Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD2005

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
08/01527
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD2005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz; afgewezen verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging; onjuiste maatstaf.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 451
NJ 2008, 324
RvdW 2008, 596
NJB 2008, 1339
JWB 2008/250
BJ 2008/44
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/01527HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 13 mei 2008

Conclusie inzake:

Officier van Justitie te Rotterdam

tegen

[Verweerster]

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat de rechtbank bij de beoordeling van het gevaar de verkeerde maatstaf (art. 20 in plaats van art. 2 Wet Bopz) heeft gebruikt.

1. Het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam heeft op 28 december 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verweerster in cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. Bij het verzoekschrift is een geneeskundige verklaring d.d. 21 december 2007 overgelegd.

1.2. Op 14 januari 2008 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld, waarbij aanwezig waren betrokkene en haar advocaat, de waarnemend sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, de ex-echtgenoot en twee dochters van betrokkene. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek afgewezen met de volgende motivering:

"Tijdens het verhoor is weliswaar komen vast te staan dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, maar niet dat zij daardoor een onmiddellijk dreigend gevaar in de zin van art. 20 van de wet BOPZ oplevert.

Derhalve zal het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene worden afgewezen.

(...)

De beslissing

Wijst af het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (...)."

1.3. Namens de officier van justitie is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Namens betrokkene is verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 2.1 klaagt dat de rechtbank met het oordeel dat niet is komen vaststaan dat betrokkene door haar geestelijke stoornis een onmiddellijk dreigend gevaar in de zin van art. 20 Wet Bopz oplevert, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting althans dat het oordeel onbegrijpelijk is en/of onvoldoende gemotiveerd. De rechtsklacht is uitgewerkt in onderdeel 2.2, waarin wordt betoogd dat het verzoek op de voet van art. 2 en niet van art. 20 Wet Bopz beoordeeld had moeten worden. De motiveringsklacht is uitgewerkt in onderdeel 2.3, dat erop wijst dat het verzoek van de officier van justitie onmiskenbaar strekte tot het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

2.2. Het verzoek van de officier van justitie strekte tot het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. Dit is in de bestreden beschikking ook vermeld onder het kopje "verloop van de procedure". Deze constatering is allereerst van belang voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Art. 29 lid 5 Wet Bopz bepaalt dat tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel openstaat. Omdat zodanig verzoek hier niet is ingediend, staat deze bepaling niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het huidige cassatieberoep. Voor zover de rechtbank in het slot van haar overweging en in het dictum ervan is uitgegaan dat het verzoek strekte tot het verkrijgen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, is dit uitgangspunt in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk.

2.3. De rechtbank heeft de toewijsbaarheid van het verzoek van de officier van justitie beoordeeld alsof het ging om een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Hieruit volgt dat de rechtsklacht gegrond is: de rechtbank heeft de verkeerde maatstaf gehanteerd(1). Voor een inbewaringstelling is (onder meer) vereist dat het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat een procedure tot afgifte van een voorlopige machtiging of observatiemachtiging niet kan worden afgewacht (art. 20 Wet Bopz). Voor een voorlopige machtiging is (onder meer) vereist dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken (art. 2 lid 2 Wet Bopz). Dit gevaar behoeft niet te voldoen aan de maatstaf van art. 20.

2.4. Onderdeel 2.4 gaat uit van een alternatieve lezing van de bestreden beschikking: indien het oordeel van de rechtbank zo moet worden begrepen dat in dit geval geen sprake is van gevaar in de zin van art. 2 Wet Bopz, acht het middel dit oordeel om diverse redenen onbegrijpelijk.

2.5. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat de rechtbank wel of niet `gevaar' in de zin van art. 2 Wet Bopz aanwezig heeft geacht. Om de rechter die na verwijzing opnieuw over het verzoek zal moeten oordelen niet voor de voeten te lopen, onthoud ik mij thans van een bespreking van hetgeen namens de officier van justitie, respectievelijk namens betrokkene, naar voren is gebracht over de vraag of de voorhanden gedingstukken het oordeel wettigen dat hier sprake is van gevaar in de zin van art. 2 Wet Bopz.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Rotterdam.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie HR 27 april 2007, BJ 2007, 17.