd. Vervolgens is de beslissing via een reguliere weg, namelijk door toezending van de processtukken, ter kennis gekomen van de verdachte.

Cm die reden is het CM niet ontvankelijk in de vervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

VgI:

NJ 1985,41

NJ 1989, 379

NJ 1997, 484

NJ 2004, 508

NJ 2006, 180

Hof Arnhem Nbsr 2006, 201

Hof 's-Hertogenbosch LJN: AY9467

Rb Assen Nbsr 2006, 32

Rb Breda Nbrs 2006, 387"

3.5. Het hof heeft het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en op die grond in de strafrechtelijke vervolging van verdachte niet kan worden ontvangen. Daartoe voert hij aan dat hij zelf verdachte er mondeling van in kennis heeft gesteld, dat uit de hem in eerste aanleg toegezonden processtukken, in het bijzonder een uittreksel van het justitieel documentatieregister, was gebleken dat de strafzaak tegen verdachte ter zake van artikel 7 Wegenverkeerswet 1994, ingeschreven onder hetzelfde parketnummer 08/770031 als waarvan in deze zaak sprake is, door het openbaar ministerie was geseponeerd wegens "recente bestraffing".

Verdachte heeft hieraan vervolgens het gerechtvaardigde vertrouwen ontleend dat hij ter zake van dit feit geen vervolging meer te duchten had, zodat het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van dat strafbare feit niet-ontvankelijk is,

Het hof kan de verdediging in deze stelling niet volgen, nu de enkele registratie in bedoeld documentatieregister, waarvoor een ander overheidsorgaan dan het openbaar ministerie verantwoordelijk is, niet oplevert een toezegging of een rechtens relevante schijn van een toezegging van een overheidsorgaan, dat daartoe bij uitsluiting bevoegd is, te weten het openbaar ministerie. Dit zou alleen dan anders kunnen zijn, indien de raadsman als (rechtsgeleerd) procesdeelnemer bij het openbaar ministerie enigerlei bevestiging van deze vermelding zou hebben verzocht en verkregen. Zulks geldt temeer, nu dit register - anders dan sommige andere registers - geen openbare functie vervult, in die zin dat gegevens daaruit voor derden, die het register raadplegen, mogen gelden als juist en betrouwbaar. Integendeel, het valt naar de ervaring leert, niet uit te sluiten dat gegevens uit het justitieel documentatieregister soms achterhaald, onvolledig of zelfs onjuist blijken te zijn, zodat daaraan op zichzelf nog geen rechtens relevant vertrouwen kan worden ontleend. Het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn strafvervolging van verdachte wordt op deze gronden verworpen."

3.6. Het middel klaagt dat 's hofs overweging dat een ander overheidsorgaan dan het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor de gegevens die in het documentatieregister worden opgenomen onjuist is, nu de justitiële informatiedienst immers wat betreft de aangeleverde informatie omtrent de vervolging afhankelijk is van het openbaar ministerie. Nu in casu de informatie afkomstig zou zijn van de parketsecretaris, is sprake van een door een ondergeschikte van het openbaar ministerie opgewekt vertrouwen. Voorts zou 's hofs overweging dat de gegevens in het register niet zonder meer mogen gelden als juist en betrouwbaar onbegrijpelijk zijn, nu procesdeelnemers in de regel uitgaan van de juistheid van die gegevens. De omstandigheid dat door de raadsman geen (schriftelijke) bevestiging van de sepotbeslissing aan het openbaar ministerie is verzocht, zou er niet aan af doen dat de mondelinge mededeling voldoende is om bij een verdachte een gerechtvaardigd vertrouwen op te wekken.

3.7. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Zo'n geval doet zich voor wanneer het openbaar ministerie tot vervolging overgaat terwijl bij de verdachte op grond van door het openbaar ministerie gedane - of aan deze toe te rekenen - toezeggingen, de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij niet zal worden vervolgd.(1) Het handelen of nalaten van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan raakt in het algemeen niet het recht van het openbaar ministerie om tot strafvervolging over te gaan.(2)

3.8. Het hof heeft overwogen dat de enkele registratie in het documentatieregister, waarvoor een ander overheidsorgaan dan het openbaar ministerie verantwoordelijk is, niet oplevert een toezegging of een rechtens relevante schijn van een toezegging van een overheidsorgaan, dat daartoe bij uitsluiting bevoegd is, te weten het openbaar ministerie. Hiermee heeft het hof niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat in casu geen sprake is van een toezegging van een dienst die over het vervolgingsbeleid gaat.(3) Deze dienst kan de instantie die daar wel over gaat, het openbaar ministerie, daarom niet zomaar binden.(4) Dat de in bedoeld uittreksel vermelde justitiële gegevens afkomstig kunnen zijn van onder meer het openbaar ministerie(5), daargelaten of zij van een officier van justitie of de ondergeschikte van de officier van justitie, de parketsecretaris afkomstig waren, doet daaraan niet af. In dit verband wijs ik op de zaak die leidde tot HR 16 april 2002, LJN AE0055, waarin eveneens werd geklaagd over de verwerping door het hof van een gevoerd verweer omtrent de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met een sepotvermelding in het uittreksel justitieel documentatieregister van verdachte. Het hof verwierp het verweer met de overweging dat het vermeende sepot alleen bleek uit een uittreksel uit het documentatieregister dat primair voor intern justitieel gebruik is bestemd en er geen sepotmededeling door de officier van justitie aan verdachte had plaatsgevonden, op welke gronden het hof het vertrouwensbeginsel niet geschonden achtte. Mijn ambtgenoot mr. Fokkens was van oordeel - mede op de grond dat de advocaat-generaal had betoogd dat de vermelding in het uittreksel als een kennelijke vergissing moest worden beschouwd(6) - dat 's hofs oordeel niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was. De Hoge Raad deed het middel dat zich richtte tegen de overwegingen van het hof met art. 81 RO af.

Voorts zijn 's hofs overwegingen - kort gezegd - dat de gegevens in het uittreksel soms onjuist zijn en het anders had kunnen liggen indien de raadsman bij het openbaar ministerie enigerlei bevestiging van de vermelding in het Uittreksel had verzocht, evenmin onbegrijpelijk. Van een rechtsgeleerd raadsman mag verwacht worden dat hij de juistheid van de op zijn cliënt betrekking hebbende gegevens verifieert.

3.9. Aldus heeft het hof het verweer op goede gronden verworpen en het openbaar ministerie terecht ontvankelijk verklaard in de vervolging.

4. Het voorgestelde middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 29 mei 1978, NJ 1978, 358; HR 1 april 1997, NJ 1998, 287; HR 13 september 1988, NJ 1989, 403; HR 6 juni 1989, NJ 1990, 117.

2 HR 22 maart 1988, NJ 1989, 161 en HR 17 december 1985, NJ 1986, 591, m.nt. ThWvVö HR 28 oktober 2003, LJN AL4369. Zie voorts Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, vijfde druk, p. 69.

3 De Justitiële Informatiedienst ressorteert onder de Minister van Justitie, vgl. ook art. 2 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (de Minister van Justitie verwerkt in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging).

4 Zie ook HR 20 januari 2004, NJ 2004, 508 m.nt. Schalken. In de kennisgeving vanwege het parket bij de HR over de afloop van een cassatieprocedure was een vergissing geslopen. In de kennisgeving was vermeld dat de HR het cassatieberoep van het OM tegen de vrijspraak in hoger beroep had verworpen, terwijl de HR juist deze vrijspraak had vernietigd en de zaak had teruggewezen. Verdachte werd nu wel veroordeeld ondanks een beroep op het vertrouwensbeginsel, erop neerkomende dat de verdachte mocht vertrouwen op de inhoud van de kennisgeving van de PG bij de HR en ervan uit mocht gaan dat de eerder gegeven vrijspraak onherroepelijk was geworden. De HR overwoog dat aan een onjuiste weergave van het dictum van een arrest van de HR in de door het parket gezonden kennisgeving verdachte niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat het OM hem niet meer zou vervolgen. Van belang was dat het parket bij de HR geen deel uitmaakt van het openbaar ministerie en dat het ging om een administratieve vergissing.

5 Art. 10 Besluit justitiële gegevens.

6 Zoals in casu de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft opgemerkt bevindt zich in het dossier een memo, gedateerd 16 januari 2006, met een sepotvoorstel van de parketsecretaris aan de officier van justitie, die daarop op 10 mei 2006 heeft laten het niet eens te zijn met het sepotvoorstel; voor beide feiten moet worden gedagvaard. Volgens de advocaat-generaal is er terwijl de discussie nog gaande was, kennelijk al een mededeling naar de justitiële documentatiedienst gegaan; er zou echter nooit een sepotbeslissing genomen zijn.