Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD2447

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
07/11662 CW
Formele relaties
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBAMS:2005:AU0326
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD2447
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Overlevering. Art. 2.2 onder d OLW. De Rb heeft overlevering aan Spanje geweigerd. Haar opvatting dat een Europees aanhoudingsbevel (EAB) de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen dient te bevatten of dat een afschrift daarvan steeds door de uitvaardigende justitiële autoriteit dient te worden overgelegd is onjuist. De OLW dient zoveel mogelijk te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van het Kaderbesluit betreffende het EAB en overleveringsprocedures tussen de EU-lidstaten (het Kb). Art. 8.1 Kb schrijft niet voor dat in het EAB de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen moet zijn vermeld of dat een afschrift daarvan moet worden overgelegd. De tekst van art. 2.1.d. OLW houdt zodanige verplichting – anders dan art. 18.3.c UW voor een uitleveringsverzoek voorschrijft - evenmin in. Het voorgeschreven EAB-model dwingt niet tot de lezing dat, in afwijking van voormelde duidelijke bepalingen van het Kb en de OLW, de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wel zou behoren tot inhoud of vorm van het bevel. De uitleg dat in het EAB de inhoud van de wettelijke bepalingen niet behoeft te zijn opgenomen, strookt met doel van het Kb, dat berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten, om bij overlevering complexiteit en tijdverlies te vermijden; een andere uitleg zou daaraan afbreuk doen en de beoogde vereenvoudiging ongerechtvaardigd belemmeren. Deze uitleg is voorts in overeenstemming met de wetgeving terzake en met rechterlijke beslissingen dienaangaande in andere lidstaten, zoals weergegeven in de voordracht en vordering van de PG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 553
NJ 2008, 594 met annotatie van M.J. Borgers
RvdW 2008, 764
NJB 2008, 1644
VA 2009/6 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11662 CW

Mr. Fokkens

Zitting 20 mei 2008

Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake

[de opgeëiste persoon]

1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 29 juli 2005, rolnummer 13.497.221-2005, LJN AU0326, waarbij de Rechtbank de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Spaanse justitiële autoriteit ten behoeve van het in Spanje tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek ter zake van - kort gezegd - illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen alsmede deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft geweigerd. Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak leg ik hierbij over, alsmede het procesdossier.

2. Tegen de uitspraak staat ingevolge art. 29 lid 2 Overleveringswet geen gewoon beroep in cassatie open. Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk, aldus dezelfde bepaling onder verwijzing naar art. 456 Sv.

3. De vraag die ik aan de Hoge Raad wil voorleggen is of de justitiële autoriteit die een Europees aanhoudingsbevel uitvaardigt, gehouden is de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen over te leggen.

De uitspraak

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Een Spaanse justitiële autoriteit - de plaatsvervangend magistraat-rechter van de rechtbank van eerste aanleg en onderzoek nummer drie van Orihuela-Alicante (Magistrado-Juez sustituta del Juzgado de Primera Instancia e instrucción nú tres de Orihuela-Alicante) - heeft op 5 mei 2005 een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd betreffende de aanhouding en overlevering van [de opgeëiste persoon]. Het Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) heeft betrekking op - kort gezegd - 'illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen' alsmede 'deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven'.

5. De feiten zijn in het EAB als volgt uiteengezet (ik citeer de Nederlandse vertaling):

'Hij wordt beschuldigd van een misdrijf tegen de openbare gezondheid en onwettige vereniging, wegens zijn vermeende relatie in de feiten die plaatsvonden gedurende een tijdsperiode en aanleiding gaven tot de aanhouding van zes personen op 28 april 2005 in de loods op het industrieterrein Poniente te Catral (Alicante) en de inbeslagneming op datzelfde ogenblik van 2.615 kg hasj. De betrokkenheid van [de opgeëiste persoon] in deze feiten is vastgesteld daar uit het politieonderzoek, rapporten en verklaringen van sommige arrestanten voldoende redelijke indicaties blijken dat de vernoemde persoon opdrachten en instructies gaf binnen de georganiseerde groep met als doel de internationale verhandeling van hasj op grote schaal, wat duidelijk werd in de uitgevoerde politieoperatie die aanleiding gaf tot de aanhouding van zes personen en de vermelde inbeslagneming van 2.615 kg hasj. Deze persoon werd op twee manieren volledig geïdentificeerd; ten eerste, toen zijn documentatie door de Spaanse Guardia Civil in dienst werd opgevraagd in de luchthaven El Altet (Alicante) op 21-04-05 voor zijn vertrek naar Amsterdam, nadat hij sinds de ochtend van die dag werd gevolgd tot hij twee van de Iatere arrestanten ontmoette, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], met wie hij telefonisch contact had genomen; en ten tweede, toen een kopie van zijn identiteitskaart werd verkregen via het reizigersregister van hotal "[A]"'.

6. Voorts bevat het EAB nog het volgende:

'Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepaling/wetboek:

Misdrijf tegen de openbare gezondheid, artikels 368 en 369.6° van het wetboek van strafrecht

Misdrijf van onwettige vereniging, artikel 515.1 aangaande art. 517.2° van het wetboek van strafrecht.'

7. Op het EAB is geen van de zogenoemde lijstfeiten aangekruist. Wel is onder e) II als volledige omschrijving van de strafbare feiten die niet onder de in punt I genoemde (lijst)feiten vallen, het volgende aangegeven:

'1°) misdrijf tegen de openbare gezondheid

2°) misdrijf van onwettige vereniging'.

8. Ter zitting heeft de raadsman van de opgeëiste persoon aangevoerd dat niet is voldaan aan het vereiste onder art. 2 lid 2 onder d Overleveringswet omdat - kort gezegd - van de toepasselijke wettelijke bepalingen ofwel slechts kopieën in een Engelse vertaling beschikbaar zijn die uit een ander dossier afkomstig zijn ofwel van de toepasselijke wettelijke bepalingen alleen een (slechte) kopie van de Spaanse tekst aan het dossier is toegevoegd.(1) De Officier van Justitie heeft ter zitting betoogd dat het overleggen van de toepasselijke wettelijke bepalingen niet is vereist.

9. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de eisen die art. 2 lid 2 onder d Overleveringswet aan een EAB stelt. Daartoe heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

'3.3.1 Het EAB dient de gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Artikel 2, tweede lid, van de Overleveringswet, dat zijn oorsprong vindt in artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 van de Raad van de Europese Unie, vermeldt de gegevens die een EAB in elk geval dient te bevatten, te weten, onder meer:

- de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit;

- een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

3.3.2 De Spaanse justitiële autoriteit heeft in het EAB onder e) als toepasselijke wettelijke bepalingen de artikelen 368, 369.6, 515.1 en 517.2 van het Spaanse Wetboek van Strafrecht aangehaald. De Spaanse autoriteiten hebben op het laatste moment enkele strafwetsartikelen nagezonden, maar deze artikelen zijn in het Spaans gesteld, zodat de rechtbank geen kennis kan nemen van de inhoud van die artikelen. Ter zitting is vast komen te staan dat de Engelse vertaling van de artikelen 368 en 369 van het Strafwetboek die door de officier van justitie is aangeleverd, afkomstig is uit een ander Spaans EAB. De rechtbank kan, gelet op het bepaalde in de OLW, de Memorie van Toelichting bij deze wet en haar bestendige rechtspraak geen genoegen nemen met deze wetsartikelen, nu zij niet kan vaststellen of deze artikelen van toepassing waren ten tijde van het plegen van de in het EAB genoemde feiten. Naar haar oordeel voldoet het EAB niet aan het gestelde in artikel 2, tweede lid, sub d, OLW.

3.3.3 (..)

3.3.4 De rechtbank kan op grond van het voorgaande niet tot een andere conclusie komen dan dat het EAB niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen en zal reeds om die reden de overlevering van de opgeëiste persoon weigeren.'

Achtergrond van de beslissing van de rechtbank

10. In haar uitspraak van 4 maart 2005, rolnummer 13/097322-04; LJN AU0326; NJ 2005, 475 heeft de Rechtbank gemotiveerd uiteengezet waarom de uitvaardigende justitiële autoriteit de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen dient over te leggen. In die zaak heeft de Rechtbank overwogen:

'De bijlage bij het Kaderbesluit en bijlage 2 bij de Overleveringswet houden onder rubriek e) onder meer in:

"Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/strafbare feiten en toepasselijke wettelijke voorschriften:..."

Nog daargelaten dat kaderbesluiten volgens artikel 34, tweede lid van het Verdrag van de Europese Unie geen rechtstreekse werking hebben, noopt de hiervoor aangehaalde formulering niet zonder meer tot de door de officier van justitie voorgestane restrictieve lezing.

Bij de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel dat tot de Overleveringswet heeft geleid, heeft de minister van Justitie schriftelijk en later ook mondeling te kennen gegeven dat het EAB steeds de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen dient te bevatten, zonder dat deze opvatting enige bestrijding heeft ondervonden (Kamerstukken I, 2003-2004, 29 042, C, p. 8 en Handelingen I, 2003-2004, 29 042, p. 26-1345).

Deze opvatting strookt met de bedoeling van de wetgever dat de rechtbank het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt, alleen naar het recht van de uitvaardigende lidstaat mag beoordelen. Voor die beoordeling is immers daadwerkelijke kennis van de inhoud van de toepasselijke buitenlandse voorschriften nodig.

Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook buiten twijfel welke betekenis de wetgever heeft willen hechten aan het hierboven aanhaalde onderdeel van rubriek e).'

11. De passage uit de Memorie van Antwoord I waarop de Rechtbank doelt, luidt:

'Ingevolge het kaderbesluit is de uitvaardigende justitiële autoriteit verplicht in het Europees aanhoudingsbevel een omschrijving van de feiten op te nemen, de wettelijke kwalificatie aan te geven en de tekst van de toepasselijke wetteksten op te nemen.'(2)

12. Bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de minister daaraan toegevoegd:

'De tekst van de toepasselijke wetsteksten moet ook opgenomen worden in het uitleveringsbevel. Kijk naar het model dat toegevoegd is aan de richtlijn.'(3)

13. Diverse schrijvers zijn dezelfde mening toegedaan. Ik noem in dit verband Keijzer in het Handboek strafzaken, Ter Braak in de bundel Implementatie van kaderbesluiten, Sanders in Het Europees aanhoudingsbevel en Blekxtoon & Glerum Tekst & Commentaar Internationaal strafrecht.(4)

14. Bij het duidelijke standpunt van de regering over het opnemen van de wettekst in het overleveringsbevel passen twee kanttekeningen. De eerste is dat het hier niet gaat om een 'gewone' wet, maar om een wet die strekt tot implementatie van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie EG heeft in de zaak Pupino t. Italië de zogenoemde kaderbesluitconforme uitleg van nationale wetgeving voorgeschreven. Dit betekent dat de nationale rechter bij de uitleg van het nationale recht, aldus het Hof, verplicht is dit zo veel mogelijk te doen in het licht van de bewoordingen en het doel van het Kaderbesluit, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan het bepaalde in artikel 34 lid 2 sub b EU Verdrag te voldoen.(5) Dat geldt vanzelfsprekend ook voor de uitleg van de Overleveringswet die strekt tot implementatie van genoemd Kaderbesluit. Dit betekent onder meer dat opmerkingen van de zijde van de regering over de betekenis van bepalingen uit de Overleveringswet slechts een rol kunnen spelen bij de uitleg van de bepalingen uit de Overleveringswet, indien de van regeringszijde vertolkte standpunten een kaderbesluitconforme uitleg niet in de weg staan.

15. Een tweede kanttekening is dat uit een aan het Arrondissementsparket Amsterdam gezonden brief van de minister van Justitie blijkt, dat hij is teruggekomen op het standpunt dat hij heeft ingenomen tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel van de Overleveringswet. In deze brief zet de minister uiteen dat hij destijds is uitgegaan van de staande praktijk in uitleveringszaken. Bovendien wijst hij op een bespreking van de kwestie tijdens periodiek overleg tussen experts op het terrein van het EAB afkomstig uit de lidstaten, welke groep onder meer is ingesteld om in de praktijk voorkomende interpretatieproblemen door middel van gezamenlijk overleg op te lossen. Daarbij is gebleken, aldus de minister, dat de opvatting dat de volledige wettekst in het EAB moet worden vermeld, geen steun ondervindt en dat hetzelfde geldt voor het separaat overleggen van de wetteksten. In genoemde brief noemt de minister van Justitie het de algemeen heersende opvatting dat volstaan kan worden met de enkele vermelding van de toepasselijke wetsbepaling in het aanhoudingsbevel.(6)

Toepasselijke regelgeving

16. Art. 2 Kaderbesluit geeft aan met betrekking tot welke feiten een EAB kan worden uitgevaardigd. Overlevering ten behoeve van een strafvervolging is mogelijk wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste twaalf maanden (art. 2 lid 1 Kaderbesluit). De overlevering wegens deze feiten kan afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat het EAB berust op een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan, aldus art. 2 lid 4 Kaderbesluit. Voor zover het gaat om de in art. 2 lid 2 Kaderbesluit genoemde feiten is overlevering op grond van een EAB mogelijk zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, mits de feiten in de wet van de uitvaardigende lidstaat zijn bedreigd met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar (art. 2 lid 1 Kaderbesluit).

17. Art. 8 regelt de inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel en bepaalt in het eerste lid:

'1. In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

a) de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;

b) de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit;

c) de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;

d) de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit, met name rekening houdend met artikel 2;

e) een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

f) de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;

g) indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit.'

18. Voorts is van belang hetgeen is vermeld met betrekking tot de strafbare feiten in het model dat is genoemd in de aanhef van het eerste lid van art. 8:

'e) Strafbare feiten:

Dit bevel heeft betrekking op in totaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . strafbare feiten.

Beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd/de strafbare feiten zijn gepleegd, met inbegrip van het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit/de strafbare feiten

[...]

Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepaling/wetboek:

[...]

I. Geef in voorkomend geval aan of het gaat om één of meer van de volgende strafbare feiten waarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat (vakje aankruisen):

Deelneming aan een criminele organisatie

Terrorisme

Mensenhandel

Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

[...]

II. Volledige omschrijving van het strafbare feit of de strafbare feiten die niet onder de in punt I genoemde strafbare feiten vallen:

[...]'(7)

19. Aan de artikelen 2 en 8 van het Kaderbesluit wordt uitvoering gegeven door de artikelen 2 en 7 van de Overleveringswet. De eisen die aan een Europees aanhoudingsbevel worden gesteld, zijn opgenomen in art. 2 Overleveringswet:

'1. Een Europees aanhoudingsbevel kan slechts worden afgegeven wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld of indien een straf of maatregel is opgelegd, wanneer deze een duur heeft van ten minste vier maanden.

2. Een Europees aanhoudingsbevel wordt volgens het in bijlage 2 bij deze wet opgenomen model opgemaakt en dient in elk geval de volgende gegevens te bevatten:

a. de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;

b. de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het elektronische postadres van de uitvaardigende justitiële autoriteit;

c. de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat;

d. de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, in het bijzonder rekening houdend met artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°;

e. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

f. de opgelegde straf of maatregel, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafbedreiging;

g. indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit'.

20. De eisen die worden gesteld aan de feiten waarvoor een EAB ter fine van strafvervolging kan worden uitgevaardigd, worden nader uiteengezet in art. 7 lid 1 Overleveringswet:

'1. Overlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:

a. een door autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit schuldig heeft gemaakt aan:

1°. een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat benoemd strafbaar feit dat tevens op de in bijlage 1 bij deze wet behorende lijst staat vermeld, waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld; of

2°. een ander feit dat zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld'.

Het overleggen van de toepasselijke wettelijke bepalingen

21. De tekst van art. 8 lid 1 onder d) Kaderbersluit rept niet van het in het EAB opnemen of bijvoegen van de tekst van de wettelijke bepaling; het artikel beperkt zich tot het vermelden van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit. Het model EAB, waarin wordt uitgewerkt hoe de in art. 8 lid 1 Kaderbesluit genoemde gegevens in het EAB moeten worden opgenomen, maakt echter niet alleen gewag van 'de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit', maar ook van 'de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepaling/wetboek'. Deze laatste woorden legt de Rechtbank aldus uit dat de tekst van de wettelijke strafbepaling in het bevel moet worden weergegeven of moet worden overgelegd. Volgens de bovengenoemde ministeriële brief van 1 juli 2005 zijn alle andere lidstaten van mening dat met die laatste passage niet meer wordt geëist dan vermelding van de toepasselijke wetsbepaling.

22. In dit verband is het van belang de tekst van het Model EAB te vergelijken met de tekst van de relevante bepaling uit het Europees verdrag betreffende uitlevering 1957 (hierna: EUV 1957). Die leert dat het EUV op dit punt veel duidelijker is. In het EUV is het overleggen van de tekst van de relevante wettelijke bepalingen uitdrukkelijk voorgeschreven. Art. 12 EUV 1957 bepaalt immers dat het uitleveringsverzoek zal worden ondersteund door onder meer 'a copy of the relevant enactments or, where this is not possible, a statement of the relevant law'. Deze stukken komen bij de ter ondersteuning over te leggen 'statement of the offences for which extradition is requested. The time and place of their commission, their legal descriptions and a reference to the relevant legal provisions shall be set out as accurately as possible'.(8) In het model EAB is een uitdrukkelijke verplichting om de tekst van de toepasselijke wetsbepalingen over te leggen op de wijze zoals in het EUV 1957 is voorgeschreven, niet overgenomen. Aan die omstandigheid kan een argument worden ontleend voor het standpunt dat de tekst van de toepasselijke wettelijke bepaling(en) niet hoeft te worden opgenomen in of te worden gevoegd bij een EAB. Indien het de bedoeling zou zijn geweest de verplichting de tekst van de toepasselijke wetsbepalingen over te leggen te handhaven, zou het voor de hand hebben gelegen dat de ondubbelzinnige bewoordingen uit het EUV zouden zijn gebruikt in het Kaderbesluit (en het daarbij behorende Model EAB) dat immers het EUV 1957 vervangt.

23. Het verschil in tekst tussen het EUV en het Model EAB is ook in de Duitse wetgeving terug te vinden. In § 10 Gesetz über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen (IRG) wordt onder het kopje "Auslieferungsunterlagen" onder (3) Nr 3. onder meer geëist: "eine Darstellung der anwendbaren gesetzliche Bestimmungen". Voor uitlevering aan Lidstaten van de EU bepaalt § 83a (1) Nr 4 IRG over de inhoud van het EAB op dit punt:

'Die Auslieferung ist nur zulässig, wenn die in § 10 genannten Unterlagen oder ein Europäischer Haftbefehl übermittelt wurden, der die folgenden Angaben enthält:

[...]

4. die Art und rechtliche Würdigung der Straftat, einschließlich der gesetzlichen Bestimmungen, [...]'

24. Het Oberlandesgericht Stuttgart heeft in een beslissing van 26 oktober 2006 aan de tekstuele verschillen tussen § 83a (1) Nr 4 IRG en § 10 (3) Nr 4 IRG(9) betekenis toegekend voor het antwoord op de vraag in hoeverre de teksten van wettelijke bepalingen moeten worden overgelegd. Anders dan in geval van uitlevering aan andere landen het geval is, eist § 83a (1) 4 IRG voor uitlevering op basis van een EAB niet de opgave van de "gesetzliche Merkmale der Straftat of "eine Darstellung der anwendbaren gesetzlichen Bestimmungen" , aldus het OLG Stuttgart. Art. 8 lid 1 onder d Kaderbesluit vereist slechts het mededelen van 'die Art und rechtliche Würdigung der Straftat'. Ook het Oberlandesgericht Keulen lijkt, in een zaak waarin een EAB betrekking had op diefstal van geld en identiteitsbewijzen uit een handtas, genoegen te nemen met de enkele verwijzing naar de Slowaakse bepaling waarin diefstal strafbaar is gesteld.(10)

25. Een uitdrukkelijk verplichting tot het op enige wijze overleggen van de tekst van de wettelijke bepalingen is ook niet opgenomen in de overleveringswetgeving van België,(11) Frankrijk,(12) Engeland & Wales(13) en Oostenrijk(14). Het Franse Cour de Cassation heeft genoegen genomen met een EAB dat 'contient la nature et la qualification juridique de l'ensemble des infractions pour lesquelles l'exécution est demandée par les autorités judiciaires de Belgique'.(15) Het Britse House of Lords heeft uitdrukkelijk vastgesteld dat het geen vereiste is dat de tekst van de wet beschikbaar is.(16) Vermeldenswaard is nog dat in die beslissing onder meer als argument wordt gebruikt: 'Any scheme which retained scrutiny of the text of the foreign law as a requirement would be bound to give rise to delay and complexity - the very things that in dealings between Member States the Framework Decision was designed tot eliminate.'

26. De in de hiergenoemde rechtspraak gegeven uitleg past ook binnen de in de preambule van het Kaderbesluit geformuleerde uitgangspunten en doelstellingen van het EAB. Het Kaderbesluit is een uitvloeisel van wederzijdse erkenning van strafrechterlijke beslissingen en berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. In het uitleveringsrecht is reeds aangenomen dat de rechter die over de uitlevering oordeelt, mede gelet op het tussen de verdragspartijen geldende vertrouwensbeginsel, uit mag gaan van de juistheid van de mededeling van de rechterlijke autoriteit in de verzoekende Staat dat het feitencomplex valt onder het bereik van de overgelegde wettelijke strafbepaling.(17) In het kader van de overlevering mag dit vertrouwen worden doorgetrokken naar de mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat de feiten waarop het EAB betrekking heeft strafbaar zijn krachtens de in het EAB aangeduide wettelijke bepalingen. Daarom zou het voor de uitvoerende justitiële autoriteit in de regel niet nodig zijn te beschikken over de toepasselijke wettelijke bepalingen. Ook om die reden is het redelijk dat de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen niet behoort tot de inhoud of de vorm van een EAB.

27. Volledigheidshalve merk ik op dat hier niet gaat om de vraag in hoeverre het mogelijk is om van de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende gegevens te vragen, waarvoor art. 2 lid 4 Overleveringswet en art. 15 lid 2 Kaderbesluit een grondslag bieden. Met het OLG Stuttgart(18) meen ik dat op grond van deze bepalingen om het overleggen van de toepasselijke wettelijke bepalingen kan worden verzocht indien gegronde twijfel bestaat aan de kwalificatie als zogenoemd lijstfeit of aan de minimumstraf die is gesteld op het feit met betrekking waartoe het EAB is uitgevaardigd. Deze kwestie is in de onderhavige vordering niet aan de orde. Het gaat hier uitsluitend om de vraag of de opvatting van de Rechtbank dat art. 2 lid 2 onder d) Overleveringswet en het daarbij behorende model Europees aanhoudingsbevel onder e) en daarmee art. 8 lid 1 onder d) Kaderbesluit en het daarbij behorende model Europees aanhoudingsbevel aldus moeten worden uitgelegd dat de uitvaardigende justitiële autoriteit als regel de toepasselijke wettelijke strafbepalingen moet overleggen.

Prejudiciële vraag

28. Resteert de kwestie of de vraag die in deze vordering aan de orde wordt gesteld, moet worden voorgelegd aan het HvJ EG. Bij de beantwoording van die vraag stel ik voorop dat voor de Nederlandse rechter wel de bevoegdheid bestaat om het HvJ EG te verzoeken een uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van Kaderbesluiten maar geen wettelijke verplichting.(19) Het antwoord op de in deze vordering aan de orde gestelde vraag acht ik op grond van de tekst van het Kaderbesluit en het daarbij behorende Model EAB, de wijze waarop de relevante onderdelen daarvan in de wetgeving van diverse lidstaten is geïmplementeerd en de rechtspraak zoals die hierboven is weergegeven, zó evident dat daarover redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan. Daarom acht ik het stellen van een prejudiciële vraag niet nodig.

29. Indien de Hoge Raad hierover anders zou oordelen, zou ik graag in de gelegenheid worden gesteld een aanvullende vordering in te dienen. Daarin zal ik dan ook ingaan op de vraag in hoeverre het mogelijk is om in het kader van een vordering tot cassatie in het belang der wet aan het HvJ EG een prejudiciële vraag te stellen.

Middel

30. Op grond van het voorafgaande stel ik als middel van cassatie voor: Schending van het recht en/of verzuim van vormen door art. 2 lid 2 onder d) Overleveringswet aldus uit te leggen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit gehouden is de tekst van toepasselijke wettelijke bepalingen over te leggen. Deze uitleg is in strijd met het bepaalde in art. 8 lid 1 onder d) Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en in strijd met het bepaalde in art. 2 lid 2 onder d) Overleveringswet.

31. Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam in het belang der wet zal vernietigen en zal verstaan dat deze beslissing geen nadeel zal toebrengen aan door de opgeëiste persoon verkregen rechten.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Nederland heeft over de taal van het EAB op 28 april 2004 de volgende verklaring afgelegd: 'In addition to European arrest warrants drawn up in Dutch or English, European arrest warrants in another official language of the European Union are accepted provided that an English translation is submitted at the same time' (EU doc. 9002/04).

2 Kamerstukken I 2003/04, 29 942, C, blz. 8 (MvA)

3 Handelingen I blz. 26-1345 (27 april 2004).

4 N. Keijzer, 'Uitlevering en overlevering', in: Handboek strafzaken [losbl.], blz. [91.8]-3 (september 2006); E.M. ter Braak, 'Wederzijde erkenning en het Nederlandse strafrecht. Een bespreking van enkele implementatie- en toepassingsproblemen', in: M.J. Borgers & F.G.H. Kristen & J.B.H.M. Simmelink (red.), Implementatie van kaderbesluiten, Nijmegen: WLP 2006, blz. 143-157 waar zij op blz. 157 stelt dat het bezit van meer informatie ertoe bijdraagt dat lidstaten meer vertrouwen in elkaars rechtsstelsel stellen; Blekxtoon & Glerum 2007, (T&C ISr), art. 2 Overleveringswet, aant. 3c; H. Sanders, Het Europees aanhoudingsbevel. Nederlands en Belgisch overleveringsrecht in hoofdlijnen, Antwerpen-Oxford: Intersentia 2007, blz. 12 en 56.

5 Pupino t. Italië, HvJ EG 16 juni 2005, rolnr. C 103/05, Jur p. I-5285, NJ 2006, 500 m.nt. M.J. Borgers punt 43.

6 Brief van 1 juli 2005, kenmerk 5359916/06/6. Een kopie is in het dossier gevoegd.

7 Pb EG L 190 van 18 juli 2002, blz. 16.

8 Art. 12 lid 2 onder c respectievelijk b EUV 1957. Vgl. ook art. 18 lid 3 onder cUitleveringswet.

9 OLG Stuttgart, Beschl., 26 oktober 2006, 3 Ausl 52/06 overweging II.5; Schomburg/Lagodny/Gleß/Hackner, Internationale Rechtshilfe in Strafsachen 2006, § 10 Rndnr 10 (Lagodny/Schomburg/Hackner).

10 OLG Keulen, Beschl. 8 maart 2005, Ausl 22/05 - 14/05 overweging II.3 onder b) 'Die Prüfung der beiderseitigen Strafbarkeit ist demnach nicht entbehrlich, hindert die Auslieferung gleichwohl nicht. Denn die der Verfolgten zur Last gelegte Tat ist sowohl nach dem Recht des ersuchenden Staates (§ 247 slow.StGB) als auch nach dem Recht der Bundesrepublik Deutschland (§ 242 StGB) strafbar.'

11 Wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel, Belgisch Staatsblad 22 december 2003, blz. 60075: Art. 2 § 4 'Het Europees aanhoudingsbevel bevat [de] volgende gegevens: [...] 4° de aard en de wettelijke omschrijving van het strafbare feit, inzonderheid ten opzicht van artikel 5 § 2'.

12 Loi no. 2004-204 du 9 mars portant adaptation de la justice aux évolutions de la criminalité, Journal Officiel 10 maart 2004, blz. 4567, blz. 4578: Art. 695-12 Code procédure pénale 'Tout mandat d'arrêt européen contient les renseignements suivants: [...] la nature et la qualification juridique d'infraction, notamment au regard de l'article 695-23'.

13 Extradition Act 2003, 2003 c. 42, Section 2 (2) 'A Part 1 warrant is an arrest warrant which is issued by a judicial authority of a category 1 territory and which containts - [...] (a) [...] the information referred to in subsection (4) [...]. Section 2 (4) The information is - (a) [...] (c) particulars of the circumstances in which the person is alleged to have committed the offence, including the conduct alleged to constitute the offence, the time and place at which he is alleged to have committed the offence and any provision of the law of the category 1 territory under which the conduct is alleged to constitute an offence; (d) particulars of the sentence which may be imposed under the law of the category 1 territory in respect of the offence if the person is convicted of it.'

14 Bundesgesetz über die justizielle Zusammenarbeit in Strafsachen mit den Mitgliedstaaten der Europäischen Union (EU-JZG), BGBl 2004 I 36, § 30 I verwijst naar het als bijlage II opgenomen model waar onder e) is opgenomen: 'Art und rechtliche Würdigung der Straftat(en) und anwendbare gesetzliche Bestimmungen'.

15 Cour de cassation 5 augustus 2004, no. 04-84.511, Bull. crim. 2004, blz. 681 no. 187 op blz. 682.

16 Dabas v. High Court of Justice, Madrid [2007] UKHL 6 (28 februari 2007), para 55 per Lord Hope of Craighead 'There is no requirement here that the text of the law which gives rise to that punishment must be made available.'

17 HR 5 februari 1991, NJ 1991, 404.

18 Zie noot 5.

19 Art. 35 VEU; Trb. 2002, 153, p. 6; Pb EG C 120 van 1 mei 1999, p. 24: 'De regering van het Koninkrijk der Nederlanden verklaart met betrekking tot artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (thans art. 35 VEU, JWF), dat elke rechterlijke instantie in Nederland het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid en de uitlegging van kaderbesluiten en besluiten, over de uitlegging van op grond van Titel VI vastgestelde overeenkomsten en over de geldigheid en de uitlegging van uitvoeringsmaatregelen, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis. Tevens verklaart de regering van het Koninkrijk der Nederlanden dat Nederland zich het recht voorbehoudt in het nationale recht te bepalen dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag die in een bij die instantie aanhangige zaak wordt opgeworpen in verband met de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in artikel K.7, lid 1, voor te leggen aan het Hof van Justitie.'