Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD2712

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
C07/109HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD2712
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak; noodzaak tot (vervroegde) onteigening (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 606
RvdW 2008, 757
BR 2008/171 met annotatie van D.K. ten Cate
Module Grondzaken 2008/128
JWB 2008/322
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C07/109HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 23 mei 2008 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen

Provincie Noord-Holland

In deze onteigeningszaak is verweer gevoerd tegen de onteigening zelf. Zolang niet is voorzien in een alternatieve toegang tot het bedrijf, acht de eigenaar de onteigening prematuur en onevenredig belastend.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(1):

1.1.1. Bij K.B. van 4 juli 2006 (nr. 06.002339, Stcrt. 2006, 150) is bepaald dat ten behoeve van de aanleg van de omlegging van de provinciale weg N-201 vanaf de aansluiting op de Legmeerdijk tot en met de aansluiting op de Middenweg van de Bovenkerkerpolder-Amsterdamseweg met bijkomende werken in de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn, ten algemenen nutte worden onteigend de onroerende zaken, aangeduid op de bijbehorende grondplantekeningen welke ingevolge artikel 63 van de Onteigeningswet (Ow) op de secretarieën van deze gemeenten ter inzage hebben gelegen.

1.1.2. Eiseres tot cassatie ([eiseres]) is eigenaar van de volgende onroerende zaken:

- een perceel, bekend als gemeente [vestigingsplaats], sectie [A 0001], waarvan drie gedeelten met een oppervlakte van respectievelijk 138 m² (grondplannummer [3]), 124 m² (grondplannummer [1]) en 316 m² (grondplannummer [2]) ter onteigening zijn aangewezen;

- een perceel bekend als gemeente [vestigingsplaats], sectie [A 0002], waarvan een gedeelte met een oppervlakte van 817 m² (grondplannummer [4]) ter onteigening is aangewezen;

- een perceel bekend als gemeente [vestigingsplaats], sectie [A 0003], waarvan een gedeelte met een oppervlakte van 385 m² (grondplannummer [5]) ter onteigening is aangewezen.

1.1.3. De tervisielegging van het onteigeningsplan en van het onteigeningsbesluit zijn tijdig en op de bij de wet voorgeschreven wijze gepubliceerd.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 7 november 2006 heeft de provincie Noord-Holland (hierna: de Provincie) [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam. De Provincie heeft gevorderd dat de onteigening vervroegd zal worden uitgesproken, met de gebruikelijke nevenvorderingen. Als schadeloosstelling heeft de provincie [eiseres] € 161.900,- aangeboden(2).

1.3. [Eiseres] heeft de gevorderde onteigening bestreden met het argument dat het belang van de Provincie bij de onteigening niet opweegt tegen het belang van [eiseres] om haar bedrijf te kunnen blijven uitoefenen totdat een oplossing is gevonden voor de dreigende afsluiting ervan. [Eiseres] acht de onteigening prematuur; door thans onteigening te vorderen handelt de Provincie in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarom onrechtmatig jegens [eiseres]. Subsidiair heeft [eiseres] de aangeboden schadeloosstelling verworpen als ontoereikend.

1.4. Bij vonnis van 7 maart 2007 heeft de rechtbank het verweer verworpen, de gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 161.900,- en voor de begroting van de schade drie deskundigen alsmede een rechter-commissaris benoemd.

1.5. [Eiseres] heeft - tijdig(3) - cassatieberoep ingesteld. De Provincie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, met dupliek van de Provincie.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het geschil is nogal gekleurd door de feiten. Ik ontleen de volgende informatie aan de gedingstukken. Het bedrijf van [eiseres] is gevestigd aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats] (perceel [A 0003]) en strekt zich uit over de percelen [A 0002] en [A 0001], die achter perceel [A 0003] liggen, op enige afstand van de [a-straat]. Deze percelen worden ontsloten door een toegangsweg/oprit, gelegen naast nummer [1]. De aard van het bedrijf brengt mee dat het veel vrachtverkeer aantrekt.

2.2. De Provincie is van plan een wegreconstructie door te voeren, die uiteindelijk tot gevolg zal hebben dat het vrachtverkeer niet langer via deze toegangsweg/oprit het bedrijf van [eiseres] kan bereiken. Ter hoogte van de huidige toegangsweg/oprit wordt een openbare weg aangelegd, die als ontsluiting zal dienen voor andere percelen. De Provincie is voornemens even verderop aan de [a-straat], ter hoogte van huisnr. [2], een rotonde aan te leggen met een zijweg die een bocht maakt en uiteindelijk aan een andere zijde van het bedrijf van [eiseres] uitkomt.

2.3. Afgezien van het kostenplaatje(4) bestrijdt [eiseres] niet dat het via de door de Provincie beoogde alternatieve route te zijner tijd mogelijk zal zijn met vrachtauto's haar bedrijf te bereiken vanaf de [a-straat]. Volgens [eiseres] is echter het probleem: (i) dat helemaal niet zeker is dat de door de Provincie beoogde alternatieve route op die plaats mag en zal worden aangelegd; (ii) dat het prematuur is om reeds nu tot onteigening over te gaan: eerst moet de beoogde alternatieve route aangelegd en in gebruik zijn, anders is het bedrijf van [eiseres] onbereikbaar; (iii) dat het aanbod van de Provincie, inhoudend dat [eiseres] na de onteigening tijdelijk over de (ter hoogte van de bestaande toegangsweg/oprit) aan te leggen openbare weg mag blijven uitwegen totdat de beoogde alternatieve route gereed zal zijn, onvoldoende soelaas biedt: enerzijds omdat het vrachtverkeer naar haar bedrijf deze toegangsmogelijkheid dan moet gaan delen met ander verkeer, hetgeen aanleiding zal geven tot verkeersonveilige situaties, en anderzijds omdat het volgens [eiseres] er alle schijn van heeft dat deze als tijdelijk voorgestelde oplossing heel lang zal gaan duren en wellicht definitief wordt. De rechtbank heeft het verweer samengevat in de rov. 7, 8 en 9 en verworpen op gronden die in het middel zijn geciteerd (rov. 13 - 17).

2.4. In HR 9 februari 2000, NJ 2000, 418, m.nt. PCEvW, is de taak van de burgerlijke rechter omschreven wanneer deze zich moet uitspreken over een vordering tot onteigening:

"4.2.2. (...) Tot die taak behoort niet de beoordeling van de vraag naar het algemene nut van het voorgenomen werk en de omvang daarvan, naar de plaats waar het werk tot uitvoering moet komen, naar de voor de uitvoering van dat werk benodigde grond met nauwkeurige aanwijzing van de desbetreffende terreinen en - behoudens hetgeen hierna in 4.2.3 daaromtrent zal worden overwogen - naar de noodzaak om tot onteigening over te gaan, noch de afweging van de bij dit een en ander betrokken belangen, met name het algemene belang tegenover het door de onteigening te treffen individuele belang van de bij die terreinen belanghebbenden; de beoordeling van die vragen is overgelaten aan het bestuur. Met dit wettelijke stelsel is een zelfstandige beoordeling van voormelde vragen door de onteigeningsrechter naar het tijdstip van zijn uitspraak in strijd. Weliswaar brengt het bepaalde in artikel 6 EVRM mee dat, voorzover door dit stelsel wordt tekortgedaan aan de in dat verdragsartikel bedoelde waarborgen, de Onteigeningswet buiten toepassing moet blijven, doch artikel 6 dwingt niet tot een verdergaande inbreuk op evenbedoeld wettelijk stelsel dan dat de rechter de rechtmatigheid van (het besluit tot goedkeuring van) het onteigeningsbesluit dient te toetsen en wel naar de situatie ten tijde van het (goedkeurings)besluit, zulks op grondslag van de tegen de onteigening gerichte bezwaren welke reeds in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure bij het bestuur naar voren zijn gebracht. Voormelde verdragsbepaling dwingt de onteigeningsrechter dan ook niet tot een beoordeling van nieuwe bezwaren tegen de onteigening dan wel tot een beoordeling van nieuwe feiten, welke worden aangevoerd ter ondersteuning van reeds door het bestuur verworpen bezwaren, een en ander naar het tijdstip van zijn uitspraak.

4.2.3. Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van zijn uitspraak is wel plaats indien hetgeen de gedaagde aanvoert met betrekking tot de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt (vgl. HR 10-8-1994, nr. 1172, NJ 1996, 35) of omdat tengevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigeningswet ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan (vgl. HR 25-5-1988, nr. 1088, NJ 1988, 927)."

2.5. Het cassatiemiddel bevat een rechtsklacht, die inhoudt dat de rechtbank heeft miskend dat zij de onteigeningsvordering zelfstandig diende te beoordelen naar aanleiding van de verweren en van de door [eiseres] aangevoerde nieuwe feiten, te weten:

a. dat geen oplossing is gevonden voor de wijziging van de bedrijfsvoering van [eiseres] als gevolg van de onteigening;

b. de (tijdelijke) onbereikbaarheid van het bedrijf als gevolg van de onteigening.

Daarnaast klaagt het middel dat de rechtbank, in het bijzonder in rov. 16 en 17, onvoldoende is ingegaan op de stellingen van [eiseres] met betrekking tot de zo-even genoemde punten.

2.6. De toelichting verwijst slechts naar stellingen die [eiseres] in eerste aanleg heeft ingenomen(5). De rechtsklacht houdt verband met een passage in het onteigeningsbesluit, die in rov. 12 is geciteerd en voor zover thans van belang inhoudt:

"De voorziene wijziging van de bedrijfsvoering vormt voor de provincie een onderwerp bij het gevoerde en voort te zetten minnelijke overleg. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden".

2.7. [Eiseres] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat het in dit geding niet gaat om de vraag of en, zo ja, in hoeverre de onteigeningsrechter het Koninklijk Besluit dient te toetsen, maar om de vraag of de Provincie heeft gehandeld overeenkomstig deze passage in het onteigeningsbesluit. Uitgangspunt van het onteigeningsbesluit was dat een voor beide partijen aanvaardbare oplossing zou worden gezocht voor de voorziene wijziging van de bedrijfsvoering. Nu niet in overleg een voor beide partijen aanvaardbare oplossing is gevonden, had de Provincie volgens [eiseres] niet tot dagvaarding mogen overgaan. Weliswaar meent de Provincie dat aan dit uitgangspunt is voldaan door haar toezegging dat het bedrijf van [eiseres] bereikbaar zal blijven in de periode waarin de beoogde alternatieve route nog niet gereed is, maar [eiseres] betwist dat op de grond dat de tijdelijke oplossing die de Provincie voor ogen heeft op onoverkomenlijke problemen voor haar bedrijf stuit (CvD onder 40 - 43).

2.8. De rechtbank heeft deze stellingen van [eiseres] onderkend: zie rov. 12 ("het niet bereiken van een oplossing voor de ontsluiting van het bedrijf"), rov. 13 ("de tijdelijke - volgens haar zelfs mogelijk blijvende - onbereikbaarheid van het bedrijf"), rov. 16 en in het bijzonder rov. 17:

"[Eiseres] is uitvoerig ingegaan op de consequenties van een mogelijke afsluiting van haar bedrijf en/of beperkingen in de bereikbaarheid, al dan niet van tijdelijke aard. Deze aspecten raken vooral de vraag naar mogelijke schade (...). De Provincie heeft onvoorwaardelijk toegezegd dat de toegang tot het bedrijf van [eiseres] niet zal worden afgesloten voordat de nieuwe situatie klaar is. Voor zover de Provincie hieraan alsnog niet zou voldoen of indien op andere wijze de bedrijfsvoering van [eiseres] onrechtmatig zou worden belemmerd, staan haar andere rechtswegen open."

2.9. De rechtbank heeft de omstandigheid dat geen overeenstemming tussen partijen is bereikt, niet beschouwd als een nieuwe omstandigheid die in de weg staat aan de gevorderde onteigening en ook niet als een afwijking van de aangehaalde overweging in het onteigeningsbesluit (rov. 13). Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere uitwerking dan de rechtbank daaraan heeft gegeven. Uit de geciteerde passage in het onteigeningsbesluit kan slechts worden afgeleid dat het onderwerp nog aan de orde zou komen in het tussen partijen te voeren overleg. Daaruit heeft de rechtbank niet de gevolgtrekking behoeven te maken dat de Provincie niet tot dagvaarding mag overgaan wanneer in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt. Voor zover [eiseres] hiermee heeft bedoeld dat de opstelling van de Provincie in het overleg onredelijk is - in het bijzonder dat het door de Provincie ingenomen standpunt dat het bedrijf van [eiseres] in afwachting van het gereed komen van de beoogde alternatieve route voor het vrachtverkeer voldoende bereikbaar blijft via de ter hoogte van de huidige toegangsweg/oprit aan te leggen openbare weg, onevenredig bezwarend voor [eiseres] is -, ligt in rov. 17 besloten dat en waarom de rechtbank deze stelling van [eiseres] heeft verworpen: de feitelijke toegankelijkheid van het bedrijf is verzekerd; voor zover na de onteigening de feitelijke toegang toch zou worden verhinderd, staan voor [eiseres] andere rechtsmiddelen open; voor het overige is het een kwestie van de omvang van de schade, die in een later stadium van de onteigeningsprocedure alsnog aan de orde kan komen. Hieruit volgt dat de rechtsklacht faalt.

2.10. De motiveringsklacht is zeer algemeen gesteld: er wordt niet geklaagd over concrete motiveringsfouten. In eerste aanleg heeft [eiseres] haar standpunt dat de onteigening prematuur is, toegelicht met argumenten die als volgt kunnen worden samengevat:

(i)Het geldende bestemmingsplan staat in de weg aan de aanleg van de door de Provincie beoogde alternatieve route. Weliswaar heeft de Provincie een verzoek om vrijstelling op grond van art. 19 WRO ingediend, maar die vrijstelling was ten tijde van de CvA in eerste aanleg nog niet verleend.

(ii)De Provincie heeft nog niet de beschikking over alle percelen die nodig zijn om de door de Provincie beoogde alternatieve route te kunnen aanleggen. Voor zover verwerving daarvan mogelijk is, zal deze nog geruime tijd in beslag nemen; deze percelen behoren toe aan verschillende eigenaren.

(iii)Nadien is tijd nodig voor de aanleg van de beoogde alternatieve toegangsweg. Gevolg van een en ander is, dat het nog geruime tijd zal duren voordat de alternatieve route gereed is. Er is geen reden tot haast: na het Koninklijk Besluit heeft de Provincie twee jaar om tot dagvaarding over te gaan.

(iv)De oplossing die de Provincie voorstelt voor de periode tussen de onteigening en het gereedkomen van de beoogde alternatieve route, is onevenredig bezwarend voor [eiseres].

2.11. Het bestreden vonnis biedt de lezer voldoende inzicht hoe de rechtbank deze argumenten heeft gewogen. De rechtbank vermeldt in rov. 4 de stelling van de Provincie dat de vrijstelling op grond van art. 19 WRO inmiddels is verleend en in rov. 8 de stelling van [eiseres] dat zij tegen die beslissing bezwaar heeft gemaakt. Voor een onteigening op grond van art. 72a Ow (infrastructuuronteigening t.b.v. de aanleg van wegen e.d.) is niet vereist dat de planologische bestemming onherroepelijk vaststaat (rov. 14)(6). In rov. 16 heeft de rechtbank vermeld dat het haar bekend is dat ook met betrekking tot de naastgelegen percelen onteigeningsprocedures gaande zijn. Het argument van [eiseres] dat de Provincie nog tot 3 juli 2008 de tijd heeft om de dagvaarding tot onteigening te doen uitbrengen, heeft de rechtbank in rov. 6 onder ogen gezien en in rov. 16 verworpen. In rov. 17 heeft de rechtbank, zoals gezegd, het standpunt van [eiseres] verworpen dat de door de Provincie voorgestelde tijdelijke oplossing in afwachting van de aanleg van de beoogde alternatieve route onevenredig bezwarend voor [eiseres] is. De slotsom is dat ook de motiveringsklacht faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 1 van het bestreden vonnis, hier enigszins verkort weergegeven.

2 De Provincie heeft ook nog een alternatief voorstel gedaan van € 144.000,- met bijkomende voorzieningen.

3 De in art. 52 lid 3 Ow bedoelde verklaring ter griffie is gedaan op 13 maart 2007. De in art. 53 lid 1 Ow bedoelde betekening heeft plaatsgevonden op 4 april 2007.

4 Volgens [eiseres] zullen kosten moeten worden gemaakt voor aanpassingen in het bedrijf wanneer de vrachtauto's van de andere kant komen.

5 V.w.b. het gestelde onder a: CvA onder 8, 12 en 13; CvD onder 2-ii en 39 - 43. V.w.b. het gestelde onder b: CvA 8 - 10 en 13 - 17; CvD onder 2-i, 7 -10 en 11 - 38.

6 Vgl. A-G Ilsink, conclusie voor HR 4 oktober 2000, LJN: AA7898, alinea 2.3; A. Driesprong en R.N. van Belzen, BR 2000, blz. 829.