Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD3131

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
07/13591
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD3131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling wegens het vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan/onbetaald laten van bepaalde schulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 582
RvdW 2008, 746
JWB 2008/318
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/13591HR

mr. Keus

Parket, 23 mei 2008

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

verzoekster tot cassatie

Het gaat in deze zaak om de tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling die ten aanzien van [verzoekster] is uitgesproken. In cassatie is in het bijzonder aan de orde of het hof aan die beëindiging ten grondslag heeft kunnen leggen dat [verzoekster] vóór haar toelating tot de schuldsaneringsregeling ten aanzien van het ontstaan c.q. onbetaald laten van bepaalde schulden niet te goeder trouw is geweest.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [Verzoekster] is een thans 33-jarige vrouw die met haar zoon van acht jaar een gezin vormt. In 1993 is zij in algehele gemeenschap van goederen(2) gehuwd met [betrokkene 1]. In 2002 heeft [betrokkene 1] de echtelijke woning verlaten. Op 2 juli 2003 is het huwelijk door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ontbonden. In 2004 is [verzoekster] opnieuw met [betrokkene 1] gaan samenwonen. Begin 2005 is de relatie wederom geëindigd. [Verzoekster] lijdt aan een chronische leveraandoening. Om die reden is zij volledig arbeidsongeschikt en ontvangt zij een Wajong-uitkering. Zij ontvangt geen alimentatie.

1.2 Met een verzoekschrift als bedoeld in art. 284 Fw van 13 februari 2007 heeft [verzoekster] de rechtbank Arnhem verzocht de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren. Bij haar verzoekschrift heeft zij een verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1, aanhef en onder e, (oud) Fw(3) overgelegd. Volgens deze verklaring bedraagt het totaal aan concurrente schulden € 48.894,87 en het totaal aan preferente schulden € 4.108,-. Als persoonlijke omstandigheden die invloed op het ontstaan van de schulden hebben gehad, vermeldt de verklaring:

"Mevrouw is een alleenstaande moeder met een 6 jarig kind. Mevrouw heeft een WAO uitkering, gelet op het feit dat zij een chronische leverafwijking heeft, is de kans op de arbeidsmarkt nihil. Mevrouw wil wel graag aan de slag, zinvolle dagbesteding, sociale contacten en dergelijke maar vaak is dit fysiek niet mogelijk."

1.3 Ter zitting van 5 maart 2007 heeft de rechtbank [verzoekster] gehoord. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van diezelfde datum de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. F.M.T. Quaadvliet tot rechter-commissaris en drs. P. Kranen tot bewindvoerder.

In haar vonnis stelde de rechtbank voorop dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een deel van haar schulden niet te goeder trouw is geweest. Hierbij nam de rechtbank in aanmerking dat [verzoekster] voor een totaalbedrag van ongeveer € 700,- schulden bij het C.J.I.B. heeft, en wel ter zake van boetes die naar aanleiding van verkeersovertredingen zijn opgelegd. In dit verband achtte de rechtbank echter van belang dat [verzoekster] sinds 2006 geen auto meer heeft. Verder nam de rechtbank in aanmerking dat [verzoekster] voor een totaalbedrag van ongeveer € 280,- schulden bij Otto en Wehkamp heeft. Dienaangaande overwoog de rechtbank echter dat deze schulden op de aanschaf van kleding voor [verzoekster] en haar kind betrekking hebben.

De rechtbank oordeelde dat, ondanks het verwijt dat [verzoekster] in verband met haar schulden treft, het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van haar persoonlijke omstandigheden moet worden toegewezen. Daarbij hield de rechtbank rekening met het feit dat [verzoekster] ondanks haar lage inkomen al jaren op een schuld aan ABN AMRO aflost en dat zij met haar 6-jarig kind van de gasvoorziening is afgesloten.

1.4 Naar aanleiding van een op 14 maart 2007 bij [verzoekster] afgelegd huisbezoek heeft de bewindvoerder op grond van art. 318 Fw een (aanvangs)verslag van 16 maart 2007 opgesteld. Dit verslag vermeldt onder "2. Oorzaak en achtergronden van de schulden":

"• Algemeen

Schuldenaar heeft voor haar bruiloft een lening afgesloten. Daarnaast is destijds geleend voor een eigen woning en voor de opstart van een onderneming door de ex-partner.

Mevrouw werd chronisch ziek en de relatie stranden. De gevolgen waren forse financiele problemen.

(...)

• Is gebleken van niet bekende feiten en omstandigheden die aan de toelating WSNP in de weg hadden gestaan?

In het vonnis wordt hierover gesproken. Een en ander wordt hier niet herhaald."

1.5 Bij brief van 14 juni 2007 heeft de gemeente Nijmegen (hierna: de Gemeente) de bewindvoerder geïnformeerd dat zij een (restant)vordering van € 14.174,98 op [verzoekster] heeft. Blijkens een besluit van de Gemeente van 20 mei 2005 betreft deze vordering een op 25 juni 2004 aan [verzoekster] verstrekte lening van € 15.000,- in het kader van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, om te voorzien in bedrijfskapitaal. Op de grond dat [verzoekster] haar bedrijf per 1 oktober 2004 heeft beëindigd, heeft de Gemeente bij genoemd besluit het krediet met ingang van genoemde datum opgezegd en het geleende bedrag, vermeerderd met rente vanaf 1 oktober 2004, teruggevorderd. Voorts heeft de Gemeente in genoemd besluit aangekondigd vanaf 24 november 2004 een bedrag van € 41,- op de uitkering van [verzoekster] te zullen inhouden(4).

1.6 Mede naar aanleiding van de brief van de Gemeente van 14 juni 2007(5) en op verzoek van de rechter-commissaris heeft de rechtbank [verzoekster] ter zitting van 25 september 2007 gehoord.

1.7 Bij vonnis van 4 oktober 2007 overwoog de rechtbank dat [verzoekster] het gemeentekrediet niet in haar inleidende verzoekschrift en evenmin bij de toelatingszitting of het huisbezoek van de bewindvoerder heeft gemeld en dat zij daarom niet aan haar informatieplicht heeft voldaan. Volgens de rechtbank zou [verzoekster] niet tot de schuldsaneringsregeling zijn toegelaten als de vordering van de Gemeente tijdens de toelatingszitting bekend was geweest, omdat zij dat krediet onverplicht is aangegaan en daarmee eveneens onverplicht en ongerechtvaardigd de schulden van haar ex-man heeft betaald, terwijl zij op dat moment zelf al hoge schulden had. Temeer nu de besteding van het krediet ook daarom onverantwoord was nu het bedrijf van de ex-man van [verzoekster] drie maanden later alsnog niet levensvatbaar bleek, oordeelde de rechtbank dat [verzoekster] haar eigen schuldeisers heeft benadeeld en haar totale schuld onnodig heeft laten oplopen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er voldoende gronden aanwezig zijn om de wettelijke schuldsaneringsregeling te beëindigen en heeft die beëindiging uitgesproken, met benoeming van mr. F.M.T. Quaadvliet tot rechter-commissaris en drs. P. Kranen tot curator in het faillissement waarin [verzoekster] bij het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis zal komen te verkeren.

1.8 Bij verzoekschrift van 11 oktober 2007 is [verzoekster] bij het hof Arnhem in hoger beroep gekomen.

1.9 Ter zitting van 3 december 2007 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgehad. [Verzoekster] is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar procureur. De bewindvoerder is eveneens ter zitting verschenen.

1.10 Bij arrest van 10 december 2007 heeft het hof het vonnis van 4 oktober 2007 bekrachtigd. Daartoe heeft het hof geoordeeld dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van genoemde schuld aan de Gemeente (rov. 3.3), dat zij voorts ten aanzien van het onbetaald laten van (een deel van) haar schulden niet te goeder trouw is doordat zij haar aandeel in de overwaarde van de voormalige echtelijke woning destijds geheel aan de onderneming van haar voormalige echtgenoot ten goede heeft laten komen (rov. 3.4) en dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de schuldsaneringsregeling desondanks zou moeten worden voortgezet, onvoldoende is gebleken (rov. 3.6).

1.11 Bij verzoekschrift van 17 december 2007 heeft [verzoekster] tijdig(6) beroep in cassatie ingesteld. Er is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 [Verzoekster] heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel omvat een algemeen geformuleerde rechts- en/of motiveringsklacht die in de onderdelen 1-2.3.4 wordt uitgewerkt.

Als opmaat tot die uitwerking geeft onderdeel 1 onder a-k een opsomming van de stellingen die [verzoekster] in appel heeft aangevoerd.

Vervolgens verduidelijken de onderdelen 2 en 2.1 dat de in het middel vervatte klachten zich tegen de rov. 3.3-3.6 en het dictum van het bestreden arrest richten.

De (sub)onderdelen 2.1 onder (i)-(iv) en 2.1.1-2.3.4 omvatten de concrete klachten en een (nadere) uitwerking daarvan.

2.2 De door het middel bestreden overwegingen luiden als volgt:

"3.3 Voorop wordt gesteld dat [verzoekster] bij de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling geen melding heeft gemaakt van de schuld bij de gemeente van bijna € 15.000,- uit hoofde van een door haar in 2004 afgesloten lening. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] lichtvaardig heeft gehandeld door in de situatie waarin zij zelf schulden had en zonder enig zicht te hebben op de activiteiten in en de levensvatbaarheid van de door [betrokkene 1] gedreven onderneming een lening van € 15.000,- bij de gemeente af te sluiten ten behoeve van de niet door haar gedreven onderneming. Daar komt bij dat de lening niet is gebruikt voor het doel waarvoor deze is verstrekt, namelijk het voorzien van bedrijfskapitaal, maar om bedrijfsschulden van [betrokkene 1] af te lossen. Deze lening zou, ware deze gemeld bij de aanvraag tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, aan toelating in de weg hebben gestaan omdat, gelet op het voorgaande, [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van deze schuld niet te goeder trouw is geweest.

3.4 Voorts is ter zitting van het hof gebleken dat [verzoekster] de overwaarde van de na de echtscheiding in 2003 verkochte voormalige echtelijke woning van € 14.000,-, ten aanzien waarvan zij voor de helft (€ 7.000,-) gerechtigd was, niet heeft aangewend om bestaande schuldeisers te voldoen, maar naar eigen zeggen geheel aan (de onderneming van) [betrokkene 1] ten goede heeft laten komen. In zoverre is [verzoekster] ten aanzien van het onbetaald laten van haar op dat moment bestaande schulden niet te goeder trouw.

3.5 Op grond van dit alles komt ook het hof tot de slotsom dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] tussentijds beëindigd dient te worden.

3.6 Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de schuldsaneringsregeling desondanks zou moeten worden voortgezet is onvoldoende gebleken. De omstandigheid dat [verzoekster] bij beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling in staat van faillissement zal komen te verkeren, is voor het hof geen reden om anders te oordelen. Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd."

2.3 Alvorens tot een bespreking van de klachten over te gaan, stel ik het volgende voorop. De onderhavige zaak betreft een tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De gronden voor een zodanige beëindiging worden in art. 350 lid 3 (oud) Fw limitatief(7) opgesomd. Over de beëindigingsgronden van art. 350 lid 3, aanhef en onder c en e (oud), is tijdens de parlementaire behandeling het volgende opgemerkt:

"Ten tweede is denkbaar dat een schuldenaar tot de regeling wordt toegelaten, maar dat op een later moment wordt ontdekt dat de schuldenaar niet te goeder trouw is.

Dan biedt artikel 350 lid 3 Fw de mogelijkheid om tot een tussentijdse beëindiging van de regeling te komen. (...) De rechter kan de toepassing van de regeling beëindigen hetzij indien de schuldenaar een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (onderdeel c), hetzij indien de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen (onderdeel e). Deze laatste bepaling is met opzet ruim geformuleerd om de rechter de nodige beoordelingsvrijheid te geven. Ook als de schuldenaar voorafgaand aan de toepassing van de regeling handelingen heeft verricht die erop gericht waren zijn schuldeisers te benadelen, dan levert het verzwijgen daarvan (aan bewindvoerder en/of rechter en/of schuldeisers) tijdens de regeling misbruik op. Hetzelfde geldt indien de schuldenaar voorafgaand aan de toepassing van de regeling informatie achterhoudt (bijvoorbeeld het niet vermelden van fraudeschulden of het in het kader van de aflossingscapaciteit niet vermelden van een vordering op een derde) welke ontbrekende gegevens leiden tot een onterechte toegang tot de regeling. De memorie van toelichting heeft de toepasselijkheid van de beide beëindigingsgronden in artikel 350 lid 3 onderdelen c en e Fw niet beperkt tot misbruik dat zich tijdens de regeling voordoet. De omstandigheid dat ter gelegenheid van de beoordeling van het inleidende verzoekschrift de kwade trouw van de schuldenaar over het hoofd is gezien, betekent dus niet dat de rechter en de bewindvoerder als het ware een fatale kans zouden hebben gemist, en dat, indien in een later stadium wel misbruik aan het licht komt, de rechter niet de vrijheid zou hebben om de regeling al dan niet op initiatief van de bewindvoerder direct tussentijds te beëindigen."(8)

2.4 Op grond van deze passage wordt aangenomen dat de rechter ingevolge art. 350 lid 3 (oud) Fw de mogelijkheid heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, indien na toelating tot de regeling alsnog wordt ontdekt dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest(9). Uit de slotzin van de geciteerde passage wordt verder afgeleid dat de benadeling van de schuldeisers niet erin behoeft te zijn gelegen dat het aan de schuldenaar is te wijten dat hij, ondanks het ontbreken van goede trouw, tot de schuldsanering is toegelaten(10).

2.5 Voor zover bij een op art. 350 lid 3 (oud) Fw te gronden tussentijdse beëindiging de goede trouw van de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling een rol speelt, meen ik dat bij de beoordeling daarvan dient te worden uitgegaan van de maatstaven die voor de toepassing van art. 288 lid 2, aanhef en onder b (oud), Fw gelden. In dat verband wijs ik op HR 24 december 2004, NJ 2005, 129, waarin is overwogen:

"3.4 (...) Het gaat in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw om een facultatieve grond voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij deze facultatieve afwijzingsgrond waarmee mede wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, gaat het blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet om de goede trouw bedoeld in art. 3:11 BW of de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en 6:248 BW, maar om een gedragsmaatstaf. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de rechter in een concreet geval met alle omstandigheden rekening kan houden. "Daarbij spelen een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke" (Kamerstukken II 1993/1994, 22 969, nr. 6, blz. 20) (vgl. HR 26 januari 2001, nr. R00/138HR, NJ 2001, 178)."(11)

2.6 Zoals in de geciteerde passage overwogen, wordt met de facultatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b (oud) Fw mede beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan. In dat verband is van belang dat de rechter bij de toetsing van het gedrag van de schuldenaar onder meer acht kan slaan op de mate waarin de schuldenaar ervan een verwijt kan worden gemaakt dat de desbetreffende schulden zijn ontstaan en/of geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. Naar ik meen, beperkt eventuele verwijtbaarheid zich echter niet tot het aangaan van schulden met het oogmerk zich daarvan later door middel van toepassing van de schuldsaneringsregeling te bevrijden, tot het tegenwerken van verhaalsacties van schuldeisers of tot andere, daarmee vergelijkbare gedragingen. Van verwijtbaar gedrag kan ook sprake zijn als de schuldenaar, die reeds financiële problemen heeft of ziet aankomen, onverplicht nieuwe schulden aangaat(12).

2.7 Ten slotte valt (ook) ten aanzien van het facultatieve karakter van de afwijzingsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b (oud), een parallel te trekken met de tussentijdse beëindiging van art. 350 lid 3 (oud) Fw; uit de formulering "kan" in de aanhef van die laatste bepaling volgt dat de rechter ook bij de toepassing van de beëindigingsgronden een beoordelingsmarge heeft(13).

2.8 Onderdeel 2.1 klaagt onder (i) dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan van schulden niet te goeder trouw is geweest, op zichzelf niet aan toelating tot de schuldsanering in de weg staat. Onder verwijzing naar HR 20 april 2007, NJ 2007, 242, benadrukt het onderdeel dat art. 288 lid 2, aanhef en sub b (oud), een facultatieve afwijzingsgrond omvat en dat het hof daarom dient te beoordelen of het ontbreken van goede trouw, bezien in het licht van alle overige omstandigheden van het geval, waaronder het ontstaan en het beloop van de overige schulden, een grond kon opleveren het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het volgens het onderdeel geen inzicht in zijn gedachtegang gegeven.

2.9 Alhoewel het hof heeft overwogen dat de door de Gemeente verstrekte lening "(...) aan toelating in de weg (zou) hebben gestaan omdat (...) [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van deze schuld niet te goeder trouw is geweest"(14) (rov. 3.3) en dat [verzoekster] ten aanzien van de besteding van het aan haar toekomende deel van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning niet te goeder trouw is geweest (rov. 3.4) en alhoewel het hof in rov. 3.5 "(o)p grond van dit alles" tot de slotsom is gekomen dat de schuldsaneringsregeling tussentijds dient te worden beëindigd, heeft het mijns inziens het bedoelde facultatieve karakter en de daarmee samenhangende gehoudenheid om met alle omstandigheden van het geval rekening te houden, niet miskend. In rov. 3.6 heeft het hof immers overwogen dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de schuldsaneringsregeling desondanks zou moeten worden voortgezet onvoldoende is gebleken, dat de omstandigheid dat [verzoekster] door de beëindiging van de schuldsanering in staat van faillissement zal komen te verkeren geen reden is om anders te oordelen en dat het hof, "(a)lles overziende", van oordeel is dat het hoger beroep faalt. In het licht van deze overweging kan het onderdeel evenmin worden gevolgd in de klacht dat het hof geen inzicht in zijn gedachtegang op dit punt heeft gegeven. Het onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

2.10 Onderdeel 2.1 betoogt onder (ii) dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat de schuldenaar bij de aanvraag tot toelating tot de schuldsaneringsregeling onvoldoende informatie over één van zijn schulden heeft verschaft, niet behoort tot de limitatief in art. 288 (oud) Fw genoemde afwijzingsgronden. Het onderdeel verwijst in dit verband wederom naar HR 20 april 2007, NJ 2007, 242. Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het volgens het onderdeel geen inzicht in zijn gedachtegang gegeven.

2.11 Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof zijn oordeel (mede(15)) heeft gebaseerd op de omstandigheid dat [verzoekster] bij haar toelatingsverzoek onvoldoende informatie over haar schulden heeft verschaft. Weliswaar heeft het hof in rov. 3.3 vooropgesteld dat [verzoekster] geen melding heeft gemaakt van de schuld aan de Gemeente van bijna € 15.000,-, maar deze vooropstelling was niet dragend voor de tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Onmiskenbaar diende zij slechts als inleiding op de door het hof aan het slot van rov. 3.3 getrokken conclusie dat de schuld aan de Gemeente, ware deze bij het verzoek om toelating gemeld, als zodanig (en niet de verzwijging daarvan) aan toelating in de weg zou hebben gestaan. Het onderdeel mist daarom feitelijke grondslag.

Overigens noemt art. 350 lid 3, aanhef en onder c (oud), Fw als beëindigingsgrond het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waartoe ook een meer algemene verplichting tot het verschaffen van inlichtingen wordt gerekend(16). Niet valt in te zien waarom deze verplichting alleen zou zien op voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling relevante feiten of omstandigheden die van na de toelating tot de schuldsanering dateren(17).

2.12 Onderdeel 2.1 betoogt onder (iii) dat het hof heeft miskend dat:

- indien en voor zover de in de rov. 3.3 en 3.4 van het bestreden arrest genoemde schulden al hebben te gelden als niet te goeder trouw te zijn aangegaan; en

- het enkele feit dat de schulden niet te goeder trouw zijn aangegaan op zichzelf nog niet aan toelating in de weg staat; en

- het verschaffen van onvoldoende informatie omtrent één of meer schulden niet behoort tot de daarvoor limitatief in art. 288 (oud) Fw genoemde gronden voor afwijzing van het verzoek;

voor de beoordeling of dit een grond voor tussentijdse beëindiging van de schuldsanering kan zijn minimaal eenzelfde maatstaf dient te worden aangelegd ten aanzien van schulden die later bekend zijn geworden, maar dateren van vóór de datum van indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Indien het hof dat niet heeft miskend, heeft het volgens het onderdeel geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt.

2.13 Het onderdeel, dat kennelijk ten betoge strekt dat de drempel voor een tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet lager is dan voor een op dezelfde grond te stoelen afwijzing van een verzoek om toelating, kan niet tot cassatie leiden. Het hof is van geen andere opvatting uitgegaan. Aan het slot van rov. 3.3 heeft het hof immers overwogen dat de door de Gemeente verstrekte lening, ware deze bij de aanvraag tot toelating gemeld, vanwege het ontbreken van goede trouw van [verzoekster] aan toelating in de weg zou hebben gestaan. Aldus heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven en zijn oordeel evenmin ontoereikend gemotiveerd.

2.14 Onderdeel 2.1 betoogt onder (iv) dat het hof, indien en voor zover het zich wel rekenschap van het onder (i)-(iii) gestelde heeft gegeven, dan in elk geval geen inzicht heeft gegeven in hoe het daarmee is omgegaan en hoe het de in het beroepschrift aangevoerde feiten en omstandigheden daarbij heeft betrokken en beoordeeld, zodat het bestreden arrest op dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd.

2.15 De klacht dat het hof geen inzicht heeft gegeven in hoe het met het in de onderdelen (i)-(iii) gestelde is omgegaan komt neer op een herhaling van de in deze onderdelen opgenomen motiveringsklachten. In zoverre moet het onderdeel dan ook in het lot van die klachten delen.

2.16 Met betrekking tot de klacht dat het hof geen inzicht heeft gegeven in hoe het met de in het beroepschrift aangevoerde feiten en omstandigheden is omgegaan, acht ik het volgende van belang.

Aan het in rov. 3.3 vervatte oordeel dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van de schuld uit hoofde van het gemeentekrediet niet te goeder trouw is geweest, heeft het hof ten grondslag gelegd dat [verzoekster] lichtvaardig heeft gehandeld door ten behoeve van de onderneming van haar voormalige echtgenoot een lening van € 15.000,- bij de Gemeente af te sluiten, ofschoon zij zelf schulden had en haar enig zicht op de activiteiten in en de levensvatbaarheid van die onderneming ontbrak. Verder overwoog het hof dat de bedoelde lening niet is gebruikt voor het doel waarvoor zij is verstrekt, namelijk het voorzien van bedrijfskapitaal, maar om bedrijfsschulden van de voormalige echtgenoot van [verzoekster] af te lossen.

Ter onderbouwing van het standpunt dat het gemeentekrediet haar niet kan worden verweten, heeft [verzoekster] in het beroepschrift gesteld dat zij door haar voormalige echtgenoot is bedreigd en onder druk is gezet om dit krediet aan te gaan (onder 1), dat zij zich vanwege haar gezondheidstoestand en financiële positie niet tegen deze druk heeft kunnen verzetten (onder 1 en 5) en dat het krediet tegen haar zin is aangewend om de schulden van haar voormalige echtgenoot te voldoen (onder 1). Bij de beoordeling van deze stellingen is mijns inziens van belang dat [verzoekster] tijdens de zitting van 25 september 2007 - blijkens de (in appel op zichzelf onbestreden) weergave van haar tijdens die zitting afgelegde verklaring in het vonnis van 4 oktober 2007 - géén melding ervan heeft gemaakt dat zij door [betrokkene 1] onder druk zou zijn gezet om het gemeentekrediet aan te gaan. Verder is van belang dat [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal (p. 1), over het ontstaan van deze schuld en haar rol in het bedrijf van [betrokkene 1] en bij de besteding van het krediet, heeft verklaard:

"(...) Ik had geen functie in het bedrijf. Wel heb ik de financiële administratie gedaan. Om de drie maanden heb ik de stukken bij de boekhouder gebracht. [betrokkene 1] en ik hebben samen de lening aangevraagd bij de gemeente Nijmegen (...). Deze lening is op onze beide namen afgesloten. Ik stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Op de vraag van het hof waarom de lening (ook) op mijn naam is gezet, antwoord ik u dat [betrokkene 1] de lening anders niet had kunnen krijgen, omdat hij onvoldoende inkomsten had. (...) Op de vraag van het hof of ik de lening misschien onder bedreiging van [betrokkene 1] ben aangegaan, antwoord ik u dat ik wel ruzies met [betrokkene 1] had en dat hij liet blijken dat hij het geld nodig had. (...) Na het staken van het bedrijf is mijn relatie met [betrokkene 1] geëindigd. Dat was begin 2005, nadat [betrokkene 1] mij mishandeld heeft. (...)"

Op grond van dit een en ander heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de beweerdelijk door [betrokkene 1] op [verzoekster] uitgeoefende druk bij het aangaan van het gemeentekrediet niet van dien aard was dat zij daaraan toen geen weerstand had kunnen bieden en dat de hiervóór samengevatte stellingen uit het beroepschrift dan ook niet in de weg staan aan het oordeel dat bij [verzoekster] goede trouw ten aanzien van het gemeentekrediet ontbrak.

Het beroepschrift bevat verder het betoog dat het [verzoekster] niet kan worden verweten dat zij heeft nagelaten het gemeentekrediet bij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te melden. Volgens [verzoekster] heeft zij de vordering van de Gemeente niet moedwillig verzwegen, maar is deze haar geheel ontschoten, waarbij stress ten gevolge van haar leverziekte, de zorg voor haar kind en een maandenlange afsluiting door NUON een rol hebben gespeeld (het beroepschrift onder 4 en 5). Op deze stellingen behoefde het hof echter niet te responderen, nu het, naar hiervóór (onder 2.11) reeds opgemerkt, zijn oordeel niet (mede) op schending van een informatieplicht van [verzoekster] heeft gegrond.

Tot slot is in het beroepschrift benadrukt dat [verzoekster] aan een ernstige chronische leverziekte lijdt, dat zij en haar kind afhankelijk zijn van een Wajong-uitkering, dat zij jarenlang op een schuld aan ABN-AMRO heeft afgelost, dat zij volledige medewerking heeft verleend door het verstrekken van alle gevraagde stukken, het volgen van een budgetcursus en het bijhouden van haar administratie en dat zij daarnaast geen baat bij het gemeentekrediet heeft gehad (het beroepschrift onder 2 en 5). Kennelijk mede naar aanleiding van deze stellingen heeft het hof in rov. 3.6 overwogen dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de schuldsanering desondanks zou moeten worden voortgezet, onvoldoende is gebleken. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. In dit verband moet mede worden bedacht dat de rechtbank in verband met de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] bij haar toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds was heengestapt over het feit dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een deel van haar toen wel in aanmerking genomen schulden niet te goeder trouw was geweest, maar dat daarmee kennelijk, zowel bij de rechtbank als bij het hof, het aan die persoonlijke omstandigheden te ontlenen "krediet" was uitgeput, toen achteraf bleek van een verdere schuld ten aanzien waarvan [verzoekster] evenmin te goeder trouw was geweest en die bovendien een veelvoud bedroeg van de schulden waarvoor de rechtbank [verzoekster] aanvankelijk vanwege haar persoonlijke omstandigheden had gepardonneerd.

De klachten van het onderdeel treffen dan ook geen doel.

2.17 Onderdeel 2.1.1 bevat de klacht dat het hof niet heeft gemotiveerd op welke wettelijke basis het heeft geoordeeld dat de schuldsanering wegens het bestaan van schulden niet te goeder trouw dient te worden beëindigd.

Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Het hof heeft, aan het slot van rov. 3.1, het oordeel van de rechtbank aldus samengevat dat [verzoekster] "haar eigen schuldeisers had benadeeld en haar totale schuld onnodig had laten oplopen". Kennelijk heeft het hof, dat het vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd, de door de rechtbank uitgesproken tussentijdse beëindiging (in elk geval) op art. 350 lid 3, aanhef en onder e, (oud) Fw gebaseerd geacht. Hierbij teken ik nog aan dat de rechter in het algemeen niet is gehouden de wetsartikelen waarop hij zijn beslissing baseert in de uitspraak te vermelden.

2.18 Onderdeel 2.1.2 verdedigt dat primair aansluiting moet worden gezocht bij de situatie zoals die aan de orde zou zijn geweest als de bewuste feiten en omstandigheden bij de oorspronkelijke aanvraag waren meegenomen. Het zou onbillijk zijn en in strijd met de geest en strekking van de WSNP, zo betoogt het onderdeel, indien de lat met betrekking tot de toelating halverwege met terugwerkende kracht hoger zou worden gelegd dan in het geval dat de bewuste informatie bij de aanvang zou zijn meegenomen.

Het onderdeel betoogt verder dat aan de gemiddelde schuldenaar ten tijde van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet in extenso juridische kennis en ervaring met betrekking tot de schuldsanering kan worden toegedicht. In dat verband benadrukt het onderdeel dat WSNP-aanvragen niet zelden door niet-juridisch geschoolden worden gedaan en dat het inleidend verzoekschrift hierdoor uiterst summier is. Dit betreft ook de kennis van de schuldenaar, die ervan uitgaat dat de schuldhulpverlener, vertrouwenspersoon of medewerker van een op die markt actief bureau "het wel zal weten", aldus het onderdeel.

2.19 Voor zover het onderdeel veronderstelt dat het hof bij de beoordeling of ten aanzien van de in de rov. 3.3 en 3.4 bedoelde schulden goede trouw bij [verzoekster] ontbrak, het gedrag van [verzoekster] strenger heeft beoordeeld dan het geval zou zijn geweest indien deze schulden bij de toelating tot de schuldsanering aan de orde waren gekomen, mist het feitelijke grondslag. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervóór (onder 2.13) reeds heb opgemerkt.

Voor zover het onderdeel wil betogen dat de omstandigheid dat het gemeentekrediet niet bij het toelatingsverzoek is gemeld, niet aan [verzoekster] kan worden toegerekend omdat zij over onvoldoende juridische kennis beschikt, mist het onderdeel eveneens doel. Naar ik hiervóór (onder 2.11) heb opgemerkt, heeft het hof zijn beslissing niet (mede) gegrond op het oordeel dat [verzoekster] haar inlichtingenplicht heeft geschonden.

2.20 Voortbouwend op onderdeel 2.1.2, poneert onderdeel 2.1.3 dat de bewindvoerder wel over de bedoelde kennis beschikt en dat het dan ook de taak van de bewindvoerder is om uiteindelijk - mede aan de hand van een postblokkade - de schulden te inventariseren en de aard en herkomst daarvan te onderzoeken. Indien en voor zover de bewindvoerder op schulden stuit waarvan zou kunnen worden gesteld dat zij niet te goeder trouw zijn aangegaan, dienen die schulden volgens het onderdeel op eenzelfde wijze te worden beoordeeld als in het kader van de toelating tot de schuldsaneringsregeling. Daarbij is het criterium, zo betoogt het onderdeel, of toelating in weerwil van de ontstaanswijze en de verdere omstandigheden van het geval misbruik zou opleveren, bijvoorbeeld omdat de schuldenaar kort voor het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling nog eens flink wat schulden heeft laten ontstaan met het kennelijke idee dat die vervolgens door middel van de WSNP zullen worden doorgehaald.

2.21 Ook onderdeel 2.1.3 strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag, voor zover het veronderstelt dat het bestreden oordeel (mede) op een schending van de informatieplicht van [verzoekster] berust. Overigens doen, anders dan het onderdeel betoogt, de taak van de bewindvoerder en de postblokkade op grond van art. 99 lid 1 Fw niet aan de hiervóór (onder 2.11) bedoelde informatieplicht van de schuldenaar af(18).

2.22 Ik begrijp het onderdeel aldus dat het tevens klaagt dat tussentijdse beëindiging wegens het ontbreken van goede trouw ten aanzien van schulden slechts kan plaatsvinden, indien van misbruik van de schuldsaneringsregeling sprake is. Deze klacht treft geen doel. Anders dan het onderdeel verdedigt, is de vraag of de schuldsaneringsregeling (desbewust) wordt misbruikt, niet een afzonderlijk criterium waaraan moet zijn voldaan vooraleer een tussentijdse beëindiging kan worden uitgesproken. Nog daargelaten dat de toelatingsgronden mede (en niet uitsluitend) tot het voorkomen van misbruik strekken, betrekt de rechter, evenals bij de beoordeling van het toelatingsverzoek, bij de beoordeling of de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds dient te worden beëindigd, alle relevante omstandigheden, waaronder de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt. Eventuele verwijtbaarheid beperkt zich bovendien niet tot frauduleus handelen. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervóór (onder 2.6) reeds heb opgemerkt.

2.23 Onderdeel 2.1.4 betoogt dat voor de beoordeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, (oud) Fw het enkele feit dat een schuldenaar met betrekking tot een schuld niet te goeder trouw is, niet voor afwijzing van een toelatingsverzoek volstaat. Volgens het onderdeel dient de rechter alle omstandigheden van het geval af te wegen, waarbij het feit dat een schuld niet te goeder trouw is aangegaan als omstandigheid dient te worden betrokken. Daarbij spelen volgens het onderdeel de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar en de mate van verwijtbaarheid (heeft de schuldenaar een strafbaar feit gepleegd) ook een rol. Dat alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen, betekent, aldus het onderdeel, dat het hof in casu hetzij zulks niet heeft gedaan, hetzij geen inzicht heeft gegeven in hoe het de in het beroepschrift aangevoerde feiten en omstandigheden - die in middelonderdeel 1 onder a-k zijn opgesomd en overigens tijdens de mondelinge behandeling niet door de bewindvoerder zijn betwist - in zijn oordeel heeft betrokken.

2.24 Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, voor zover het klaagt dat de door [verzoekster] in appel aangevoerde feiten en omstandigheden bij gebreke van betwisting door de bewindvoerder als vaststaand moeten worden aangenomen. In een procedure als de onderhavige is de rechter niet zonder meer gehouden niet of niet voldoende betwiste stellingen als vaststaand aan te nemen. Zo is art. 149 lid 1 tweede volzin Rv weliswaar op grond van art. 284 Rv op de verzoekschriftprocedure van overeenkomstige toepassing, maar verklaart art. 362 lid 2 Fw de derde titel van het eerste boek van Rv (waarvan art. 284 Rv deel uitmaakt) op verzoeken ingevolge de Fw niet van toepassing(19).

Voor het overige falen de klachten van het onderdeel op grond van hetgeen ik hiervóór (onder 2.9 en 2.16) reeds heb opgemerkt.

2.25 Onderdeel 2.1.5 voert aan dat uit de in het beroepschrift aangevoerde feiten en omstandigheden (die in middelonderdeel 1 onder a-k zijn samengevat) volgt dat de in de rov. 3.3 en 3.4 als niet te goeder trouw bestempelde schulden het gevolg zijn van agressie en druk van de voormalige echtgenoot van [verzoekster], waaraan zij blijkbaar eerder fysiek geen weerstand kon bieden, maar waaraan zij zich uiteindelijk heeft weten te ontworstelen, echter niet dan nadat zij door hem was aangevallen. Het onderdeel benadrukt dat de voormalige echtgenoot voor dat laatste bovendien is veroordeeld. Volgens het onderdeel heeft [verzoekster] daarna een budgetcursus gevolgd en van haar schamele inkomen een schuld aan ABN-AMRO afgelost. Daaruit volgt, zo betoogt het onderdeel, nu juist de goede trouw van [verzoekster]. Het onderdeel betoogt verder dat de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw onder meer ervoor is bedoeld om misbruik van de regeling tegen te gaan. Volgens het onderdeel dient dan ook te worden beoordeeld of het gedrag van [verzoekster] in de gegeven omstandigheden zodanig verwijtbaar is dat, indien al deze feiten en omstandigheden bij de aanvraag bekend waren geweest, dit tot een weigering van de aanvraag had geleid. Het hof heeft dat hetzij niet gedaan, hetzij in elk geval geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang ten aanzien van hoe het de in het beroepschrift aangevoerde feiten en omstandigheden heeft beoordeeld.

2.26 Ten aanzien van de in het onderdeel opgenomen stelling dat de besteding van de aan [verzoekster] toekomende helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning eveneens onder druk en agressie van haar ex-man heeft plaatsgevonden, merk ik op dat het onderdeel niet vermeldt waar [verzoekster] deze stelling in feitelijke instanties heeft betrokken. Uit de stukken blijkt niet dat deze stelling is aangevoerd, zodat zij een in cassatie ontoelaatbaar novum vormt.

De klachten dat het hof heeft verzuimd de in het beroepschrift aangevoerde feiten en omstandigheden in zijn beoordeling te betrekken en dat indien het hof zulks wel heeft gedaan, het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, kunnen op grond van hetgeen ik hiervóór (onder 2.9 en 2.16) reeds heb opgemerkt, niet tot cassatie leiden.

Wat betreft het betoog dat uit het volgen van een budgetcursus en het aflossen van de schuld aan ABN-AMRO nu juist de goede trouw van [verzoekster] volgt, merk ik op dat deze omstandigheden op zichzelf niet afdoen aan het oordeel dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan c.q. onbetaald laten van de in de rov. 3.3 en 3.4 bedoelde schulden niet te goeder trouw is geweest.

2.27 Onderdeel 2.1.6 betoogt dat in het licht van de omstandigheden van het geval, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling dan ook rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Hieraan voegt het onderdeel toe dat in het kader van een tussentijdse beëindiging geen andere (strengere) eisen mogen worden gesteld dan in het kader van een beoordeling met het oog op een eerste toelating.

Het onderdeel bouwt op de voorgaande onderdelen voort en opent geen nieuwe gezichtspunten. Evenmin als de voorgaande onderdelen kan het onderdeel tot cassatie leiden.

2.28 Onderdeel 2.2 klaagt dat rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is of ondeugdelijk is gemotiveerd het oordeel in de rov. 3.3-3.6 en het dictum, dat de in de rov. 3.3-3.4 vermelde omstandigheden tot tussentijdse beëindiging van de schuldsanering dienen te leiden en dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de schuldsaneringsregeling desondanks zou moeten worden voortgezet, onvoldoende is gebleken. Voor een nadere uitwerking van deze klacht wordt naar de daarop volgende onderdelen verwezen.

2.29 Onderdeel 2.2.1 wijst allereerst erop dat art. 350 lid 3, aanhef en onder a-e, (oud) Fw de gronden voor een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling limitatief opsomt. Volgens het onderdeel is gesteld noch gebleken dat één van de in lid 3 genoemde beëindigingsgronden zich in dit geval heeft voorgedaan, althans heeft het hof geen inzicht gegeven in welke grond het heeft gehanteerd, zodat het arrest onvoldoende is gemotiveerd.

Indien het hof zijn oordeel op art. 350 lid 3, aanhef en onder c, Fw heeft gebaseerd, berust dit oordeel volgens onderdeel 2.2.1 onder (i) op een onjuiste rechtsopvatting althans ondeugdelijke motivering. In dat verband wijst het onderdeel erop dat gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.

Indien het hof zijn in de rov. 3.3-3.6 en het dictum vervatte oordeel op art. 350 lid 3, aanhef en onder d, Fw heeft gebaseerd, dan is dit oordeel volgens onderdeel 2.2.1 onder (ii) rechtens onjuist althans ondeugdelijk gemotiveerd, aangezien gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] tijdens de schuldsanering bovenmatige schulden heeft doen of laten ontstaan.

Al deze klachten falen naar mijn mening op grond van hetgeen ik hiervóór onder 2.17 heb opgemerkt; het hof heeft de tussentijdse beëindiging (in elk geval) op art. 350, aanhef en onder e, Fw gegrond en behoefde deze grondslag niet expliciet in zijn arrest te vermelden.

2.30 Indien het hof zijn oordeel op art. 350 lid 3, aanhef en onder e, Fw heeft gebaseerd, is dit oordeel volgens onderdeel 2.2.1 onder (iii) rechtens onjuist althans ondeugdelijk gemotiveerd, aangezien gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] haar schuldeisers tracht te benadelen. Het onderdeel stelt dat [verzoekster] een budgetcursus heeft gevolgd, dat zij van haar uitkering (zelfs) een schuld aan ABN-AMRO heeft afgelost en dat zij zich uiteindelijk heeft kunnen losmaken van haar voormalige echtgenoot, die agressief tegen haar was en haar onder druk zette. Volgens het onderdeel heeft [verzoekster] evenmin fraude gepleegd of een schuld opzettelijk willen verzwijgen. Het onderdeel voert verder aan dat uit het feit dat [verzoekster] in 2003 en 2004 kennelijk niet tegen haar voormalige echtgenoot was opgewassen en om die reden € 7.000,- uit de overwaarde van de echtelijke woning in zijn bedrijf heeft laten vloeien, alsmede onder druk een lening is aangegaan, in het licht van de latere mishandeling en aangifte, in combinatie met het feit dat zij zich uiteindelijk aan deze persoon heeft weten te ontworstelen, niet als één van de in art. 350 lid 3, aanhef en onder c-e, Fw bedoelde beëindigingsgronden kan worden uitgelegd.

2.31 Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het eraan voorbijziet dat naar het oordeel van de rechtbank het handelen van [verzoekster], dat erop was gericht haar voormalige echtgenoot in staat te stellen zijn zakelijke schuldeisers te voldoen, wel degelijk een benadeling van haar eigen schuldeisers impliceerde en dat het hof dit in rov. 3.1, slot, weergegeven oordeel van de rechtbank kennelijk heeft onderschreven. Het hof heeft daaraan in rov. 3.4 nog toegevoegd dat [verzoekster] haar aandeel in de overwaarde van de voormalige echtelijke woning, in plaats van daarmee haar bestaande schuldeisers te voldoen (en dus ten detrimente van die schuldeisers), aan de onderneming van [betrokkene 1] ten goede heeft laten komen en aldus ook ten aanzien van het onbetaald laten van haar op dat moment bestaande schulden (en dus wederom ten detrimente van haar bestaande schuldeisers) niet te goeder trouw was. Overigens bestaat er geen principiële tegenstelling tussen het ontbreken van goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden en een gedraging zoals bedoeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder e, (oud) Fw, die de wet als het trachten te benadelen van schuldeisers omschrijft. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het ook bij een dergelijke gedraging "in wezen (...) om gedrag dat in de gegeven omstandigheden als niet te goeder trouw kan worden gekenschetst"(20). Voor het overige bevat het onderdelen geen gezichtspunten of argumenten die niet reeds in de voorgaande onderdelen naar voren zijn gebracht.

2.32 Onderdeel 2.2.2 betoogt dat alle omstandigheden van dit geval, waaronder de in middelonderdeel 1 onder a-k opgesomde feiten en omstandigheden, ertoe (moeten) leiden dat een tussentijdse beëindiging in strijd komt met doel en strekking van de huidige WSNP-regeling. Met betrekking tot de strekking van deze regeling verwijst het onderdeel naar de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis(21):

a. "(...) het in het leven roepen van een regeling waarmee kan worden tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie terecht is gekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. (...)"

b. "Met het wetsvoorstel wordt voorts beoogd faillissementen van natuurlijke personen zo veel mogelijk terug te dringen (...)"

Volgens het onderdeel past in die doelstellingen nu juist (naadloos) het niet tot in lengte van jaren laten achtervolgen door schulden van een chronisch zieke, alleenstaande moeder met kind, die zich heeft ontworsteld aan een voormalige echtgenoot die haar heeft bedreigd en mishandeld en die daarvoor uiteindelijk ook strafrechtelijk is veroordeeld. Het hof heeft dit in de rov. 3.3-3.6 en het dictum miskend, althans zijn oordeel ondeugdelijk gemotiveerd, aldus het onderdeel.

2.33 De klachten zien eraan voorbij dat, niettegenstaande de door het onderdeel genoemde doelstellingen, de wetgever blijkens de geschiedenis van totstandkoming van art. 350 lid 3 (oud) Fw mogelijk heeft willen maken dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd, indien achteraf blijkt dat een schuldenaar, vanwege het ontbreken van goede trouw ten aanzien van schulden, ten onrechte tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten. Naar hiervóór (onder 2.16) reeds uiteengezet, is het oordeel van het hof dat de toepassing van de regeling op deze grond dient te worden beëindigd - waarbij het hof overigens uitdrukkelijk heeft overwogen dat het faillissement van rechtswege van [verzoekster] geen grond vormt om anders te oordelen - niet rechtens onjuist of ondeugdelijk gemotiveerd. De klachten kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.

2.34 Onderdeel 2.3 klaagt dat het hof in de rov. 3.3-3.6 en het dictum heeft miskend dat, wil een schuld niet te goeder trouw zijn aangegaan, moet komen vast te staan dat de schuldenaar ter zake van het aangaan van die schuld een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat toelating tot de schuldsanering misbruik van die regeling zou opleveren, althans zich tegen de kennelijke aard en strekking van die regeling zou verzetten. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het volgens het onderdeel geen inzicht in zijn gedachtegang op dit punt gegeven.

2.35 Op grond van hetgeen ik hiervóór (onder 2.6 en 2.22) heb opgemerkt, meen ik dat het onderdeel op een onjuiste rechtsopvatting berust en derhalve niet tot cassatie kan leiden.

2.36 Als toelichting op onderdeel 2.3 poneert onderdeel 2.3.1 dat de aard en de strekking van de WSNP is te voorkomen dat mensen tot in lengte van jaren door schulden worden achtervolgd en een kans krijgen met een schone lei te kunnen beginnen.

In het licht van hetgeen ik hiervóór (onder 2.33) heb opgemerkt kunnen de klachten van dit onderdeel mijns inziens niet tot cassatie leiden.

2.37 Onderdeel 2.3.2 wijst erop dat met de maatstaf "goede trouw" niet wordt gedoeld op de goede trouw als bedoeld in art. 3:11 BW of de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:2 en 6:248 BW, maar op een gedragsmaatstaf ("te goeder trouw handelen") en dat de weigeringsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, (oud) Fw is opgenomen om misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan. Volgens onderdeel 2.3.3 moet misbruik worden onderscheiden van het maken van een onjuiste of achteraf gezien minder gelukkige keuze of het zich bevinden in een zodanige positie dat van enige vrije keuze geen sprake is. Het enkele feit dat een keuze die is gemaakt, (lang) voordat toepassing van de schuldsaneringsregeling überhaupt aan de orde was, achteraf bezien wellicht niet de optimale of meest gelukkige is geweest, betekent volgens het onderdeel niet dat alle schulden die in die periode onbetaald zijn gebleven retrospectief als niet te goeder trouw hebben te gelden. De WSNP is nu juist bedoeld om mensen niet de rest van hun leven de gevolgen van een onhandige keuze te laten ondervinden. De WSNP zou vrijwel overbodig zijn als iedereen altijd vooraf de juiste keuzes maakt, aldus - nog steeds - het onderdeel.

2.38 Voor zover het onderdeel erover klaagt dat het hof heeft miskend dat tussen de besteding van de overwaarde en de toelating tot de schuldsanering een periode van vier jaar is verstreken, merk ik op dat de rechter het tijdsverloop sedert het ontstaan of onbetaald laten van een schuld weliswaar kan betrekken bij de beoordeling van de vraag of die schuld niet te goeder trouw is aangegaan of onbetaald gelaten, maar dat het onderhavige tijdsverloop het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maakt. Voor het overige werpen de beschouwingen van het onderdeel geen nieuw licht op de zaak. Het onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

2.39 Voortbouwend op onderdeel 2.3.3 betoogt onderdeel 2.3.4 dat hetzelfde als in dat eerdere onderdeel aangevoerd mutatis mutandis ook voor de in rov. 3.3 genoemde schuld geldt. Onder de feiten en omstandigheden waaronder die schuld is aangegaan (samengevat in middelonderdeel 1, onder a-f), zou volgens het onderdeel toelating tot de schuldsaneringsregeling niet tot misbruik van de WSNP-regeling leiden.

2.40 Waar het onderdeel op de voorgaande onderdelen voortbouwt, deelt het mijns inziens in het lot van die onderdelen. Voor het overige voert het onderdeel geen nieuwe argumenten aan en opent het geen nieuwe gezichtspunten. Ook het laatste onderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie de rov. 1, 2 en 3.2 van het bestreden arrest, in samenhang met de eerste drie alinea's van het vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 oktober 2007.

2 Zie p. 1 van de (handgeschreven) aantekeningen bij de "checklist toelatingszitting schuldsaneringsregeling", die de bewindvoerder bij brief van 9 november 2007 aan het hof heeft gezonden. Zie ook p. 2 van het proces-verbaal van de zitting van 3 december 2007, op welke zitting [verzoekster] heeft verklaard dat [betrokkene 1] en zij recht op de helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning hadden.

3 Op 1 januari 2008 (zie Stb. 2007, 222) is de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2007, 192) in werking getreden. Zie voor het overgangsrecht art. IV van die wet, dat bij nota van wijziging van 3 maart 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 8) is voorgesteld en toegelicht. Art. IV gaat uit van onmiddellijke werking, zij het dat onder meer is bepaald dat art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw buiten toepassing blijft, als naar oud recht definitief over toelating tot de schuldsaneringsregeling is beslist. Op p. 7 van de nota van wijziging wordt daarover opgemerkt: "Nadat de voorlopige toepassing is omgezet in een definitieve toelating, blijft alleen de nieuwe grond voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, artikel 350, derde lid, onder f, buiten toepassing, omdat de toelatingsvoorwaarden van de oude wet van toepassing waren en ook blijven indien tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling feiten en omstandigheden bekend worden die tot afwijzing van het toelatingsverzoek zouden hebben geleid als ze op dat moment bekend zouden zijn geweest."

4 Ter zitting van het hof van 3 december 2007 heeft [verzoekster] ontkend dat de Gemeente € 41,- per maand op haar uitkering heeft ingehouden; zie het proces-verbaal, p. 1.

5 Zie de eerste alinea van het vonnis van de rechtbank van 4 oktober 2007. Daarin wordt voorts gesproken van een brief van de bewindvoerder van 15 juni 2007 en van een brief van de schuldenaar die op 29 augustus 2007 is ingekomen. Mr. Alt heeft de griffie van de Hoge Raad bij brief van 26 maart 2008 bericht dat het hem, ondanks navraag bij de advocaat in de feitelijke instanties en de bewindvoerder, niet mogelijk is die beide brieven over te leggen.

6 Het bestreden arrest dateert van 10 december 2007; het cassatierekest van 17 december 2007 is op diezelfde datum bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen (zie art. 351 lid 2 (oud) Fw jo art. 342 lid 3 (oud) Fw).

7 Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 64.

8 Kamerstukken I 1997/98, 22 969 en 23 429, nr. 297, p. 8.

9 Conclusie A-G Strikwerda voor HR 12 juli 2002, LJN AE 2508, JOL 2002, 406 (art. 81 RO). Zie voorts Faillissementswet, aant. 2 bij art. 350 (oud) Fw (R.J. van Galen, 2005), en H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei (2005), p. 171. A.J. Noordam beschouwt het achterhouden of verzwijgen van informatie bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling als een afzonderlijke, niet in art. 350 lid 3 (oud) Fw vervatte beëindigingsgrond, die deels met de wetssystematiek in strijd is; zie: WSNP en goede trouw (2008), p. 95-96. In art. 350 Fw zoals dat per 1 januari 2008 geldt, is overigens in het tweede lid onder f als beëindigingsgrond vermeld het geval dat "feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid". De memorie van toelichting (Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr 3, p. 33/34) spreekt in dit verband van een "nieuwe beëindigingsgrond". H.H. Dethmers meent dat deze beëindigingsgrond in het nieuwe art. 350 "ter verduidelijking" afzonderlijk is geformuleerd; zie: Van schuldsanering tot schone lei (2005), p. 171-172.

10 H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei (2005), p. 171.

11 Zie voorts HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, m.nt. PvS, rov. 3.2.1, en HR 27 oktober 2006, NJ 2006, 586, rov. 3.3.2.

12 Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 14. Zie voorts nr. 4 onder a van de (op www.rechtspraak.nl gepubliceerde) Richtlijnen voor schuldsaneringen van de RECOFA, zoals die van 1 oktober 2005 tot 1 januari 2008 hebben gegolden: "Het verzoek tot toepassing van de schuldsanering kan worden afgewezen als aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Van een dergelijke situatie kan onder meer sprake zijn indien:

- schulden zijn aangegaan terwijl er gelet op het inkomen en/of vermogen van de verzoeker(s) redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan; (...)"

13 R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (1998), p. 164; Polak-Wessels, Insolventierecht, Deel IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (1999), p. 175. Overigens is de afwijzingsgrond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b (oud) (gegronde vrees voor benadeling schuldeisers) imperatief, terwijl (ook) de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3, aanhef en onder e (oud) (de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen) facultatief is.

14 Vgl. rov 3.4 van HR 20 april 2007, NJ 2007, 242, in samenhang van rov. 2.3 van het vernietigde arrest van het hof.

15 De rechtbank heeft in haar vonnis van 4 oktober 2007 weliswaar overwogen dat [verzoekster] niet aan haar informatieplicht heeft voldaan, maar heeft daarnaast geoordeeld dat [verzoekster] het gemeentekrediet onverplicht is aangegaan en daarmee ongerechtvaardigd en onverantwoord de schulden van haar ex-man heeft voldaan.

16 HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259, m.nt. B. Wessels.

17 Zie het hiervóór (onder 2.3) reeds opgenomen citaat uit de kamerstukken. Vgl. A.J. Noordam, WSNP en goede trouw (2008), p. 87 en 95.

18 Vgl. HR 13 juli 2007, RvdW 2007, 702, en de conclusie voor dat arrest onder 2.4, waarin naar HR 14 mei 2004, NJ 2004, 620, wordt verwezen.

19 Vgl. voor het eigenstandige karakter van het faillissementsprocesrecht M. Ynzonides, Faillissements- versus burgerlijk procesrecht, TvI 2004, p. 301-304. Zie daarnaast R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (1998), p. 28, die opmerkt dat de rechter de toetsing aan de goede trouw van de schuldenaar ambtshalve dient te verrichten.

20 Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 13.

21 Memorie van toelichting, Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 6.