Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD2547

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
00099/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD2547
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Appeldagvaarding. Ingevolge art. 68.1 Wet GBA is de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten NL zal verblijven, verplicht bij het college van b&w van de gemeente van inschrijving binnen 5 dagen voor zijn vertrek uit NL schriftelijk aangifte van vertrek te doen. Ingevolge het 2e lid van dat artikel doet hij in die aangifte mededeling van dat vertrek, van het volgende land van verblijf en van het 1e adres van verblijf in dat land. Gelet op het GBA-overzicht moet worden aangenomen dat verdachte aan laatstbedoelde verplichting heeft voldaan en dat hij als 1e adres van verblijf in het land waarnaar hij is vertrokken heeft opgegeven X (België). Dat brengt mee dat hij na zijn vertrek niet langer kan worden aangemerkt als ingezetene i.d.z.v. de Wet GBA en dus ook niet als ingezetene i.d.z.v. art. 588.1.b Sv, zulks ondanks de vermelding van zijn adres in de GBA. Wel kan een dergelijk, bij vertrek opgegeven adres worden aangemerkt als bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland i.d.z.v. art. 588.2 Sv. Dat lijdt evenwel uitzondering indien - zoals hier - verdachte nadien in het kader van een tegen hem ingestelde strafvervolging een ander adres in het buitenland heeft opgegeven. In dat geval moet dat opgegeven adres als adres in het buitenland worden aangemerkt, waarop gerechtelijke stukken moeten worden betekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 558
NJ 2008, 428
RvdW 2008, 773
NJB 2008, 1640
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00099/07

Mr. Vellinga

Zitting: 20 mei 2008 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte wegens "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een geldboete van € 30.000,-, subsidiair één jaar hechtenis en tot zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof de dagvaarding in hoger nietig had moeten verklaren nu deze niet naar het juiste adres van de verdachte in het buitenland is verstuurd.

4. De stukken van het geding houden, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in.

- Op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 april 2005 heeft de verdachte verklaard te wonen op het adres [a-straat 1] te [plaats A] (België).

- Op 4 mei 2005 heeft de verdachte hoger beroep doen instellen tegen het vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 april 2005.

- In de akte rechtsmiddel is als adres van de verdachte opgenomen: [a-straat 1] te [plaats A].

- Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2006, houdt in dat die dagvaarding op 25 januari 2006 op de voet van art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv is uitgereikt aan de Griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". Een eveneens aan het dubbel van die dagvaarding gehecht GBA-overzicht van 24 januari 2006 houdt in als GBA-adres van de verdachte vanaf 1 januari 1999: [b-straat 1] [postcode] te [plaats B] (België).

- Voormelde akte van uitreiking houdt voorts in dat de dagvaarding vervolgens op 14 februari 2006 als gewone brief is verzonden aan het op de akte vermelde adres: [b-straat 1] [postcode] te [plaats B] (België).

- Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2006 is de verdachte noch een raadsman verschenen en heeft het Hof verstek tegen de verdachte verleend; het proces-verbaal van de terechtzitting houdt daarover in:

"De voorzitter vermeldt dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en dat de dagvaarding voor de zitting van heden op 25 januari 2006 is betekend aan de griffier en op 14 februari 2006 naar het van de verdachte in België bekende adres is verzonden.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte."

5. Indien een verdachte niet is ingeschreven in de GBA en niet in Nederland is gedetineerd, en van hem evenmin een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, maar wel een adres in het buitenland, geschiedt de betekening van de dagvaarding door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatstbekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie. Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend(1).

6. 's Hofs in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de appèldagvaarding op een geldige wijze is betekend door toezending daarvan aan het adres [b-straat 1] [postcode] te [plaats B] (België), is onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte op de hiervoor onder 4 vermelde terechtzitting van de Rechtbank en bij het doen instellen van hoger beroep heeft opgegeven dat hij woonde op het adres [a-straat 1] te [plaats A] (België) en de stukken van het geding niets inhouden waaruit kan volgen dat het adres van de verdachte nadien is gewijzigd in [b-straat 1] [postcode] te [plaats B] (België)(2).

7. Het middel is dus terecht voorgesteld.

8. Het tweede middel klaagt over de begrijpelijkheid van de strafmotivering, in het bijzonder voor wat betreft de motivering van de oplegging van een zwaardere straf dan gevorderd en in eerste aanleg opgelegd.

9. Het Hof heeft de opgelegde straffen als volgt gemotiveerd:

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het tenlastegelegde tot een geldboete van € 30.000,-, subsidiair één jaar hechtenis.

"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer drie en een half jaar samen met zijn medeverdachten valse facturen opgemaakt en deze vervolgens in zijn financiële administratie opgenomen. De bedragen die met deze facturen gegenereerd werden, zijn door de verdachte en/of zijn medeverdachten op oneigenlijke wijze aan de B.V. onttrokken. Dit zijn ernstige feiten. Met deze handelwijze heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming en bovendien de gemeenschap voor een aanzienlijk bedrag benadeeld.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 27 januari 2006, al eens is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit en driemaal een transactie heeft gekregen, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de eerste rechter opgelegde en in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van navermelde zwaardere straf.

Het hof is - alles overwegende - mede gelet op de generale en speciale preventie, van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormen.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

10. Gelet op hetgeen het Hof overweegt over de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte, in het bijzonder dat hij eerder is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit, heeft het Hof toereikend en begrijpelijk gemotiveerd waarom het zwaarder heeft gestraft dan in eerste aanleg is geschied en door de Advocaat-Generaal bij het Hof is gevorderd. In aanmerking dient immers te worden genomen dat die zwaardere bestraffing zich heeft beperkt tot de oplegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf waarvan geheel in handen van de verdachte is of deze zal worden tenuitvoergelegd.

11. Het middel faalt.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.19

2 Vgl. HR 2 september 2003, NJ 2003, 697.