Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD3439

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
03489/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD3439
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Uitleg inhoud pv van politie. 2. Vereisten aan pv ex art. 153 Sv. Ad 1. ’s Hofs oordeel dat het relaas van verbalisant X aldus moet worden opgevat dat deze verbalisant mede verklaart wat verbalisant Y, de bedienaar van de lasergun, hem heeft doorgegeven omtrent diens waarnemingen bij de snelheidsmeting, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de inhoud van het relaas van verbalisant X (o.m. inhoudend dat X verbalisant was bij de opvangploeg en Y de bedienaar van de lasergun). Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen t.a.v. vereisten die ex art. 153 Sv worden gesteld aan een door een opsporingsambtenaar opgemaakt pv uit HR LJN AZ2481. Aangezien het pv i.c. niet is ondertekend, voldoet het niet aan die vereisten. Het kan evenwel worden aangemerkt als een geschrift i.d.z.v. art. 344.1.5° Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 486
RvdW 2008, 648
NJB 2008, 1402
VA 2009/8 met annotatie van J. Silvis
JWR 2008/79 met annotatie van RV
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03489/06

Zitting: 4 maart 2008

Mr. Schipper

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 24 oktober 2006 wegens "overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld tot een boete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis.

2. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ten laste van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 29 juli 2005 te Ede. binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de Kastelenlaan, de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;"

4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

(a) de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende:

"Ik erken dat ik op de avond van 29 juli 2005 op de Kastelenlaan te Ede reed."

(b) een op ambtsbelofte door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar van de regiopolitie Gelderland Midden, "in de wettelijke vorm opgemaakt" proces-verbaal, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant (zakelijk weergegeven):

"Ik zag/constateerde dat een persoon als bestuurder van een voertuig, daarmee, in strijd met een in zijn richting gekeerd bord A1 van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 heeft gereden met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid die op dat bord was aangegeven. De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter. Deze bedroeg 100 km per uur, wat een overschrijding van 50 km per uur, op de toegestane snelheid van 50 km per uur, inhoudt. De verdachte werd staande gehouden en deze verstrekte zijn persoongegevens:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats].

Het rijbewijs werd ingevorderd."

5. Ik begin met het tweede middel. Daarin wordt erover geklaagd dat het Hof het onder 4(b) genoemde proces-verbaal ten onrechte heeft aangemerkt als te zijn opgemaakt in de wettelijke vorm, nu bedoeld procesverbaal niet is ondertekend.

6. Uit de door het Hof gebezigde omschrijving kan worden afgeleid dat hij het onder 4(b) bedoelde proces-verbaal heeft gekwalificeerd als een ambtsedig proces-verbaal in de zin van art. 344 lid 1 aanhef en onder 2° Sv. Immers houdt deze omschrijving onder meer in dat het gaat om een "in de wettelijke vorm opgemaakt" proces-verbaal.

7. Het zich bij de stukken bevindende exemplaar van bedoeld procesverbaal is echter, gelijk het middel aanvoert, in strijd met het in art. 153 lid 2 Sv bepaalde, niet ondertekend, zodat het niet in de wettelijke vorm is opgemaakt.

Dit brengt mee dat het stuk niet als een proces-verbaal in de zin van art. 344 lid 1 aanhef en onder 2° Sv kan worden aangemerkt. Het middel is dus terecht voorgesteld.

8. Ik heb nog overwogen of een verbeterde lezing in samenhang met andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen uitkomst zou kunnen bieden. Ik heb er van afgezien een voorstel in die richting te doen, op grond van de bij de behandeling van het eerste middel te vermelden redenen.

9. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat de verbalisant in het onder 4(b) weergegeven en voor het bewijs gebezigde proces-verbaal waarnemingen relateert die niet door hem zijn gedaan. Uit een zich in het dossier bevindend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] zou namelijk volgen dat niet hij, [verbalisant 1], maar verbalisant [verbalisant 2] de bedienaar van de lasergun was waarmee de snelheid van de verdachte is gemeten.

10. Gelijk het middel betoogt, volgt uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken (1) dat niet verbalisant [verbalisant 1], maar verbalisant [verbalisant 2] het merendeel van de in het onder 4(b) weergegeven relaas vervatte waarnemingen heeft gedaan.

11. Ik heb overwogen of een verbeterde lezing van het bedoelde bewijsmiddel hier uitkomst zou kunnen bieden. Hiervoor zou aanleiding kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat het bedoelde, onder 4(b) genoemde, proces-verbaal vermeldt te zijn opgemaakt door zowel buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 1] als buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 2], ieder wat betreft zijn bevindingen. Ik zie echter van een dergelijke benadering af. De verdachte heeft blijkens het procesverbaal ter terechtzitting in hoger beroep de gang van zaken rond de snelheidsmeting in twijfel getrokken. In het bijzonder heeft hij de wijze van waarneming van de verbalisanten ter discussie gesteld. Ook de zich bij de stukken bevindende kennisgeving van bekeuring biedt geen helderheid over de vraag welke verbalisant de snelheidsovertreding heeft geconstateerd.

In deze omstandigheden dient het bezigen van een bewijsmiddel dat niet alleen, zoals ik bij de bespreking van het eerste middel heb opgemerkt, onjuist is opgemaakt, maar waarin daarnaast de gang van zaken rond de snelheidsmeting onjuist is weergegeven, niet met de cassatiemantel der liefde te worden bedekt.

12. De bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt dus.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

(1) In het bijzonder een kopie van een wel ondertekend proces-verbaal van opsporingsambtenaar [verbalisant 1] van 13 oktober 2006, met nummer PL074D/05-19382.