Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD3422

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
07/11823
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD3422
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Toewijzing echtscheidingsverzoek met nevenvoorzieningen; falende cassatieklacht over proceskostenveroordeling (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 580
RvdW 2008, 744
JWB 2008/311
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/11823

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 6 juni 2008

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

Het gaat in deze zaak over de processuele band tussen echtscheiding en nevenvoorzieningen en over de veroordeling van de vrouw in de proceskosten van de man.

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Verzoekster tot cassatie, de vrouw, en verweerder in cassatie, de man, zijn op 15 september 1993 in de gemeente Gouda met elkaar gehuwd.

1.2 Tijdens het huwelijk zijn twee, thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats];

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats].

1.3 Partijen zijn verdeeld over de vraag of de vrouw met de minderjarige kinderen naar [woonplaats] zou mogen verhuizen en hebben de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage gevraagd daarover te beslissen. Ter terechtzitting van 13 juni 2006 hebben partijen zich bij de voorzieningenrechter bereid verklaard tezamen met behulp van een bemiddelaar, [betrokkene 1], op dit punt met elkaar overleg te voeren(3).

1.4 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van dezelfde rechtbank op 17 maart 2006, heeft de vrouw - voorzover in cassatie van belang - verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en een zestal nevenvoorzieningen vast te stellen, waaronder bepaling van de woonplaats van de minderjarige kinderen bij haar.

In haar verzoekschrift heeft de vrouw de rechtbank verzocht bij aanhouding van de zaak op het punt van het bepalen van de verblijfplaats van de kinderen, ook de echtscheiding aan te houden.

1.5 De man heeft zich gerefereerd met betrekking tot de verzochte echtscheiding en verweer gevoerd tegen de nevenverzoeken van de vrouw. Tevens heeft hij bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en eveneens een aantal nevenvoorzieningen te bepalen, waaronder, voor het geval de vrouw naar [woonplaats] verhuist, bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem. Volgens de man kan de echtscheiding alvast worden uitgesproken.

1.6 De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen.

1.7 De rechtbank heeft de verzoeken ter zitting van 30 juni 2006 mondeling behandeld in aanwezigheid van de vrouw en haar procureur en van de man en zijn advocaat. De Raad voor de Kinderbescherming werd ter zitting vertegenwoordigd door [betrokkene 2].

1.8 Bij beschikking van 18 augustus 2006 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en de behandeling met betrekking tot de verzochte nevenvoorzieningen aangehouden tot 15 oktober 2006 in afwachting van de resultaten van het bij de voorzieningenrechter tussen partijen afgesproken bemiddelingstraject.

1.9 De vrouw is, onder aanvoering van één grief, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij zij heeft verzocht de beschikking van de rechtbank van 18 augustus 2006 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot echtscheiding aan te houden totdat wordt beslist op de nevenvoorzieningen.

1.10 De man heeft bij verweerschrift de grief bestreden en het hof verzocht, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans haar verzoek te ontzeggen.

1.11 De zaak is op 29 juni 2007 ter terechtzitting van het hof behandeld(4).

Bij beschikking van diezelfde datum heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

1.12 De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof tijdig(5) beroep in cassatie ingesteld.

De man heeft een verweerschrift ingediend(6).

2. Bespreking van het cassatieberoep

2.1 Het cassatieberoep bevat twee klachten.

De eerste klacht is gericht tegen rechtsoverweging 6 (en het dictum), waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"6. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. In de eerste plaats is het de vrouw zelf geweest die de rechtbank heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken. Voor zover zij zou moeten worden gevolgd in haar betoog dat zij daaraan de voorwaarde heeft verbonden dat de rechtbank eerst of tegelijk een uitspraak zou doen over de verblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen en deze voorwaarde niet is vervuld, geldt nog het volgende. Op grond van vaste rechtspraak kan beroep tegen een door de rechter in eerste aanleg uitgesproken echtscheiding slechts op grond van door de echtgenoot die het instelt aan te voeren bijzondere omstandigheden worden gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. De vrouw heeft in deze zaak geen omstandigheden gesteld die als zodanig kunnen worden aangemerkt. Ook op die grond is zij derhalve niet ontvankelijk in haar beroep."

2.2 De klacht betoogt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld (punt 11 van het verzoekschrift) dat redengevend is voor de niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw dat het de vrouw zelf is geweest die de rechtbank heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken en zij geen bijzondere omstandigheden zou hebben aangevoerd die herstel van de processuele band tussen de echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen rechtvaardigen.

2.3 De klacht faalt omdat het niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.. Op geen enkele wijze wordt uitgelegd waarom het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Onder 12 tot en met 17 van het cassatieverzoekschrift wordt slechts uit de doeken gedaan waarom de vrouw de echtscheidingsprocedure diende te entameren en vervolgens wat de rechtbank zoal heeft beslist en welke gevolgen dat heeft voor de vrouw. Geëindigd wordt met de mededeling (onder 17) dat de vrouw nu hoger beroep zal instellen van de beslissing van de rechtbank van 3 juli 2007. Het gaat in deze cassatieprocedure echter niet om beslissingen van de rechtbank, maar om het oordeel van het hof dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die het handhaven van de processuele band tussen echtscheiding en nevenvoorzieningen rechtvaardigen. Het cassatieberoep dient indien het zich tegen een dergelijk oordeel met rechtsklacht richt, op voor de rechter en wederpartij begrijpelijke wijze uit te leggen dat en waarom dit oordeel onjuist is.

2.4 Het hof heeft in de bestreden rechtsoverweging de vaste rechtspraak van de Hoge Raad(7) - die de vrouw kende(8) - als maatstaf gehanteerd, te weten:

"dat, indien eenmaal door de eerste rechter de echtscheiding is uitgesproken, het hoger beroep slechts op grond van door de echtgenoot die het instelt, aan te voeren bijzondere omstandigheden kan worden gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken."

De klacht strandt derhalve ook op het feit dat het oordeel van het hof niet blijk geeft van miskenning van enige rechtsregel.

Tegen het feitelijke oordeel van het hof in de slotzin van de bestreden rechtsoverweging zijn geen motiveringsklachten gericht.

2.5 De tweede klacht (onder 18 en 20 van het cassatieverzoekschrift) betoogt dat het hof de vrouw ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten van de man.

Dienaangaande heeft het hof in rechtsoverweging 7 als volgt geoordeeld:

"De man heeft het hof verzocht om de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding (het hof verstaat: dit hoger beroep). Ter zitting is dit verzoek onderbouwd met de stelling dat sprake is van misbruik van procesrecht. Het hof zal het verzoek van de man toewijzen. Het hof acht het redelijk dat de vrouw, die hoger beroep heeft ingesteld in de wetenschap dat dit, gelet op de vaste rechtspraak terzake, niet-ontvankelijk zou worden verklaard, de kosten die de man terzake heeft moeten maken, draagt."

2.6 Art. 289 Rv. bepaalt dat de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten kan inhouden(9). In familierechterlijke procedures is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechter is echter niet tot compensatie verplicht en kan dus een echtgeno(o)t(e) in de kosten van de ander veroordelen bijvoorbeeld indien hij of zij de procedure nodeloos heeft aangespannen of voortgezet.

De veroordeling door het hof van de vrouw in de proceskosten van de man geeft mitsdien niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de rechtsklacht faalt.

2.7 Het is aan het inzicht van de rechter overgelaten een kostenveroordeling uit te spreken, zodat deze discretionaire bevoegdheid van de feitelijke rechter in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Dit geldt eveneens ten aanzien van de vraag of en zo ja, op welke wijze de kosten zullen worden gecompenseerd als bedoeld in art. 237 Rv.(10).

De discretionaire beslissing omtrent een veroordeling in de proceskosten behoeft geen motivering(11), maar dat kan anders zijn wanneer partijen daarover hebben gedebatteerd en wanneer het oordeel wordt gemotiveerd, moet die motivering uiteraard begrijpelijk zijn(12).

2.8 Er is evenwel geen motiveringsklacht, althans geen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. voldoende klacht, tegen het oordeel van het hof gericht, zodat ook de tweede klacht faalt.

2.9 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2006, p. 2 onder beoordeling, van welke feiten ook het hof is uitgegaan (zie de bestreden beschikking, p. 1).

2 Voorzover thans van belang. Zie o.m. de beschikking van de rechtbank van 18 augustus 2006 en de beschikking van het hof van 29 juni 2007 onder procesverloop in hoger beroep.

3 Zie de beschikking van de rechtbank van 18 augustus 2006, p. 2 onder beoordeling.

4 Nadat de vrouw aanvullende stukken op 10 januari 2007 en 15 juni 2007 heeft ingebracht. Volgens het hof heeft de vrouw op 20 juni 2007 tevens stukken overgelegd. Deze brief en stukken zijn echter niet in het A-dossier en B-dossier aanwezig.

5 Het verzoekschrift tot cassatie is op 28 september 2007 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

6 Het verweerschrift van de man bevindt zich niet in het B-dossier.

7 HR 2 april 1999, NJ 1999, 656; HR 9 april 1999, NJ 1999, 657 m.nt. S.F.M. Wortmann en HR 20 januari 2006, NJ 2006, 76.

8 Zie de pleitnotitie in hoger beroep, p. 2 slotalinea.

9 W.H.B. den Hartog Jager, (Echt)scheidingsprocesrecht, 2007, p. 148.

10 Zie HR 5 oktober 2001, NJ 2001, 651 en mijn conclusie vóór deze beschikking in 2.3-2.6.

11 Burgerlijke Rechtsvordering, Schaafsma-Beversluis, art. 289, aant. 2; HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 68.

12 Burgerlijke Rechtsvordering, Numann, art. 230, aant. 9 en (oud), Asser, art. 59, aant. 8.