Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD2741

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
00334/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD2741
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 523
RvdW 2008, 704
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00334/07

Mr. Schipper

Zitting: 27 mei 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 4 september 2006 -met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 21 maart 2005- de verdachte ter zake van 1 en 4. telkens opleverende: "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" en 3. "door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse voornaam, geboortedatum en adres waarop hij in de basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene staat ingeschreven, opgeven" veroordeeld, ten aanzien van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met telkens ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één maand, en ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 585,-, subsidiair elf dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden, en ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 120,-, subsidiair twee dagen hechtenis.

2. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. L.H.W.M. Koenen, advocaat te Lisse, een schriftuur, ingezonden houdende één middel van cassatie. Mr Koenen heeft op 8 april 2008 het middel mondeling toegelicht.

3. Op 19 mei 2008 is nog een aanvullende schriftuur van cassatie ingediend door mr. Koenen, waarin het middel wordt aangevuld. De Hoge Raad kan op die, na de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn ingekomen, schriftuur geen acht slaan.(1) Derhalve zal ik hetgeen is opgeworpen in voornoemde schriftuur dan ook buiten bespreking laten.

4. Er bestaat samenhang met de zaken, 00332/07, 00333/07E, 00335/07 en 00336/07 tegen de verdachte. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

5. Het middel behelst primair de klacht dat de zaak in hoger beroep niet is behandeld door een onpartijdig gerecht in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR. Subsidiair is in ieder geval sprake van de schijn van partijdigheid van de drie raadsheren van het Hof, aldus de steller van het middel.

6. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar de 87 als opmerkelijkheden aangeduide beweringen omtrent de partijdigheid van het Hof -en daarbij behorende toelichting- die in de zaak met nummer 00336/07 tegen de verdachte zijn aangevoerd. Voorts is in de toelichting nog het volgende vermeld:

"Verzocht wordt op onderhavige schriftuur te beslissen eerst nadat door de Hoge Raad een beslissing is genomen op de cassatieschriftuur in de zaak met griffienummer 00336/07, om reden dat indien in laatstgenoemde zaak mocht worden geoordeeld dat sprake is van (schijn van) partijdigheid van de drie rechters van het Gerechtshof Leeuwarden, zulks met zich brengt dat ook sprake is van de (schijn van) partijdigheid, om reden dat het dezelfde rechters in dezelfde procedure betreft."

7. In de zaak van de verdachte met griffienummer 00336/07 is hetzelfde middel voorgesteld. Ik heb in die zaak heden geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Ik verwijs naar hetgeen ik daarover heb overwogen onder de punten 6 tot en met 10. In die zaak is mijns inziens van (schijn van) partijdigheid van de drie raadsheren van het Hof geen sprake. Reeds daarom dient het onderhavige middel te falen.

8. Het middel kan worden afgedaan met de in artikel 81 RO bedoelde motivering.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie o.a. HR 14 november 2000, NJ 2001, 16 en HR 15 januari 2008, LJN: BB4853.