Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD2007

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
07/10866
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD2007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Exequaturverzoek Belgisch verstekvonnis onder EEX-Verordening; verwerping beroep op weigeringsgronden van art. 34, onder 1 (strijd met openbare orde) en onder 2 (onregelmatige of niet-tijdige betekening inleidend processtuk), EEX-Verordening. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 528
RvdW 2008, 689
JWB 2008/293
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10866

Mr L. Strikwerda

Parket, 16 mei 2008

conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

[Verweerster]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij beschikking van 20 juni 2007 heeft de rechtbank Leeuwarden het door thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], op de voet van art. 43 van de Verordening (EG) nr. 44/2001, PbEG 2001 L 012, hierna: EEX-Verordening, ingestelde rechtsmiddel tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van die rechtbank van 22 februari 2007, waarbij aan thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], verlof werd verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van een verstekvonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout, België, van 6 september 2006, verworpen.

2. Het tijdig door [verzoeker] op de voet van art. 44 jo. bijlage IV van de EEX-Verordening tegen de beschikking van de rechtbank Leeuwarden ingestelde cassatieberoep berust op twee middelen. De voorgestelde middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat de Hoge Raad de klachten kan verwerpen met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

3. Middel I klaagt dat de rechtbank - in r.o. 4.5.2 van de bestreden beschikking - ten onrechte de stelling van [verzoeker] dat erkenning van het verstekvonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout kennelijk strijdig is met de Nederlandse openbare orde (art. 34, aanhef en onder 1, EEX-Verordening), omdat dit vonnis ten onrechte bij verstek is gewezen waardoor het recht van [verzoeker] om verweer te voeren en het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, heeft verworpen.

4. Het middel faalt. De rechtbank heeft - onbestreden in cassatie - vastgesteld dat de Rechtbank van Koophandel te Turnhout bij vonnis van 12 maart 2007 het verzet van [verzoeker] tegen het verstekvonnis van 6 september 2006 ongegrond heeft geacht en het verstekvonnis integraal heeft bevestigd, en dat uit het verzetvonnis blijkt dat [verzoeker] in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren (r.o. 2.3). Het oordeel van de rechtbank dat onder deze omstandigheden de door [verzoeker] opgeworpen bezwaren betreffende het ontbreken van hoor en wederhoor niet meer kunnen leiden tot het oordeel dat erkenning van het Belgische verstekvonnis kennelijk in strijd is met de Nederlandse openbare orde, is juist. Of de erkenning in strijd is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat moet immers beoordeeld worden naar het moment van de erkenning en niet naar het moment waarop de beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd, is gegeven. Op het moment van de erkenning van het Belgische verstekvonnis waren de daaraan toegeschreven tekortkomingen (het ontbreken van hoor en wederhoor) verholpen door het daartegen aangewende rechtsmiddel van verzet. Vgl. Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34, aant. 2 (P. Vlas). Zie ook Jan Kropholler, Europäisches Zivilprozessrecht, 8. Aufl. 2005, blz. 411-412, RdNr. 14.

5. Middel II klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten (ambtshalve) te onderzoeken of erkenning van het Belgische verstekvonnis afstuit op de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening.

6. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Al aangenomen dat de rechtbank gehouden was ambtshalve te onderzoeken of sprake is van de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening (zie daarover Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34, aant. 1, P. Vlas), zou dat onderzoek niet hebben kunnen leiden tot het oordeel dat het verzoek van [verweerster] tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van het Belgische verstekvonnis op die weigeringsgrond moet stranden. Vaststaat immers dat [verzoeker] tegen het verstekvonnis een rechtsmiddel (verzet) heeft ingesteld, dat [verzoeker] in de verzetprocedure in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren, en dat het verzet heeft geleid tot bevestiging van het verstekvonnis, zodat op grond van de slotzinsnede van art. 34, aanhef en onder 2, de weigeringsgrond niet van toepassing is. Vgl. Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34, aant. 3 (P. Vlas).

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,