Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD3132

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
07/13096
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD3132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling wegens het niet naar behoren nakomen van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 581
RvdW 2008, 745
JWB 2008/305
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/13096

mr. Keus

Parket, 30 mei 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

In deze zaak heeft het hof geoordeeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds dient te worden beëindigd, omdat [verzoeker] niet aan zijn sollicitatie- en informatieverplichtingen heeft voldaan, hij nimmer aan de boedel heeft afgedragen, een nieuwe schuld is ontstaan en niet is gebleken dat zijn alcoholprobleem onder controle is. De cassatiemiddelen strekken vooral ten betoge dat het hof dit oordeel niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 januari 2006 is ten aanzien van [verzoeker] de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. H.W. Unger tot rechter-commissaris. J. Kerkhoffs is laatstelijk tot bewindvoerder benoemd.

1.2 Op 27 maart 2007 heeft de bewindvoerder een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Aan dit verzoek heeft de bewindvoerder in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat [verzoeker], ondanks herhaalde verzoeken daartoe, heeft nagelaten ontbrekende stukken over te leggen. Daarnaast heeft de bewindvoerder gesteld dat [verzoeker] niet aan zijn sollicitatieverplichting heeft voldaan, aangezien hij over de periode vanaf maart 2007 geen bewijsstukken van sollicitaties heeft overgelegd. Volgens de bewindvoerder is er tevens een nieuwe schuld van € 1.708,29 aan Nuon ontstaan en heeft [verzoeker] een boedelachterstand van € 596,40 laten ontstaan doordat hij zijn afdrachtverplichting niet is nagekomen.

De rechter-commissaris heeft het verzoek van de bewindvoerder ondersteund.

1.3 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 21 juni 2007 plaatsgehad. Ter zitting zijn zowel [verzoeker], bijgestaan door zijn (toenmalige) raadsman, als de bewindvoerder verschenen.

[Verzoeker] heeft ter zitting onder andere verklaard in verband met een alcoholverslaving bij Parnassia onder behandeling te staan.

1.4 Bij vonnis van 28 juni 2007 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] tussentijds beëindigd, het salaris van de bewindvoerder vastgesteld, alsmede mr. H.W. Unger tot rechter-commissaris en J. Kerkhoffs tot curator benoemd in het faillissement waarin [verzoeker] door het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis van rechtswege zal komen te verkeren. De rechtbank heeft daartoe als volgt geoordeeld:

"Schuldenaar heeft niet naar behoren voldaan aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Ondanks diverse verzoeken van de bewindvoerder worden de ontbrekende stukken niet door schuldenaar aan de bewindvoerder overgelegd. Schuldenaar heeft daarmee niet voldoende voldaan aan zijn informatieverplichting. Ook heeft schuldenaar geen bewijsstukken van verrichte sollicitaties over de periode maart 2007 tot en met heden aan de bewindvoerder verstrekt. Door het ontbreken van deze gegevens kan niet worden vastgesteld of schuldenaar voldoende voldoet aan zijn inspanningsverplichting. Verder is er gedurende de schuldsaneringsregeling een nieuwe schuld ontstaan bij Nuon van € 1.708,29. Gezien de afloscapaciteit van schuldenaar is het niet te verwachten dat deze nieuwe schuld voor het einde van de schuldsaneringsregeling zal worden ingelopen. Tenslotte heeft schuldenaar niet voldaan aan zijn afdrachtverplichting waardoor er een boedelachterstand is ontstaan van € 596,40."

1.5 [Verzoeker] is van dit vonnis bij het hof 's-Gravenhage in hoger beroep gekomen.

1.6 Op 30 oktober 2007 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgehad. Ter zitting zijn [verzoeker], bijgestaan door zijn raadsvrouwe, en de bewindvoerder verschenen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.7 Bij arrest van 6 november 2007 heeft het hof het beroepen vonnis bekrachtigd.

1.8 Bij verzoekschrift van 9 november 2007 heeft [verzoeker] van dit arrest tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld. Er is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 In zijn cassatierekest heeft [verzoeker] een zestal middelen aangevoerd. Onder het opschrift "FEITEN" bevat het rekest een opsomming van een aantal stellingen die onder 1-4 zijn weergegeven. Die opsomming omvat geen (zelfstandige) klachten, maar vormt een inleiding op de klachten die in de daaropvolgende middelen zijn vervat. Bij de opsomming teken ik nog aan dat het rekest geen vindplaatsen van de vermelde stellingen in de stukken van de feitelijke instanties noemt en dat tevens voor het merendeel van de vermelde stellingen geldt dat uit de processtukken niet blijkt dat zij in feitelijke instanties zijn betrokken.

2.2 De middelen keren zich tegen rov. 4 van het bestreden arrest, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

"4. Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen.

De wettelijke schuldsaneringsregeling veronderstelt een inspanning van de schuldenaar om in het tijdvak waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is zich zoveel mogelijk inkomsten te verwerven waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan. Deze inspanningsverplichting om inkomsten te verwerven kan concreet tot uitdrukking komen in een sollicitatieplicht. [Verzoeker] heeft geen aantoonbare inspanningen verricht om betaald werk te vinden. Niet is gebleken dat [verzoeker] tijdens de schuldsaneringsregeling tenminste vier sollicitaties per maand heeft verricht. Daarnaast mag hij zich niet beperken tot het solliciteren naar vacatures op zijn vakgebied.

Verder heeft hij een onvoldoende actieve houding getoond ten aanzien van de informatieverzoeken van de bewindvoerder. Hierdoor kan de bewindvoerder de boedelachterstand niet uitrekenen. Bovendien heeft [verzoeker] ook nu nog nimmer aan de boedel afgedragen en is hij een getroffen betalingsregeling van € 50,- per maand niet nagekomen.

Voor zover [verzoeker] heeft willen betogen dat de bewindvoerder onbereikbaar was, is de juistheid hiervan niet aannemelijk geworden. Voor zover hij al moeite had met het telefonisch bereiken van de bewindvoerder - en dit dan over langere periode - had hij (hierover) schriftelijk contact met de bewindvoerder (of desnoods met de rechtbank) kunnen zoeken. Bovendien is het verband met de verweten tekortkomingen niet duidelijk geworden.

Voorts heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat hij een reden heeft om de eindafrekening van Nuon te betwisten, zodat een bedrag van € 1.708,29 betrekking heeft op een nieuwe schuld.

Tot slot is het hof niet gebleken dat [verzoeker] zijn verslavingsprobleem al enige tijd 'onder controle' heeft, dat wil zeggen dat hij al enige tijd geen alcohol meer gebruikt én dat door een hulpverlenende instantie wordt bevestigd dat de verslaving onder controle is. Onder enige tijd valt niet een periode van krap vier maanden. Hoewel [verzoeker] stelt dat zijn verslaving onder controle is, blijkt zulks niet uit de overgelegde stukken."

2.3 Middel I betoogt dat het hof in rov. 4, op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen.

Volgens het middel koppelt het hof de inspanningsverplichting om inkomsten te verwerven slechts concreet aan de uitvoering van de sollicitatieplicht en oordeelt het vervolgens dat [verzoeker] geen aantoonbare inspanningen om betaald werk te vinden verricht, dat niet is gebleken dat hij tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten minste vier sollicitaties per maand heeft verricht, en dat hij zich daarnaast niet mag beperken tot het solliciteren naar vacatures op zijn vakgebied. Volgens het middel staat in rechte onomstreden vast dat [verzoeker] zijn uitkering heeft behouden, terwijl dit slechts mogelijk is nadat hij zijn sollicitatieactiviteiten aantoonbaar aan de uitkerende instantie heeft overgelegd. Gezien het voorgaande kan het bestreden oordeel niet worden gedragen door de in rechte vaststaande feiten en is derhalve sprake van een motiveringsgebrek waardoor het bestreden arrest niet in stand kan blijven, aldus het middel.

2.4 Bij de bespreking van dit middel stel ik voorop dat dit niet ter discussie stelt dat [verzoeker] in het kader van de schuldsaneringsregeling is gehouden zich door het zoeken naar betaalde arbeid in te spannen zoveel mogelijk inkomsten voor zijn schuldeisers te genereren(3). In rov. 4 heeft het hof in dat verband bovendien in cassatie onbestreden aangenomen dat [verzoeker] tijdens de schuldsanering ten minste vier sollicitaties per maand dient te verrichten(4).

In de feitelijke instanties heeft [verzoeker] weliswaar onweersproken gesteld dat hij een WW-uitkering ontvangt, maar de juistheid van deze stelling is niet door de rechtbank of het hof vastgesteld. In dit verband is van belang dat de rechter in een procedure als de onderhavige niet zonder meer is gehouden niet of niet voldoende betwiste stellingen als vaststaand aan te nemen. Zo is art. 149 lid 1 tweede volzin Rv weliswaar op grond van art. 284 Rv op de verzoekschriftprocedure van overeenkomstige toepassing, maar verklaart art. 362 lid 2 (oud) Fw de derde titel van het eerste boek van Rv (waarvan art. 284 Rv deel uitmaakt) op verzoeken ingevolge de Fw niet van toepassing(5).

Voorts dwingt het enkele feit dat [verzoeker] over een WW-uitkering beschikt (nog afgezien van de mogelijkheid van een groepsgewijze of individuele tijdelijke vrijstelling van de ingevolge de Werkloosheidswet (WW) voor een werkloze werknemer geldende verplichtingen, waaronder een ontheffing van de verplichting tot het zoeken van passende arbeid(6)), niet zonder meer tot de conclusie dat [verzoeker] naar behoren aan alle voorwaarden voor behoud van die uitkering heeft voldaan en zijn sollicitatieactiviteiten wél aan de uitkeringsinstantie heeft aangetoond. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in dit verband mede betekenis toegekend aan het feit dat [verzoeker] zich in zijn verzoekschrift in hoger beroep weliswaar het recht heeft voorbehouden om bewijsstukken van verrichte sollicitaties over de periode van maart 2007 tot en met 28 juni 2007 over te leggen, maar deze stukken niet (alsnog) heeft overgelegd, terwijl hij evenmin heeft aangegeven dat (en waarom) hij daartoe niet in staat zou zijn(7).

Bij dit alles komt dat de sollicitatieplicht die in het kader van de schuldsaneringsregeling op de schuldenaar rust niet noodzakelijkerwijs overeenstemt met de verplichtingen die de schuldenaar ingevolge andere wettelijke regelingen tot behoud van een uitkering in acht moet nemen en dat de schuldsaneringsregeling ter zake zeer wel verdergaande verplichtingen kan impliceren(8).

De slotsom is dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

2.5 Middel II klaagt dat het hof in rov. 4 ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] een onvoldoende actieve houding ten aanzien van de informatieverzoeken van de bewindvoerder heeft getoond en dat de bewindvoerder hierdoor de boedelachterstand niet kan uitrekenen.

Volgens het middel staat in rechte onomstreden vast dat de bewindvoerder de informatieverzoeken aan een verkeerd adres heeft gestuurd, waardoor deze verzoeken [verzoeker] nimmer hebben bereikt. Het middel betoogt dat de fout aan de bewindvoerder en niet aan [verzoeker] dient te worden toegerekend en dat het bestreden oordeel daarom niet door de gegeven motivering kan worden gedragen. Daarbij komt, zo betoogt het middel verder, dat de bewindvoerder blijkens de verslagen van alle bedragen en de boedelachterstand op de hoogte was, zodat hij de boedelstand hoe dan ook direct kon en kan uitrekenen. Volgens het middel is daarom ook in dat opzicht van een motiveringsgebrek sprake.

2.6 Uit de processtukken blijkt niet dat [verzoeker] in de feitelijke instanties (concreet) heeft gesteld dat de onjuist geadresseerde post van de bewindvoerder betrekking had op diens verzoeken om informatie met betrekking tot de boedelafdracht en dat de onjuist geadresseerde post [verzoeker] in het geheel niet, in plaats van met vertraging, heeft bereikt(9). Evenmin blijkt uit de processtukken dat [verzoeker] in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat de bewindvoerder blijkens zijn verslagen van alle bedragen en de boedelachterstand op de hoogte was. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden, te meer niet nu de overige door hof in rov. 4 geconstateerde tekortkomingen het oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds dient te worden beëindigd, zelfstandig kunnen dragen.

2.7 Middel III voert aan dat het hof in rov. 4 ten onrechte heeft overwogen dat de betalingsafdrachtachterstand kennelijk dermate substantieel was dat daardoor een beëindiging van de schuldsaneringsregeling was gerechtvaardigd. Volgens het middel ging het hier om een niet substantieel bedrag van circa € 500,-, welke achterstand mede het gevolg van miscommunicatie tussen bewindvoerder en [verzoeker] was.

2.8 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 4 niet overwogen dat de betalingsachterstand dermate substantieel is dat daardoor op zichzelf een beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is gerechtvaardigd, maar heeft benadrukt dat "[verzoeker] ook nu nog nimmer aan de boedel (heeft) afgedragen" en dat hij een ter zake van de boedelachterstand getroffen betalingsregeling van € 50,- per maand niet is nagekomen. Aldus heeft het hof zijn oordeel niet louter op de omvang van de boedelachterstand (ten tijde van het vonnis van de rechtbank: € 596,40), maar mede op de omstandigheden waaronder die boedelachterstand is ontstaan en op de opstelling van [verzoeker] dienaangaande gebaseerd.

Voor de stelling dat de boedelachterstand het gevolg is van een miscommunicatie, noemt het middel geen vindplaats, terwijl uit de processtukken niet blijkt dat deze stelling in de feitelijke instanties is betrokken. Daarom ga ik ga ervan uit dat bedoelde stelling een in cassatie ontoelaatbaar feitelijk novum vormt. Dat [verzoeker] met zijn verplichting tot boedelafdracht bekend was, volgt overigens uit de in appel afgelegde verklaringen van de raadsvrouwe van [verzoeker] (proces-verbaal, p. 2 in fine) en de bewindvoerder (rov. 3 in fine) dat in het verleden ter zake van de boedelachterstand een betalingsregeling van € 50,- per maand is besproken en de opmerking van de bewindvoerder dat [verzoeker] vanaf het begin van de regeling op de hoogte is gesteld van het feit dat hij alles boven het vrij te laten bedrag aan de boedel moest afdragen (proces-verbaal, p. 3).

2.9 Middel IV betoogt dat het hof in rov. 4 ten onrechte heeft overwogen dat de juistheid van de stelling dat [verzoeker] de bewindvoerder niet heeft kunnen bereiken niet aannemelijk is geworden en dat het verband met de verweten tekortkomingen niet duidelijk is geworden.

Volgens het middel was het verband volstrekt duidelijk: geen bericht is goed bericht, en doordat [verzoeker] geen bericht van de bewindvoerder kreeg, verkeerde hij te goeder trouw in de veronderstelling, en mocht hij ook rechtens in de veronderstelling verkeren, dat hij keurig aan alle verplichtingen voldeed.

2.10 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de beweerdelijk vruchteloze pogingen van [verzoeker] om zijnerzijds contact met de bewindvoerder op te nemen, hem het gerechtvaardigde vertrouwen konden geven dat hij aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldeed. Overigens vermeldt het middel geen vindplaats van de stelling dat [verzoeker] (gerechtvaardigd) erop heeft vertrouwd dat hij aan zijn verplichtingen ingevolge de schuldsaneringsregeling voldeed, terwijl uit de processtukken evenmin blijkt dat hij deze stelling in de feitelijke instanties heeft aangevoerd.

2.11 Middel V voert aan dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reden heeft om de eindafrekening van Nuon te betwisten, en dat een bedrag van € 1.708,29 derhalve op een nieuwe schuld betrekking heeft.

Volgens het middel betreft het hier een eindafrekening conform de kleine lettertjes in de algemene voorwaarden, die [verzoeker] redelijkerwijs niet heeft kunnen lezen, althans waarop hij redelijkerwijs niet bedacht behoefde te zijn, nu hij bij de nieuwe contractspartij een veel voordeliger contract kreeg voorgeschoteld. Dientengevolge is hier geen sprake van een nieuwe schuld, maar van een investering teneinde toekomstige besparingen te kunnen doorvoeren, zo betoogt het middel.

2.12 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Voor zover het middel betoogt dat de bedoelde eindafrekening [verzoeker] niet kan worden aangerekend nu hij niet met de algemene voorwaarden van Nuon bekend was, geldt dat niet valt in te zien waarom niet van [verzoeker] kon worden gevergd dat hij zich voor opzegging van het contract met Nuon in de consequenties daarvan zou verdiepen. Evenmin kan het middel worden gevolgd in het betoog dat erop neerkomt dat de boedel bij de overstap naar een nieuwe energieleverancier per saldo zal zijn gebaat. In aanmerking genomen dat ten tijde van de beëindiging van de schuldsanering door de rechtbank ongeveer de helft van de in beginsel driejarige duur van de toepassing van de schuldsaneringsregeling was verstreken, valt bij gebreke van een nadere toelichting niet in te zien hoe [verzoeker] gedurende de resterende anderhalf jaar bij de nieuwe energieleverancier een besparing zou hebben kunnen realiseren die de schuld aan Nuon van € 1.708,29 overtreft. Waar de raadsvrouwe van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft medegedeeld dat [verzoeker] de eindafrekening begin 2007 heeft ontvangen en dat deze op de jaren 2005 en 2006 betrekking heeft, lijkt bovendien de conclusie gerechtvaardigd dat minst genomen een deel van het door Nuon in rekening gebrachte bedrag ook zonder opzegging verschuldigd zou zijn geworden. Overigens vermeldt het middel geen vindplaats van de stelling dat [verzoeker] niet bekend was - en evenmin redelijkerwijs bekend behoorde te zijn - met de algemene voorwaarden van Nuon en dat de overstap naar een andere leverancier de boedel uiteindelijk voordeel zal opleveren, terwijl uit de processtukken ook niet blijkt dat hij deze stellingen in de feitelijke instanties heeft betrokken.

2.13 Middel VI klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat [verzoeker] zijn verslavingsprobleem al enige tijd onder controle heeft. Voorts betoogt het middel dat het hof daarbij ten onrechte en volledig ongemotiveerd het criterium aanlegt: "dat wil zeggen dat hij al enige tijd geen alcohol meer gebruikt en dat door een hulpverlenende instantie wordt bevestigd dat de verslaving onder controle is" alsmede dat "(o)nder enige tijd (...) niet een periode van krap vier maanden (valt)".

Het middel betoogt dat afkomen van een alcoholverslaving, of welke verslaving dan ook, een langdurige intensieve behandeling en bijstand vergt, welke [verzoeker] wel degelijk in gang heeft gezet. Volgens het middel volgt hieruit dat hij aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldoet.

2.14 Verslavingsproblematiek kan aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan, op de grond dat gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en/of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen (art. 288 lid 1, aanhef en onder b, (oud) Fw), en/of dat de schuldenaar ten aanzien van met zijn verslaving samenhangende schulden niet te goeder trouw is geweest (art. 288 lid 1, aanhef en onder b, (oud) Fw)(10). Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat toepassing van de schuldsanering betrekkelijk hoge eisen aan de schuldenaar stelt, wat betreft diens praktische mogelijkheden en bereidheid om boedelafdrachten te maximeren door tijdens de looptijd van de schuldsanering uitgaven te beperken en te trachten zoveel mogelijk inkomsten uit arbeid te verwerven(11). Een pas na de toelating tot de schuldsanering gebleken verslaving van de schuldenaar kan op overeenkomstige wijze tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsanering leiden, wegens het niet naar behoren nakomen van uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen en/of (potentiële) benadeling van schuldeisers (art. 350 lid 3, aanhef en onder c en e, (oud) Fw).

2.15 Tegen de achtergrond van het voorgaande acht ik niet onbegrijpelijk, en getuigt het evenmin van een onjuiste rechtsopvatting, dat het hof zijn beslissing mede heeft gebaseerd op de overweging dat niet is gebleken dat [verzoeker] zijn verslaving al enige tijd "onder controle" heeft. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bewindvoerder bij die gelegenheid verklaard dat [verzoeker] tijdens de toelatingszitting niet heeft gemeld een alcoholverslaving te hebben, terwijl [verzoeker] heeft verklaard dat hij sinds zijn 22ste een alcoholprobleem heeft(12). Alhoewel [verzoeker] op 25 januari 2006 tot de schuldsanering is toegelaten, is gesteld noch gebleken dat hij zich vóór medio 2007(13) voor zijn alcoholverslaving heeft laten behandelen. Evenmin is gesteld of gebleken dat hij zich niet eerder dan medio juli 2007 onder behandeling had kunnen laten stellen. In het licht van dit een en ander is het hof klaarblijkelijk van oordeel dat aan [verzoeker] kan worden toegerekend dat zijn alcoholverslaving aan een correcte uitvoering van de schuldsanering in de weg staat(14). Voorts ligt het mijns inziens alleszins voor de hand om, zoals het hof heeft gedaan, ten aanzien van een schuldenaar met een verslavingsverleden te verlangen dat de beweerde ontwenning een zekere mate van bestendigheid vertoont en door een ter zake deskundige hulpverlener wordt bevestigd(15). Naar wordt aangenomen beoogt de schuldsaneringsregeling immers "het sluitstuk te zijn van een traject waarin de oorzaken die tot de schulden hebben geleid, zijn opgelost"(16). Een zodanige benadering strookt tevens met de Richtlijnen voor schuldsaneringen van de Recofa (versie van augustus 2005) waarvan punt 4, onder c, als volgt luidt(17):

"c. Uitgangspunt bij de toelating van schuldenaren met verslavingsproblemen is dat de verslaving al enig tijd "onder controle" dient te zijn. Dat wil zeggen dat verzoeker al enige tijd geen drugs/alcohol meer gebruikt en/of al enige tijd niet meer gokt. Gedacht kan worden aan een periode van één jaar. De duur van deze periode is onder meer afhankelijk van de ernst en de duur van de verslaving. Dat de verslaving onder controle is, dient te worden bevestigd door een hulpverlener/hulpverlenende instantie."

Daargelaten of in geval van een alcoholverslaving in het algemeen na een periode van vier maanden van onthouding van een duurzame ontwenning kan worden gesproken, meen ik dat het hof in dit geval heeft kunnen overwegen dat deze periode ontoereikend is, nu [verzoeker] heeft verklaard sinds zijn 22ste een alcoholprobleem te hebben, terwijl hij ten tijde van het bestreden arrest een leeftijd van 50 jaar had. Dat, naar de raadsvrouwe van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling in appel heeft opgemerkt, een psychologe van Parnassia heeft gezegd "dat het goed (gaat): er is geen melding van de ouders of de huisarts geweest in de afgelopen vier maanden", biedt mijns inziens onvoldoende grondslag om te oordelen dat wél van een duurzame ontwenning sprake is.

De rechts- en motiveringsklachten van het middel stuiten op het voorgaande af. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie de eerste twee alinea's, onder "Het geding", van p. 1 van het bestreden arrest, alsmede p. 1 van het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juni 2007.

2 Het bestreden arrest dateert van 6 november 2007; het cassatierekest van 9 november 2007 is op diezelfde datum (en derhalve binnen acht dagen; zie art. 351 (oud) Fw in verbinding met art. 342 lid 3 (oud) Fw) per fax bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen. Met ingang van 1 januari 2008 (zie Stb. 2007, 222) is de Wet houdende wijziging van de Faillissementswet in verband met de herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2007, 192) in werking getreden. De overgangsbepaling van art. IV gaat uit van onmiddellijke werking, zij het met enkele uitzonderingen. In art. IV is onder meer bepaald dat art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw buiten toepassing blijft, als naar oud recht definitief over toelating tot de schuldsaneringsregeling is beslist. Op p. 7 van de nota van wijziging wordt daarover opgemerkt: "Nadat de voorlopige toepassing is omgezet in een definitieve toelating, blijft alleen de nieuwe grond voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, artikel 350, derde lid, onder f, buiten toepassing, omdat de toelatingsvoorwaarden van de oude wet van toepassing waren en ook blijven indien tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling feiten en omstandigheden bekend worden die tot afwijzing van het toelatingsverzoek zouden hebben geleid als ze op dat moment bekend zouden zijn geweest.".

3 Zie over de sollicitatieplicht: conclusie A-G Langemeijer vóór HR 19 januari 2007, NJ 2007, 61, onder 2.4 e.v.; A.J. Noordam en R.M. Pasma, Een schone lei, niet(s) voor niets, SchuldSanering 2004/4, p. 9-15, in het bijzonder p. 12/13; H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei (2005), p. 49/50, A.J. Noordam, Wsnp en goede trouw (2008), p. 76-81.

4 Vgl. punt 14, onder c, van de door de Recofa opgestelde Richtlijnen voor schuldsaneringen, versie augustus 2005, die in de periode van 1 oktober 2005 tot 1 januari 2008 hebben gegolden. De richtlijnen zijn te raadplegen op www.rechtspraak.nl. Zie over de status van de Recofa-richtlijnen A.J. Noordam, Wsnp en goede trouw (2008), p. 120-122 en 216.

5 Vgl. voor het eigenstandige karakter van het faillissementsprocesrecht M. Ynzonides, Faillissements- versus burgerlijk procesrecht, TvI 2004, p. 301-304. Zie daarnaast R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (1998), p. 28, die opmerkt dat de rechter de toetsing aan de goede trouw van de schuldenaar ambtshalve dient te verrichten.

6 Zie de art. 24 en 26 WW.

7 Vgl. de tijdens de mondelinge behandeling van 30 oktober 2007 door de bewindvoerder afgelegde verklaring dat hij bij brief van 5 maart 2007 voor het laatst stukken van [verzoeker] heeft ontvangen en dat in deze brief wordt verwezen naar sollicitatiebrieven die niet als bijlagen zijn bijgevoegd (proces-verbaal, p. 3), alsmede de in rov. 3 van het bestreden arrest gereleveerde uitlating van de bewindvoerder dat de laatste sollicitatieactiviteiten uit augustus 2006 dateren.

8 Zie H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei (2005), p. 50 en hof Arnhem 11 november 2002, 2002-363, te raadplegen via www.wsnp.rvr.org.nl. Zie voorts A.J. Noordam en R.M. Pasma, Een schone lei, niet(s) voor niets, SchuldSanering 2004/4, p. 9-15, in het bijzonder p.12-13 en A.J. Noordam, Wsnp en goede trouw (2008), p. 78/79 en 81, die het onwenselijk acht dat de schuldenaar niet zou mogen afgaan op een op de wet gebaseerde ontheffing van de sollicitatieplicht.

9 Vgl. de weergave van de ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring van [verzoeker] zoals weergegeven in het beëindigingsvonnis: "(...) Schuldenaar heeft verklaard bewijzen van sollicitatieactiviteiten naar de bewindvoerder te hebben gestuurd. Het verzoek van de bewindvoerder om deze informatie is niet op tijd door schuldenaar ontvangen, omdat de post verkeerd was bezorgd." Vgl. voorts het hoger beroepschrift, grieven II en V en de passage uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel: "Voorts merkt mr. Dietz de Loos-Schrijver ten aanzien van de informatieplicht op dat [verzoeker] stelselmatig stukken naar de bewindvoerder heeft gestuurd. Hij heeft elke maand aan zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldaan. De bewindvoerder echter heeft post naar een adres gestuurd waar [verzoeker] niet woont, zodat die post verkeerd is bezorgd" alsmede de weergave van het standpunt van [verzoeker] in rov. 2 van het bestreden arrest: "(...) Hij heeft bewijzen van zijn sollicitatieactiviteiten naar de bewindvoerder gestuurd. De bewindvoerder heeft post naar een adres gestuurd waar [verzoeker] niet woont, zodat die post verkeerd is bezorgd. Hierdoor is miscommunicatie ontstaan. (...)".

10 Vgl. hof 's-Hertogenbosch 24 maart 1999, SchuldSanering 1999/1, p. 12, hof Arnhem 7 februari 2000 en hof Arnhem 21 september 2000, alle te raadplegen op www.wsnp.rvr.org.nl, hof 's-Gravenhage 23 mei 2000, LJN AE9947, de conclusie van A-G Spier voor HR 21 december 2001 (art. 101a RO), LJN AD5364, de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 27 april 2007, LJN BA1528, RvdW 2007, 465, en de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 18 januari 2008, LJN BC2159, RvdW 2008, 106. Zie voorts A.J. Noordam, Wsnp en goede trouw (2008), p. 47/48, 118, 198/199 en 215.

11 Aldus A-G Langemeijer in zijn conclusie voor HR 27 april 2007, LJN BA 1528, RvdW 2007, 465, onder 2.14.

12 Zie tevens het cassatierekest, onder "FEITEN", op p. 3, onder 4.

13 Tijdens de mondelinge behandeling door de rechtbank op 21 juni 2007 heeft [verzoeker] verklaard dat hij in verband met zijn alcoholverslaving nu bij Parnassia onder behandeling staat, vgl. het vonnis van 28 juni 2007, p. 1.

14 Vgl. HR 13 april 2007, NJ 2007, 372, en de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 18 januari 2008, LJN BC2159, RvdW 2008, 106, onder 3.4 en 3.6.

15 Vgl. B. Engberts, Het wetsontwerp Wsnp (deel 1): De toegang tot de Wsnp en de dwangregeling, SchuldSanering, 2007/2, p. 7.

16 Zie H.H. Dethmers, Van Schuldsanering tot schone lei (2005), p. 35, alsmede rechtbank Almelo 13 november 2001, LJN AF0137.

17 De per 1 januari 2008 in werking getreden Wet houdende wijziging van de Faillissementswet in verband met de herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2007, 192) omvat onder andere een nieuw art. 288 waarvan het derde lid als volgt luidt: "Het verzoek kan in afwijking van het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen." De bepaling betreft in het bijzonder de mogelijkheid dat de rechter een schuldenaar met psychosociale of verslavingsproblematiek toelaat, indien die problematiek voldoende onder controle is, zie Kamerstukken II, 2006/07, 29 942, nr. 24, p. 2. Volgens de minister is de bepaling een codificatie van punt 4, onder c en d, van Richtlijnen voor schuldsaneringen van de Recofa (versie augustus 2005); zie Handelingen EK, 22 mei 2007, p. 30-957.