Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD3699

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
07/10685
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD3699
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Begrip “voorhanden hebben” a.b.i. art. 5.1.b van de Wet op de accijns. Het Hof heeft, zonder miskenning van art. 5.1.b Wet op de accijns, kunnen oordelen dat verdachte en zijn medeverdachte in NL hoeveelheden wodka voorhanden hebben gehad die niet in de accijnsheffing waren betrokken a.b.i. die bepaling. De bewezenverklaring is in dit opzicht naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2009, 22
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10685

Mr. Knigge

Zitting: 3 juni 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.F.M. Wasser, advocaat te 's-Hertogenbosch, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel richt zich met vier grieven (a t/m d) tegen de bewezenverklaring door het Hof en tegen 's Hofs bijzondere bewijsoverwegingen.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode hij in de periode van 7 maart 2001 tot en met 6 april 2001 te Middelharnis en/of Sprang-Capelle, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 van de Wet op de accijns, opzettelijk hoeveelheden accijnsgoederen, namelijk alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d van genoemde wet, te weten 16.068 liter wodka van het merk Rushmore en 16.200 liter wodka van het merk Rushmore en16.248 liter wodka van het merk Rushmore, voorhanden heeft gehad welke niet overeenkomstig de bepalingen inzake de Wet op de Accijns in de belastingheffing zijn betrokken."

5. Het arrest van het Hof bevat voorts de volgende bewijsoverwegingen:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - op gronden als verwoord in zijn pleidooi aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring voor het "voorhanden hebben" van de ten laste gelegde accijnsgoederen te komen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is onder meer het volgende gebleken:

- Getuige [getuige 1] is hoofd van de afdeling [A] BV te [plaats], welk bedrijf een onderdeel is van de distilleerderij [B] BV te [plaats];

- Op 9 januari 2001 heeft [getuige 1] telefonisch contact gehad met [betrokkene 1] over de levering van flessen Rushmore vodka;

- [getuige 1] heeft in verband hiermee in 2001 driemaal een ontmoeting gehad met [betrokkene 2], die zich presenteerde als vertegenwoordiger van het bedrijf [C] uit Spanje;

- Bij de derde ontmoeting met [getuige 1] werd [betrokkene 2] vergezeld door [verdachte], welke zich voorstelde als zakenpartner van [betrokkene 2];

- [getuige 1] heeft voor 2001 al eerder zakelijk contact gehad met het duo [betrokkene 2] en [verdachte], welke toen contactpersonen waren voor een bedrijf genaamd [D];

- [getuige 1] heeft bij een fotoconfrontatie de verdachten [verdachte] en [betrokkene 2] herkend als de "[betrokkene 2]" en "[verdachte]" waarover hij spreekt in zijn verklaringen;

- De bestellingen werden gedaan op naam van het bedrijf [C], gevestigd te Spanje;

- [B] BV heeft zich vergewist dat [C] accijnsgoederen onder opschorting kan ontvangen (bijlage 30-32)

- Het betreft uiteindelijk drie zendingen die door [B] BV zijn verkocht en geleverd;

- Zending 1 betreft 16.068 liter vodka 40%, merk Rushmore, ordernummer 138077, ten bedrage van fl. 25.548,12 d.d. 8 maart 2001;

- Zending 2 betreft 16.200 liter vodka 40%, merk Rushmore, ordernummer 138622, ten bedrage van fl. 25758,00 d.d. 29 maart 2001;

- Zending 3 betreft l6.248 liter vodka 40%, merk Rushmore, ordernummer 138887 ten bedrage van fl. 25834,32 d.d. 30 maart 2001;

- [B] B.V. heeft daarbij telkens Administratieve Geleide Documenten (hierna te noemen: AGD's) opgemaakt met als plaats van bestemming: [C] S.A., [a-straat 1] in [plaats] te Spanje;

- Zending 1 is op 8 maart 2001 is afgehaald bij [A] BV te [plaats];

- De zendingen 2 en 3 zijn door transporteur [E] BV (hierna te noemen: de transporteur) op respectievelijk 28 maart 2001 en 30 maart 2001 opgehaald bij [A] BV te [plaats] en naar Sprang-Capelle overgebracht alwaar ze op het bedrijfsterrein van de transporteur zijn gestald;

- [betrokkene 2] heeft de oorspronkelijke AGD's van de zendingen 2 en 3 van de transporteur gekregen en heeft deze (doen) vervangen door andere AGD's en CMR-vrachtbrieven;

- Bij de stukken bevindt zich met betrekking tot zending 3 een CMR inhoudende als naam van de verzender [F] NV "for [H] sao paulo brasil" en als plaats van verzending Mechelen;

- Als geadresseerde staat op dat stuk vermeld [G] Stockholm Zweden (bijlage D/013);

- Zowel zending 3 als zending 2 zijn door [betrokkene 3], een chauffeur van de transporteur naar Zweden vervoerd in de periode eind maart, begin april 2001;

- [betrokkene 3] is - terwijl hij één van deze zendingen transporteerde - op 9 april 2001 in Zweden door de autoriteiten aangehouden omdat hij "in strijd met de invoerregulatie ongeveer 17.000 liter sterke drank naar Zweden heeft ingevoerd" (bijlage 1 behorende bij AH/01);

- Bij hem werd onder meer aangetroffen een bescheid waarin staat vermeld dat de lading is bestemd voor [plaats] Spanje;

- [getuige 1] heeft op 17 mei 2001 contact gehad met [betrokkene 2] én [verdachte] waarbij zij hem hebben verzekerd dat de documenten met betrekking tot de aanzuivering nog zouden worden toegestuurd;

- [betrokkene 2] heeft op 28 mei 2001 AGD's ter zuivering aan [A] gezonden met betrekking tot de drie zendingen vodka op welke AGD's in het Spaans gestelde stempels zijn geplaatst (bijlage D/015)

- De Spaanse autoriteiten hebben medegedeeld dat de op de AGD's vermelde accijnsgoederen, in tegenstelling tot de vermeldingen op de AGD's, niet in het belastingentrepot van [C] S.A. zijn aangekomen;

- De Spaanse autoriteiten hebben tevens medegedeeld dat de afdrukken van de douanestempels en de aantekeningen op de achterzijde van de drie AGD's vals zijn.

Voorts is ter terechtzitting onder meer het volgende gebleken.

- [getuige 1] heeft verklaard dat de zendingen 1 en 2 zijn betaald, doch de derde zending niet;

- In het dossier bevindt zich een stuk van de ABN-AMRO met betrekking tot een kasstorting d.d. 6 april 2001 ten bedrage van fl. 25.758,00 "ref Voadka [C]", ten gunste van [A] [plaats] gedaan door "[verdachte], [woo[plaats]", welke kasstorting heeft plaatsgevonden bij een kantoor van de ABN-AMRO gevestigd aan de [b-straat] te [plaats];

- In het dossier bevindt zich een stuk van de ABN-AMRO met betrekking to[plaats] kasstorting op 19 maart 2001 ten bedrage van fl. 25.548,12, ordernr. 138077, ten gunste van [A] [plaats] gedaan door "[C] s.a. [plaats] Espana, welke kasstorting heeft plaatsgevonden bij een kantoor van de ABN-AMRO gevestigd aan de [b-straat] te [plaats];

- de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [betrokkene 2] de loopjongen van [verdachte] is.

Op[plaats]d van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien en tevens het bovenstaande in aanmerking nemend, staat naar het oordeel van het hof niet alleen vast dat [betrokkene 2] de bewezenverklaarde hoeveelheden accijnsgoederen voorhanden had, terwijl deze niet overeenkomstig de bepalingen inzake de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken maar dat dit evenzeer geldt voor [verdachte] nu er tussen [betrokkene 2] en [verdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

[betrokkene 2] en [verdachte] hebben bij [B]/[A] een drietal partijen wodka besteld. Zij hebben het doen voorkomen alsof de partijen - onder opschorting van de accijns - naar Spanje zouden worden vervoerd naar [C], terwijl in ieder geval de zendingen 2 en 3 in werkelijkheid naar Zweden zijn vervoerd.

Ten aanzien van alle drie de AGD's die door [betrokkene 2] ter zuivering van de drie zendingen aan [A] zijn verzonden staat vast dat deze valselijk zijn opgemaakt: de 3 zendingen wodka zijn nimmer aangekomen bij [C] en ook de geplaatste douanestempels blijken vals. Ook zending 1 is dus niet bij [C] aangekomen.

Naar het oordeel van het hof hebben verdachte en zijn medeverdachte met hun hiervoor geschetste en uit de bewijsmiddelen blijkende handelwijze beoogd te verhullen dat de drie partijen wodka in werkelijkheid naar een andere bestemming zijn vervoerd.

Het "doorverkopen" en verstrekken van een andere AGD namens [H] waarin als plaats van verzending Mechelen en als eindbestemming Zweden was opgenomen maakt naar het oordeel van het hof deel uit van het samenstel van handelingen om te verhullen dat de wodka, terwijl de daarvoor verschuldigde accijns niet was voldaan, niet conform de wettelijke regels naar een andere bestemming werd vervoerd.

Dat het bedrijf [H] te Brazilië volgens [betrokkene 1] een bedrijf van [betrokkene 2] is, geeft steun aan voormeld oordeel.

De Wet op de accijns en de daarbij behorende regelgeving kent een strikt stelsel van regels met betrekking tot de verschuldigheid van accijns en de mogelijkheden - zonder dat dit als uitslag wordt aangemerkt - accijnsgoederen te vervoeren van een accijnsgoederenplaats naar een andere accijnsgoederenplaats of een belastingentrepot.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben met de hiervoor weergegeven wijze van handelen in strijd met dit stelsel gehandeld.

Al het vorenoverwogene in aanmerking genomen hadden naar het oordeel van het Hof de verdachte en zijn mededader de wodka voorhanden zoals bedoeld in art. 5 eerste lid onder b Wet op de accijns en wisten zij ook dat die wodka niet in de heffing betrokken was.

Deze conclusie geldt ook ten aanzien van de eerste zending en wordt mede gebaseerd op de sterk op elkaar lijkende feiten en omstandigheden met betrekking tot de eerste zending enerzijds en de zendingen 2 en 3 anderzijds."

6. Grief a houdt in dat het Hof een onjuiste betekenis heeft toegekend aan het begrip "voorhanden hebben" als bedoeld in de Wet op de accijns. Daarvoor wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2002, NJ 2003, 594, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat (r.o. 2.3.1.) de verschuldigdheid van douanerechten eerst ontstaat op de plaats en dus ook op het tijdstip waarop een eerste handeling wordt verricht die naar objectieve maatstaven kan worden aangemerkt als onttrekking aan douanetoezicht van de onder een regeling voor extern douanevervoer geplaatste goederen, en dat (r.o. 2.4.) dit van overeenkomstige toepassing is in het geval van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een hoeveelheid accijnsgoederen die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.

7. Aangevoerd wordt dat de goederen niet in Nederland voorhanden zijn geweest op een moment dat zij waren onttrokken aan de belastingheffing. Dit omdat de eerste handeling die naar objectieve maatstaven kan worden aangemerkt als onttrekking aan de Wet op de accijns, zou hebben plaats gevonden op "het moment dat de accijnsgoederen in Zweden aan de accijnsheffing werden onttrokken" en dus pas nadat de goederen Nederland hadden verlaten.

8. Voor een duidelijk overzicht van het stelsel van accijnsheffing en het ontstaan van de verschuldigdheid van accijns verwijs ik naar de conclusie van 28 januari 2008 van mijn ambtgenote mr. M.E. van Hilten in de zaak 43740, voor zover inhoudende:

"8.2. Het systeem van schorsing

8.2.1. De accijns is een objectieve belasting welke aanknoopt bij de productie en de invoer van als accijnsgoed aangewezen goederen.(1) In wezen vormen de productie en de invoer derhalve de belastbare feiten voor de accijns. Het stelsel van heffing voorziet evenwel in een systeem op basis waarvan de productie, de opslag en de verwerking van accijnsgoederen plaatsvinden onder schorsing van accijns in daartoe aangewezen locaties, welke in de accijnsrichtlijnen worden aangeduid als 'belastingentrepot' en welke in Nederland te boek staan als 'accijnsgoederenplaats' of, afgekort, 'AGP'.(2) Om in de woorden van artikel 11, tweede lid, van richtlijn 92/12/EEG van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, PB EG L76 van 23 maart 1992 (hierna: Horizontale richtlijn) te blijven: "Wanneer de accijns niet voldaan is, vinden de produktie, de verwerking en het voorhanden hebben van accijnsprodukten plaats in een belastingentrepot".(3) Aan verschuldigdheid c.q. heffing van accijns wordt derhalve niet toegekomen zolang accijnsgoederen zich in AGP bevinden. In de Nederlandse regelgeving is dit uitgangspunt neergelegd in artikel 5, eerste lid, van de Wet accijns, welke bepaling als volgt luidt:

"Het is niet toegestaan:

a. een accijnsgoed te vervaardigen buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen;

b. een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken."

Reeds hier zij opgemerkt dat in het tweede tot en met vierde lid van artikel 5 van de Wet accijns voor bepaalde situaties ontheffing wordt verleend van het, in het hier geciteerde eerste lid opgenomen, verbod. Ik kom daarop terug in 8.4.

8.2.2. Niet alleen de vervaardiging, de opslag (het 'voorhanden hebben') en de verwerking van accijnsgoederen vinden onder schorsing van accijns plaats, ook het vervoer van onveraccijnsde accijnsgoederen kan onder schorsing van accijns plaatsvinden, althans indien het betreft (i) accijnsgoederen die zich onder een douaneregeling (niet zijnde in het vrije verkeer brengen) op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden c.q. daarbinnen worden vervoerd (art. 5, tweede lid, van de Horizontale richtlijn en artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet accijns), (ii) accijnsgoederen die van AGP naar AGP worden vervoerd (artikel 15, eerste lid, van de Horizontale richtlijn en artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet accijns), (iii) accijnsgoederen die - bijvoorbeeld vanuit een AGP - worden vervoerd naar een zogeheten geregistreerd of niet-geregistreerd bedrijf (artikel 16 in verbinding met artikel 4, aanhef en onderdelen d en e, van de Horizontale richtlijn en artikel 2, derde lid, aanhef en onderdelen c en d, van de Wet accijns) en (iv) accijnsgoederen die zich onder een schorsingsregeling bevinden en worden uitgevoerd (artikel 19, vierde lid, van de Horizontale richtlijn en artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet accijns). Worden accijnsgoederen onder schorsing van accijns vervoerd, dan dient dit vervoer te geschieden onder dekking van een document, het zogenoemde administratieve-, of accijnsgeleidedocument, doorgaans afgekort tot AGD.(4)

8.2.3. In de Nederlandse regelgeving is de verplichting om het vervoer van onveraccijnsde goederen onder dekking van een geleidedocument te doen plaatsvinden uitgewerkt in het op artikel 80 van de Wet accijns gebaseerde artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit accijns (hierna: Uitv.Besl.). Het eerste lid van laatstvermeld artikel bepaalt dat het brengen van een accijnsgoed van de ene naar de andere AGP dient te kunnen worden aangetoond met een geleidedocument. Het geleidedocument kan op verzoek achterwege blijven indien (artikel 2, vijfde lid van het Uitv.Besl.):

"a. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht beschikt over een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen; en

b. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht bij zijn aangifte opgave doet van de door hem in het tijdvak waarover de aangifte wordt gedaan zonder geleidedocument overgebrachte accijnsgoederen".(5)

8.3. Verschuldigdheid

8.3.1. De verschuldigdheid in Nederland van accijns ontstaat bij invoer en bij de zogeheten uitslag van een accijnsgoed. Nu partijen(6) én het Hof in onderhavige zaak ervan uitgaan dat bij (c.q. onmiddellijk voorafgaand aan) de aflevering van de afvalolie geen sprake is van invoer en er in de gedingstukken geen aanwijzingen zijn dat dit standpunt onjuist is, laat ik een bespreking van het belastbare feit invoer verder rusten. Of in casu aan verschuldigdheid van accijns kan worden toegekomen, hangt derhalve af van de vraag of de afvalolie is 'uitgeslagen'. Hetgeen daaronder moet worden verstaan is in de Nederlandse wetgeving geregeld in de artikelen 2 tot en met 2h van de Wet accijns. Van deze bepalingen kunnen in de onderhavige zaak echter alleen de artikelen 2 en 2f een rol spelen. Ik beperk mij dan ook tot deze artikelen, welke - voor zover van belang - als volgt luiden:

"Artikel 2

1. In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder uitslag het brengen van een accijnsgoed buiten een plaats die voor dat soort accijnsgoed als accijnsgoederenplaats is aangewezen.

(...)

3. Als uitslag wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar:

a. een andere accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen.

(...)

5. De voorwaarden als bedoeld in het derde lid hebben betrekking op formaliteiten waaraan bij de overbrenging van accijnsgoederen moet worden voldaan.

6. Bij ministeriële regeling kan (...) voor minerale oliën waarvoor in artikel 27 geen tarief is vermeld, ontheffing worden verleend van de formaliteiten, bedoeld in het vijfde lid.

(...).

Artikel 2f

Als uitslag wordt mede aangemerkt het in strijd met artikel 5 vervaardigen van een accijnsgoed alsmede het voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken."

8.3.2. Op grond van de Horizontale richtlijn is het de 'uitslag tot verbruik'(7) welke leidt tot verschuldigdheid van accijns (artikel 6, eerste lid). Als zodanig wordt ingevolge de tweede alinea van artikel 6, eerste lid, van de Horizontale richtlijn beschouwd:

"a) iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling;

b) iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze, van deze producten buiten een schorsingsregeling;

c) elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze produkten, wanneer deze produkten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst."

8.3.3. De hiervoor aangehaalde artikelen 2 en 2f van de Wet accijns moeten worden geacht hun communautaire basis te vinden in artikel 6, eerste lid, van de Horizontale richtlijn en dienen derhalve in overeenstemming met deze bepaling te worden uitgelegd."

9. AG van Hilten onderscheidt in r.o. 8.2.2 vier gevallen ((i) t/m (iv)) als het gaat om het vervoer van onveraccijnsde accijnsgoederen onder schorsing van accijns. Geval (i) ziet op vervoer van goederen die van buiten de EU komen dan wel vervoerd worden naar een land buiten de EU. De onderhavige zaak valt onder (ii): het betreft accijnsgoederen die van AGP naar AGP worden vervoerd. Het middel berust op de opvatting dat het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2002, NJ 2003, 594 (ook) betrekking heeft op deze tweede situatie.

10. Die opvatting komt mij niet juist voor. Het genoemde arrest bouwt voort op het in r.o. 1.2 van dat arrest weergegeven antwoord van het Hof van Justitie op een gestelde prejudiciële vraag.(8) Vraag en antwoord hadden betrekking op de verschuldigdheid van belasting "wanneer goederen die onder de regeling van extern communautair douanevervoer over de weg worden vervoerd".(9) Het ging daarbij derhalve om het geval onder (i).

11. Ik merk daarbij op dat het niet voor de hand ligt om het arrest (rechtstreeks) van toepassing te achten op het geval onder (ii). Zoals in de conclusie van mijn ambgenote onder 8.3.1 is uiteengezet is de vraag wanneer in een geval als het onderhavige accijns verschuldigd wordt, geregeld in de artt. 2 tot en met 2h van de Wet op de accijns. Deze artikelen vinden hun basis in art. 6 lid 1 van de Horizontale richtlijn en zijn daarmee niet in strijd. Gelet op deze duidelijke, eigenstandige regeling zie ik geen reden om het door het Hof van Justitie ten aanzien van extern communautair douanevervoer ontwikkelde criterium van toepassing te achten.(10)

12. Ter verduidelijking van een en ander moge het volgende dienen. De Horizontale richtlijn merkt in art. 6, lid 1, a als uitslag tot verbruik aan: 'iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling'. Zo'n schorsingsregeling is ook de regeling op grond waarvan accijnsgoederen vrij van accijns van AGP naar AGP kunnen worden vervoerd. In zoverre bestaat er een zekere overeenkomst met het in geval van extern communautair douanevervoer geldende belastbare feit 'invoer', waarbij ook de term onttrekken wordt gehanteerd, zij het niet aan een schorsingsregeling, maar aan een douaneregeling.(11)

13. Over de verhouding tussen het 'voorhanden hebben' in de zin van artikel 2f van de Wet op de accijns en de 'uitslag' in de zin van art. 6 van de Horizontale richtlijn zijn door de belastingkamer van de Hoge Raad aan het HvJ EG prejudiciële vragen gesteld.(12) Het Hof oordeelde bij arrest van 5 april 2001, Van de Water, C-325/99, BNB 2001/204, dat het enkele voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de communautaire en nationale bepalingen in de heffing van accijns is betrokken, kan worden aangemerkt als uitslag tot verbruik van accijnsproducten als bedoeld in art. 6, eerste lid, Horizontale richtlijn. Door de gelijkstelling van iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling met uitslag tot verbruik heeft de gemeenschapswetgever duidelijk gemaakt dat alle productie, verwerking, voorhanden hebben of verkeer buiten een schorsingsregeling leidt tot verschuldigdheid van de accijns. Wie de accijns moet betalen, is aan de lidstaten overgelaten.

14. Met dit arrest van het HvJ EG in de hand kan gezegd worden dat art. 2f Wet op de accijns (waar het voorhanden hebben van een niet in de heffing betrokken accijnsgoed - dat wil zeggen overtreding van het verbod van artikel 5 van die wet - als uitslag wordt aangemerkt) in overeenstemming is met het bepaalde in de richtlijn. Dat betekent dat het 'onttrekken aan een schorsingsregeling' in de nationale regeling mag worden vertaald als het 'voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet in de heffing is betrokken'. Daarmee is de cirkel rond en kunnen we ons concentreren op het voorhanden hebben in de zin van art. 2f Wet op de accijns. (13)

15. In casu is de wodka op grond van art. 2 lid 1 Wet op de accijns uitgeslagen op het tijdstip waarop [betrokkene 2] de originele AGD's verving door (valse) AGD's die inhielden dat het ging om vervoer van wodka van [F] in Mechelen, België naar [G] in Zweden (zie bewijsmiddel 9). Op dat moment immers was de uitzonderingsbepaling van art. 2 lid 3 Wet op de accijns niet langer van toepassing. De wodka werd namelijk niet "met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden" van AGD naar AGD gebracht.(14) "s-Hofs oordeel dat de verdachte en zijn mededader die wodka na dat tijdstip in Nederland voorhanden hadden in de zin van art. 2f en art. 5 Van de Wet op de accijns getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting.

16. De grief in onderdeel a faalt derhalve.

17. Onderdeel b van het middel bevat de klacht dat uit niets blijkt van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking, gericht op het voorhanden hebben van wodka, die niet in de accijns was betrokken.

18. Aangevoerd wordt dat uit de bewijsmiddelen enkel blijkt van betrokkenheid van verdachte bij de aanschaf en betaling van een of meerdere partijen wodka, gericht op verkoop aan [C], en niet dat verdachte ook wist van de handelingen van zijn medeverdachte om deze wodka aan de accijns te onttrekken.

19. Het Hof heeft, blijkens zijn bewijsoverwegingen, uit de bewijsmiddelen afgeleid dat drie ontmoetingen hebben plaatsgehad tussen medeverdachte [betrokkene 2] en [getuige 1] van de [B] BV te [plaats], die de wodka zou leveren. Bij de derde bespreking werd [betrokkene 2] vergezeld door verdachte, die zich voorstelde als de zakenpartner van [betrokkene 2]. [getuige 1] had al eerder met [betrokkene 2] en verdachte zaken gedaan, ook toen werkten ze samen.

De tweede zending is blijkens een kasstortingsbewijs betaald door verdachte. De tweede zending is blijkens een kasstortingsbewijs betaald door [C] s.a. [plaats] Espana op hetzelfde ABN-AMRO kantoor aan de [b-straat] te [plaats] als de eerste zending.

In mei 2001, dus nadat de derde zending in april 2001 in Zweden onderschept, heeft [getuige 1] contact gehad met [betrokkene 2] en verdachte over de aanzuiveringsdocumenten die hem nog zouden worden toegestuurd. Hij ontving vervolgens aanzuiveringsdocumenten waarop valselijk stond vermeld dat de wodka in het belastingentrepot van [C] S.A. was aangekomen en waar valse douanestempels en -aantekeningen op de achterzijde stonden.

20. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat [betrokkene 2] gezien werd als loopjongen voor verdachte, dat verdachte regelmatig de GSM van [betrokkene 2] beantwoordde, en dat [betrokkene 2] een aantal maanden bij [verdachte] heeft ingewoond.

21. Hieruit heeft het Hof kunnen afleiden dat sprake was van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking, gericht op het voorhanden hebben zoals bedoeld in art. 5 eerste lid onder b Wet op de accijns. 's Hofs oordeel dienaangaande is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder getoetst worden.

22. De klacht in onderdeel b faalt derhalve.

23. In onderdeel c wordt geklaagd dat uit niets blijkt dat de samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 2] als bewust, nauw en volledig kan worden gekenmerkt.

24. Ik verwijs hiervoor naar het vorenoverwogene onder 12 en 13, waaruit de bewuste, nauwe en volledige samenwerking kan worden afgeleid.

25. De in de toelichting genoemde onderlinge tegenstrijdigheid tussen bewijsmiddel 2 en bewijsmiddel 4 zie ik niet. Bewijsmiddel 2 houdt als verklaring van [getuige 1] in dat [betrokkene 2] en verdachte begin 2001 bij hem komen als vertegenwoordiger van [C] met de vraag of het bedrijf van [getuige 1] wodka zou kunnen produceren voor de Spaanse markt. Bewijsmiddel 4 houdt als verklaring van [getuige 1] in dat hij twee keer met [betrokkene 2] heeft gesproken over de leveringen wodka en een derde keer op het kantoor van [getuige 1] met [betrokkene 2] en verdachte samen, waarbij verdachte zich voorstelde als de zakenpartner van [betrokkene 2]. Uit beide verklaringen volgt toch dat [betrokkene 2] en verdachte een keer samen bij [getuige 1] zijn geweest, als zakenpartners in de zin van vertegnwoordigers van [C]. Dat er daarnaast ook contact is geweest tussen [getuige 1] en [betrokkene 2] zonder verdachte doet daar niet aan af.

26. Voorts wordt in de toelichting op onderdeel c opgemerkt dat op basis van de voorliggende bewijsmiddelen niet kan worden aangenomen dat [betrokkene 2] en [verdachte] bij [B] een drietal partijen wodka hebben besteld, waarbij zij het hebben doen voorkomen alsof de partijen naar Spanje zouden worden vervoerd naar [C]. Er is, aldus de opsteller van het middel, geen bewijs dat reeds ten tijde van de contacten met [getuige 1] duidelijk zou zijn, dat deze goederen in werkelijkheid niet voor [C] bestemd zouden zijn.

27. In aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen 1, 3, 7, 8 en 9 volgt dat a) [betrokkene 2], zich voordoend als een medewerker van [B], het vervoer van twee zendingen wodka vanaf [B] te [plaats] naar het transportbedrijf [E] BV heeft geregeld en van daar af door naar Zweden, b) dat [betrokkene 2] de originele papieren die bij de zendingen hoorden heeft meegenomen en vervangen door andere, waarin een heel andere leverancier en afnemer worden genoemd, c) dat [getuige 1] in mei 2001 contact had met [betrokkene 2] en verdachte, en dezen hem verzekerden dat de aanzuiveringsdocumenten nog zouden worden toegezonden, en d) dat de vervolgens aan [getuige 1] gefaxte aanzuiveringsdocumenten ten onrechte inhielden dat de bestemming van de wodka het belastingentrepot van [C] S.A. was en dat de op de achterzijde geplaatste aantekeningen en Spaanse douanestempels vals zijn, kon het Hof er gevoeglijk vanuit gaan dat [betrokkene 2] en verdachte bij [B] hebben doen voorkomen dat de wodka naar Spanje zou worden vervoerd naar [C].

28. De klacht in onderdeel c faalt derhalve.

29. Ten slotte bevat onderdeel d de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voldoende bewijs voorhanden is terzake medeplegen van strafbare feiten ten aanzien van alle drie partijen wodka. Dit oordeel is, volgens de steller van het middel, te kort door de bocht, zeker daar waar het Hof zich baseert op de "sterk op elkaar lijkende feiten en omstandigheden met betrekking tot de eerste zending enerzijds en de zendingen twee en drie anderzijds".

30. De steller van het middel voert aan dat de feiten en omstandigheden van de verschillende zendingen niet op elkaar lijken, reeds omdat de laatste zending, anders dan de andere, niet betaald is en voorts niet blijkt van enige betrokkkenheid van verzoeker bij de eerste twee zendingen.

31. Uit de bewijsmiddelen heeft het Hof de volgende sterk op elkaar lijkende feiten en omstandigheden met betrekking tot de eerste zending enerzijds en de zending twee en drie anderzijds kunnen afleiden:

- Alle drie partijen zijn in maart 2001 geproduceerd door destilleerderij [B] B.V. te [plaats] en verkocht aan de firma [C] S.A. in [plaats], Spanja. De drie transacties zijn via een vertegenwoordiger, medeverdachte [betrokkene 2], van [C] S.A. tot stand gekomen en de facturen zijn naar [betrokkene 2], [c-straat 1], [plaats], België gestuurd (bewijsmiddel 1).

- Alle drie zendingen zijn geproduceerd naar aanleiding van de gesprekken die [getuige 1] had met [betrokkene 2] en met [betrokkene 2] en [verdachte] samen (bewijsmiddel 2); het gesprek met [betrokkene 2] en verdachte ging onder meer over de AGD's van de drie leveringen wodka, want die waren nog niet teruggekomen (bewijsmiddel 4)

- Voor alle drie zendingen heeft [getuige 1], na daartoe contact te hebben gehad met [betrokkene 2] en verdachte, aanzuiveringsdocumenten ontvangen, die later voorzien bleken te zijn van valse aantekeningen en douanestempels (bewijsmiddelen 2, 3, en 7).

- de eerste twee zendingen zijn beide betaald via een contante storting bij het ABN AMRO filiaal aan de [b-straat] te [pl[plaats], waarbij de eerste betaling op naam van "[verdachte], [woonplaats]/referentie Vodka [C]" is gedaan en de tweede op naam van "[C] SA, [plaats] Espagna" (bewijsmiddel 13).

32. Het komt mij voor dat dit voor het Hof voldoende "sterk op elkaar lijkende feiten en omstandigheden met betrekking tot de eerste zending enerzijds en de zendingen twee en drie anderzijds" zijn, om tot het oordeel te kunnen komen dat voldoende bewijs voorhanden is terzake medeplegen van strafbare feiten ten aanzien van alle (drie) partijen.

33. Dat de laatste zending in tegenstelling tot de andere zendingen niet betaald is doet hier niet aan af. Juist het daardoor ontstane kruisverband (zending 1 en 2 zijn betaald; zending 2 en 3 zijn in Zweden opgedoken) bevestigt het verband tussen de drie zendingen.

34. Met de klacht dat er niet van enige betrokkenheid van verdachte bij de eerste twee zendingen blijkt, wordt miskend dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de eerste zending heeft betaald en dat de bespreking van [getuige 1] met [betrokkene 2] en verdachte alle drie zendingen betrof alsmede de zuiveringsdocumenten voor alle drie zendingen.

35. Ook de klacht in onderdeel d faalt derhalve.

36. Het middel faalt in alle onderdelen. De onderdelen b, c en d kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

37. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vergelijk artikel 5, eerste lid, eerste alinea, van richtlijn 92/12/EEG (Horizontale richtlijn): "De in artikel 3, lid 1, genoemde produkten worden aan accijns onderworpen bij de produktie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap (...) of bij de invoer ervan in dit grondgebied". Tot de in vermeld artikel 3, eerste lid, genoemde producten behoren minerale oliën.

2 In het navolgende houd ik de in Nederland gebruikelijke term AGP aan.

3 Zie in dit verband ook artikel 4, onderdelen b en c, van de Horizontale richtlijn.

4 Vgl. artikel 18 van de Horizontale richtlijn. De vorm en inhoud van dit document is geregeld in verordening (EEG) nr. 2719/92 van de Commissie van 11 september 1992. Deze verordening betreft het vervoer onder schorsing van rechten van accijnsproducten. Onder omstandigheden dient overigens ook het vervoer van accijnsgoederen waarvoor in een lidstaat reeds accijns is voldaan onder geleide van een document plaats te vinden. Het gaat dan om goederen waarvoor de accijns is voldaan in de ene lidstaat, doch die hun bestemming in een andere lidstaat hebben. Zie artikel 7, vierde lid, van de Horizontale richtlijn en verordening (EEG) nr. 3649/92 van de Commissie van 17 december 1992 betreffende een vereenvoudigd geleidedocument voor het intracommunautaire verkeer van accijnsproducten die in de lidstaat van verzending zijn uitgeslagen.

5 Zie bijlage 4 bij belanghebbendes AGP-vergunning, waarin deze passage (ook) is opgenomen.

6 Zou sprake zijn geweest van invoer, dan had de inspecteur geen naheffingsaanslag, doch een uitnodiging tot betaling uitgereikt/ moeten uitreiken.

7 Dan wel het constateren van tekorten, waarvoor ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Horizontale richtlijn geen vrijstelling geldt. Nu in deze zaak geen sprake is van het constateren van tekorten in de hier bedoelde zin, laat ik dit verder buiten beschouwing.

8 De prejudiciële vraag was gesteld door de belastingkamer van de Hoge Raad en had betrekking op de inkomstenbelasting, meer specifiek op de uitleg van het belaste feit 'invoer', dat in de Wet op de omzetbelasting 1968 is omschreven als het onttrekken van goederen aan een douaneregeling. De Wet op de accijns (art. 3 lid 2 onder b) en de Accijnsrichtlijn (art. 5 lid 1, eerste volzin) omschrijven het belastbare feit 'invoer' in de zin van de accijns op dezelfde wijze (onttrekken aan een douaneregeling). Het ligt dus voor de hand beide begrippen 'invoer'op dezelfde wijze uit te leggen.

9 Meer in het bijzonder op de vraag op welk tijdstip en op welke locatie het belastbare feit 'invoer' zich voordoet.

10 De vraag of toepassing van dat criterium tot een andere uitkomst had geleid, laat ik derhalve rusten. Het komt mij overigens voor dat er zekere parallellie bestaat tussen dit criterium en de genoemde wetsbepalingen.

11 Zie noot 8.

12 Opgenomen in BNB 1999/383

13 Het eindarrest van de Hoge Raad is van 12 april 2002, opgenomen in BNB 2002/226.

14 Art. 2a Uitvoeringsbesluit accijns bepaalt dat voor vervoer onder schorsing van accijns een geleidedocument (AGD) moet worden opgemaakt door de verzender. Als geleidedocument dient, volgens art. 3 Uitvoeringsregeling accijns, het in de Verordening van de Commissie van de EG (2719/92 van 11 september 1992, PbEG L 276) bedoelde document te worden gebruikt. Deze Verordening bevat in bijlage I een model van het te gebruiken document, en bepaalt in art. 1 dat tevens moet zijn voldaan aan de op de achterzijde van exemplaar nr. 1 van het document opgenomen aanwijzingen betreffende het invullen en de te volgen procedure. Deze aanwijzingen houden onder B in: "Indien tijdens het vervoer de in de vakken 7 en 7a opgenomen bestemming van de goederen wordt gewijzigd, moet de afzender of zijn vertegenwoordiger de nieuwe plaats van levering vermelden in vak B. Bovendien is de afzender verplicht de gewijzigde plaats van levering onmiddellijk mede te delen aan zijn bevoegde autoriteiten". De richtlijn 92/12/EEG van 25 februari 1992 (Horizontale richtlijn) bevat dezelfde wijzigingsmogelijkheid om de gegevens van de geadresseerde en/of de plaats van aflevering op het geleidedocument te wijzigen. Art. 15 lid 5 van de Horizontale richtlijn bepaalt dat deze wijziging dient te geschieden door de verzender, i.c. [B]/[A], of diens vertegenwoordiger. Met de onderhavige wijzigingen had [B]/[A] echter niets van doen. [betrokkene 2] heeft de gewijzigde AGD's aan de vervoerder gegeven.