Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD1904

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
07/13031 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD1904
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Verweer en middelen berusten op de kennelijke stelling dat het vonnis op grond waarvan de uitlevering is verzocht op 18-02-99 voor tul vatbaar is geworden. Het oordeel van de Rb komt erop neer dat in dat opzicht dient te worden vertrouwd op de door de verzoekende Staat verstrekte informatie, die inhoudt dat dat vonnis eerst op 13-07-03 voor tul vatbaar is geworden en dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk, gelet op de bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 391
RvdW 2008, 544
NJB 2008, 1234
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/13031U

Zitting: 8 april 2008 (bij vervroeging)

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De Rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 18 september 2007 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan IJsland ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en een geldboete gedeeltelijk toelaatbaar verklaard.

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het onderhavige verzoek tot uitlevering heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van een uitspraak van het District Court of Reykjanes van 4 februari 1999, waarbij de opgeëiste persoon wegens - kort gezegd - handel in drugs, valsheid in geschrift en overschrijding van de maximumsnelheid is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De Rechtbank heeft verzochte uitlevering toelaatbaar verklaard behoudens voor zover de straf is opgelegd voor de handel in drugs. Het ging hier namelijk om drugs waarvan de handel in Nederland niet strafbaar is.

4. Het eerste en het tweede middel richten zich tegen de verwerping van het beroep op art 9 lid 1 onder e Uw.

5. De Rechtbank heeft te dien aanzien overwogen:

"2.3.2. Bespreking van de verweren van de raadsman.

2.3.2.1 Verjaring

De raadsman heeft allereerst betoogd dat naar Nederlands recht moet worden beoordeeld of door verjaring het recht tot tenuitvoerlegging van de straf is komen te vervallen. Nu de opgeëiste persoon op de terechtzitting in IJsland was vertegenwoordigd door een advocaat, is het IJslandse vonnis naar Nederlandse maatstaven onherroepelijk geworden na het verstrijken van de beroepstermijn, derhalve op of na 18 februari 1999. Vanaf die datum is de verjaringstermijn gaan lopen, zodat het recht tot tenuitvoerlegging van de straf op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder e van de Uitleveringswet is komen te vervallen.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog en overweegt dienaangaande als volgt. De stelling van de raadsman dat naar Nederlands recht moet worden beoordeeld of het IJslandse vonnis onherroepelijk is, vindt geen steun in het recht. De onherroepelijkheid van hel vonnis moet worden beoordeeld naar het recht van de verzoekende staat, in dit geval IJsland. De rechtbank gaat op grond van het vertrouwensbeginsel uit van de dienaangaande door de verzoekende staat verstrekte informatie dat het vonnis op 11 juli 2003 onherroepelijk is geworden.

Ten aanzien van het beroep van de raadsman op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder e van de Uitleveringswet overweegt de rechtbank dat deze bepaling ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Uitleveringswet niet van toepassing is. Immers, ingevolge artikel 62 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst, waarbij IJsland ook is aangesloten, worden vragen omtrent verjaring beoordeeld naar het recht van de verzoekende staat. Ook hier gaat de rechtbank op grond van het vertrouwensbeginsel uit van de juistheid van de dienaangaande door de verzoekende slaat verstrekte informatie dat het recht tot tenuitvoerlegging van de straf op 11 juli 2008 zal verjaren."

6. Volgens de toelichting op de middelen heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vraag naar de verjaring dient te worden beoordeeld naar het recht van de verzoekende staat. Die vraag zou dienen te worden beoordeeld naar Nederlands recht. Dan zou ervan dienen te worden uitgegaan dat de termijn voor de verjaring niet is gaan lopen op 11 juli 2003, toen de uitspraak van het District Court of Reykjanes van 4 februari 1999 volgens IJslands recht onherroepelijk zou zijn geworden, maar op twee weken na 4 februari 1999, omdat immers de verdachte, thans de opgeëiste persoon, werd bijgestaan door een raadsman en hij een deel van de behandeling van de zaak zou hebben bijgewoond.

7. Zou voor wat betreft de datum van aanvang van de verjaring, zoals in de toelichting op het middel wordt voorgestaan, worden uitgegaan van twee weken na 4 juli 1999, dan is het recht tot tenuitvoerlegging van de straf ter zake van valsheid in geschrift niet verjaard. Voor valsheid in geschrift, een feit waarop een gevangenisstraf staat van zes jaar (art. 225 Sr) geldt immers ingevolge art. 70 lid 1 onder 30 io. art. 76 Sr een verjaringstermijn van zestien jaar. Voor zover de toelaatbaarverklaring de straf wegens valsheid in geschrift betreft heeft de opgeëiste persoon bij zijn middel dus geen belang.

8. Dat geldt ook voor zover de toelaatbaarverklaring de overschrijding van de maximumsnelheid betreft. Ingevolge art. 72 lid 2 io. art. 76 Sr beloopt de verjaringstermijn voor de vanwege deze overtreding opgelegde straf dertien jaar en vier maanden.[1] Zo veel tijd is sinds juli 1999 niet verstreken.

9. Het voorgaande betekent dat de opgeëiste persoon bij de eerste twee middelen geen belang heeft en deze dus buiten bespreking kunnen blijven.

10. Het derde middel is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat bij partiële toelaatbaarverklaring van de uitlevering niet behoeft te worden bepaald welk deel van de straf betrekking heeft op de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard.

11. De Rechtbank overwoog:

"2.3.2. Bespreking van de verweren van de raadsman.

(...)

2.3.2.3 Ontoelaatbaarheid van de uitlevering omdat onduidelijk is of er minimaal vier maanden gevangenisstraf is opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de uitlevering - bezien uit een oogpunt van dubbele strafbaarheid -toelaatbaar is.

Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen, dat de verzoekende staat zijns inziens niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank als verwoord in haar tussenbeslissing om aan te geven welk deel van de opgelegde straf is opgelegd ter zake van - kort gezegd - overtreding van de farmacie wetgeving en welk deel van de opgelegde straf betrekking heeft op de overige feilen ter zake waarvan de opgeëiste persoon is veroordeeld. Nu niet duidelijk is of is voldaan aan de grens van vier maanden, dient ook om die reden de uitlevering ontoelaatbaar te worden verklaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waarop de officier van justitie terecht heeft gewezen, hoeft de rechtbank bij partiële toelaatbaarverklaring van de executieuitlevering niet vast te kunnen stellen welk deel van de opgelegde straf betrekking heeft op de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is (vgl. HR 28 augustus 2007, LJN BA6589; lees BA6580; WHV)."

12. Volgens de toelichting op het middel had de Rechtbank gezien de vier maanden-termijn van art. 5 lid 1 onder b Uw moeten bepalen welk deel van de opgelegde vrijheidsstraf van zes maanden betrekking heeft op de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard.

13. In HR 28 augustus 2007, LJN BA6580, NJ 2007, 457 werd overwogen:

"3.7.1. De raadsman heeft ter zitting van de Hoge Raad aangevoerd dat onduidelijk is of de opgeëiste persoon nog straf moet ondergaan, gelet op - in onderling verband en samenhang bezien - de ter zake van de beide feiten opgelegde straf, de ontoelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter zake van het feit onder (2) en de omstandigheid dat de opgeëiste persoon reeds vier maanden in detentie heeft doorgebracht in de verzoekende Staat.

3.7.2. Het aangevoerde kan niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering omdat de rechter die moet beslissen omtrent de toelaatbaarheid van een uitlevering ter tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd ter zake van feiten waarvoor ingevolge het van toepassing zijnde verdrag de uitlevering deels wel, deels niet toelaatbaar is, buiten staat is te beoordelen welk gedeelte van de straf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van het feit of de feiten waarvoor de uitlevering volgens dat verdrag toelaatbaar is. Dit oordeel komt uitsluitend de autoriteiten van de verzoekende Staat toe (vgl. HR 25 februari 1986, LJN AC9243, NJ 1986, 630). (...)"

14. Het middel miskent dit oordeel van de Hoge Raad. Dat wordt niet anders wanneer, zoals in de toelichting op het middel wordt gedaan, in aanmerking wordt genomen dat de opgeëiste persoon voor de overschrijding van de maximumsnelheid een geldboete is opgelegd. In de uitspraak van het District Court of Reykjanes van 4 februari 1999 valt dat niet te lezen. Evenmin dwingt tot een andere opvatting dat de Rechtbank bij tussenbeslissing heeft gevraagd welk deel van de opgelegde vrijheidsstraf is opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, welk deel voor de feiten waarvoor deze niet toelaatbaar is verklaard. Kennelijk is de Rechtbank alsnog en gezien het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad op goede gronden tot het oordeel gekomen dat die informatie bij nader inzien niet noodzakelijk was om op het verzoek te beslissen.

15. Het middel faalt.

16. Alle middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden uitspraak zou dienen te worden vernietigd.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

[1] Ik laat dan nog daar dat volgens het volgens de raadsman toepasselijke Nederlandse recht wanneer voor verschillende feiten met een ongelijke strafbedreiging één vrijheidsstraf is opgelegd bij het berekenen van de verjaringstermijn uitgegaan moet worden van het feit waarop de zwaarste straf is gesteld, zie HR 28 juni 1983, NJ 1984, 79. Dat feit is hier zowel naar Nederlands als naar IJslands recht de valsheid in geschrift. Zie het overgelegde art. 155 van het IJslandse Wetboek van strafrecht.