Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD2004

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
R07/107HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD2004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP; tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling wegens het niet naar behoren nakomen van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 498
RvdW 2008, 654
JWB 2008/278
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. R07/107HR

Mr. Huydecoper

Parket, 16 mei 2008

Conclusie inzake

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

Bespreking van het middel

1. Deze zaak komt volgens mij in aanmerking voor "verkorte" afdoening. Vandaar dat ik de gebruikelijke inleidende bespreking van de feiten en het procesverloop achterwege heb gelaten(1), en volsta met het volgende:

Het gaat er in deze zaak om dat de verzoeker tot cassatie, [verzoeker], op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was verklaard(2), een aanzienlijk bedrag(3) heeft ontvangen en heeft nagelaten dat aan de boedel ten goede te laten komen (hij zou het geld daarentegen hebben "vergokt"); en dat [verzoeker] ook heeft nagelaten de bewindvoerder erover in te lichten dat de uitkering die hij ontving was verhoogd, en heeft nagelaten het meerdere dat hij ontving aan de boedel af te dragen. Op die gronden heeft de bewindvoerder de schuldsanering voor beëindiging voorgedragen(4). Rechtbank en hof hebben daadwerkelijk de schuldsanering beëindigd, respectievelijk het daartoe strekkende vonnis bekrachtigd(5).

2. Zowel in de eerste aanleg als in appel is het voorstel tot beëindiging namens [verzoeker] bestreden met een betoog dat er vooral op steunde dat de bewindvoerder, hoewel van het te verwachten ontvangen van het genoemde bedrag op de hoogte, zodanig laks is opgetreden terzake van het aan de boedel (door)betalen daarvan dat daarom aan [verzoeker], mede gezien diens "labiele" dispositie, niet mag worden toegerekend wat zich heeft afgespeeld.

Het hof heeft dat betoog verworpen met overwegingen die bestaan in het overnemen en "tot de zijne maken" van de overwegingen van de rechtbank uit de eerste aanleg, met toevoeging van overwegingen die ertoe strekken dat mogelijk minder juist optreden van de bewindvoerder onverlet laat dat [verzoeker] de verantwoordelijkheid en plicht behield om het ontvangen bedrag aan de boedel ten goede te laten komen; en dat niet aannemelijk is geworden dat psychische problemen er aan in de weg stonden dat [verzoeker] zich aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling kon houden (rov. 6 en 7 van het in cassatie bestreden arrest)(6).

3. In de zojuist bedoelde overwegingen ligt besloten dat het hof heeft onderzocht of een lakse opstelling van de bewindvoerder in combinatie met de gestelde "labiele" dispositie van [verzoeker], kon opleveren dat het gebeurde [verzoeker] niet kon worden toegerekend en dat (of: omdat) [verzoeker]'s psychische problemen hem zouden beletten om, in het licht van de bedoelde lakse houding, zijn verplichtingen na te komen; en dat het hof heeft bevonden dat een en ander niet aannemelijk was. Het gaat daarbij om een waardering van de aangevoerde feiten die een overwegend feitelijk karakter draagt, en die alleszins begrijpelijk is(7). Daarop stuiten de klachten van de cassatiemiddelen alle af(8).

Ik loop die klachten volledigheidshalve (ver)kort na.

4. Het eerste middel geeft een omschrijving van de taak van de bewindvoerder, met name wanneer de schuldenaar in kwestie als "labiel" is aan te merken.

Wat daar wordt aangevoerd (en daargelaten of wat daar wordt aangevoerd geheel juist is), doet niet af aan 's hofs oordeel dat aan [verzoeker], al zou de bewindvoerder in diens taak zijn tekort geschoten, mag worden verweten/toegerekend wat gebeurd is (en dat diens psychische problemen daaraan, inzonderheid, niet in de weg staan).

5. Het tweede middel doet een beroep op vertrouwen dat (door de lakse houding van de bewindvoerder - daar komt het op neer) bij [verzoeker] zou zijn gewekt.

Ik merk op dat dit betoog in de feitelijke instanties zonder noemenswaardige onderbouwing was aangevoerd (in de cassatieschriftuur wordt het betoog uit de feitelijke instanties min of meer woordelijk herhaald). Een deugdelijke basis om te onderzoeken, laat staan om aan te nemen, dat [verzoeker] het hier bedoelde vertrouwen zou hebben mogen koesteren, ontbrak dan ook vrijwel geheel. In dat licht bezien is noch onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof dit betoog hetzij (impliciet) heeft verworpen, hetzij daaraan stilzwijgend voorbij is gegaan.

6. Het derde middel klaagt dat niet is onderzocht of de verhoging van [verzoeker]'s uitkering van wezenlijke invloed was op de "boedelbijdrage".

Deze klacht faalt omdat het, bij wat het hof heeft aangenomen en geoordeeld, van verwaarloosbaar belang was of de verhoging van [verzoeker]'s uitkering verhoging van de "boedelbijdrage" meebracht. Het niet-melden en niet afdragen van het aanzienlijke bedrag dat [verzoeker] zou hebben "vergokt" staat los van dit gegeven; en dat gegeven laat ook onverlet dat [verzoeker] verplicht was, de bedoelde verhoging aan de bewindvoerder te melden (pas daarna kon aan de orde komen of er misschien gronden waren om de verhoogde uitkering niet tot verhoging van de boedelbijdrage te laten strekken).

Al daarom kon het hof geredelijk aan dit gegeven voorbij gaan(9).

7. Ik laat dan maar daar dat de stelling waar dit middel op doelt naar zijn aard rijkelijk onaannemelijk is. Gegeven dat schuldsanering impliceert dat de schuldenaar zich tot het redelijkerwijs te vergen uiterste inspanningen getroost om aan de boedel bij te dragen(10), moet er immers heel wat "aan de hand zijn" wil een toegenomen inkomstenbron niet een navenante toename van de boedelbijdrage rechtvaardigen.

Ook hier geldt dat in de feitelijke instanties nagenoeg niets was aangevoerd ter onderbouwing van deze inherent weinig aannemelijke stelling. Ook daarom zou het hof, ware die stelling wél terzake dienend geweest, daaraan voorbij hebben kunnen gaan.

8. Daarmee heb ik alle klachten van de middelen behandeld. De navolgende conclusie ligt dan voor de hand.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ik wil één processuele bijzonderheid niet onvermeld laten: na het instellen van cassatieberoep in deze zaak is ondanks meerdere rappellen verzuimd het dossier ter griffie in te dienen. Uiteindelijk heeft de bewindvoerder/curator in de onderhavige insolventie kenbaar gemaakt dat (hoewel in cassatie van zijn kant geen verweer werd gevoerd) prijs werd gesteld op een beslissing op korte termijn. Deze heeft ook een dossier gefourneerd dat goeddeels compleet lijkt te zijn (het proces-verbaal van de behandeling ten overstaan van het hof ontbreekt, maar dat was wél al in het dossier in cassatie aanwezig). [Verzoeker]'s cassatieadvocaat heeft laten weten dat tegen de beschreven gang van zaken geen bezwaar werd gemaakt (zodat ik in het midden kan laten of [verzoeker] daartegen bezwaar zou kunnen maken).

Een bijzonderheid waarop ik de aandacht wil vestigen is dat de bewindvoerder zijn hoedanigheid vermeldt als "curator", en ook laat weten dat het faillissement weldra voor beëindiging in aanmerking zou komen. Aangenomen dat hiermee bedoeld wordt het faillissement dat op de voet van art. 350 lid 5 Fw. zal volgen wanneer de schuldsanering eenmaal onherroepelijk beëindigd is, verdient de aandacht dat, doordat er cassatieberoep hangende is, de schuldsanering op dit moment nog niet bij onherroepelijke uitspraak beëindigd is. Op dit ogenblik is dan ook nog geen faillissement aan de orde. (Dat een ontwikkeling als de onderhavige een langdurige "hangende toestand" in het leven roept is uiteraard zeer te betreuren; maar de wet brengt dat wel met zich mee.)

2 Dat is gebeurd bij uitspraak van 4 juli 2005. Het hof noemt kennelijk bijwege van verschrijving de datum 4 juli 2004.

3 € 26.536,83. Het hof vermeldt, kennelijk abusievelijk, het iets afwijkende bedrag van € 26.539,83.

4 Met toepassing van art. 350 Fw. Het gaat dan om de gronden die in lid 3 sub c en e van dat artikel staan: niet naar behoren nakomen van de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien, en (trachten te) benadelen van de crediteuren.

5 In de feitelijke instanties is, zoals voor de hand ligt, het destijds geldende recht toegepast, en is niet vooruitgelopen op de nadien gewijzigde wettelijke regeling betreffende de wettelijke schuldsanering. Ook in cassatie moet in deze zaak het "oude" recht worden toegepast; zie o.a. alinea 2.5 van de conclusie van A - G Spier voor HR 25 april 2008, rechtspraak.nl LJN BC6627.

6 Zie voor een enigszins vergelijkbaar geval (waarin aan art. 354 Fw. werd getoetst) HR 20 oktober 2006, NJ 2006, 572, rov. 3.4.2.

7 De vraag óf, en in welke mate, aan toepassing ten nadele van de schuldenaar van de gronden van art. 350 lid 3 sub c of sub e Fw. in de weg kan staan dat de daar omschreven tekortkomingen niet aan die schuldenaar kunnen worden verweten c.q. toegerekend, komt daarmee in deze zaak niet aan de orde: hier ligt in de oordelen van het hof besloten dat aan [verzoeker] diens handelwijze wél viel te verwijten en (dus) toe te rekenen.

Zie over deze vraag bijvoorbeeld, met veel nader bronnenmaterieel, Noordam, Schuldsanering en goede trouw, diss. 2007, i.h.b. p. 260 - 264.

8 Voorzover de klachten al voldoen aan de in art. 426a lid 2 Rv. tot uitdrukking komende maatstaf. Die klachten zijn uiterst beknopt geformuleerd, en zij ontberen voor een zeer groot deel onderbouwing of verduidelijking anderszins.

9 Zie ook HR 3 november 2000, (alleen kenbaar uit) rechtspraak.nl LJN AA8288, rov. 3.7.

10 Conclusie A - G Strikwerda, alinea 8, aangehaald in rov. 3.2.2 van HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259 m.nt. B. Wessels; Kamerstukken II 1992 - 1993, 22 969, nr. 3, p. 5 en 6; Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, 2005, p. 49 - 52; Polak - Wessels, Insolventierecht Deel IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, 1999, nr. 9006.