Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD1499

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
C07/060HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD1499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen broer en zus over vernietiging overeenkomst tot overdracht van economische eigendom van het onverdeelde aandeel van de zus in de voormalige ouderlijke woning wegens dwaling; overbedeling. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 474
RvdW 2008, 629
JWB 2008/270
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C07/060HR

Mr F.F. Langemeijer

Zitting 9 mei 2008

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen

[Verweerder]

In deze zaak, tussen een zus en een broer, is de vernietiging gevorderd van een overeenkomst tot overdracht van de economische eigendom van het onverdeelde aandeel van de zus in de voormalige ouderlijke woning.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1):

1.1.1. Eiseres tot cassatie (in de gedingstukken aangeduid als: [eiseres]) en verweerder in cassatie (aangeduid als: [verweerder]) zijn zuster en broer. Zij hebben nog een broer, namelijk [betrokkene 1] (aangeduid als: [betrokkene 1]).

1.1.2. Bij notariële akte van 24 december 1985 hebben [verweerder], [eiseres] en [betrokkene 1], ieder voor 1/3 onverdeeld aandeel, van hun vader de ouderlijke woning te [woonplaats] (hierna kortweg: de woning) gekocht en geleverd gekregen voor een koopsom van f 65.000,-. In de hierop betrekking hebbende akte is het navolgende beding opgenomen:

"De verkoper en zijn echtgenote kunnen het bij deze akte verkochte vanaf heden als huurders blijven bewonen. Kopers gaan als verhuurders derhalve met de verkoper en zijn echtgenote als huurders, met ingang van heden een huurovereenkomst met betrekking tot het verkochte aan, welke huurovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en eindigt slechts ná een opzegging door de huurders aan de verhuurders, danwel bij het overlijden van de langstlevende van de huurders, terwijl de huurprijs - in onderling overleg - door partijen zal worden vastgesteld."

1.1.3. De ouders hebben geen huur betaald.

1.1.4. In 1994 is de vader van partijen overleden. Hun moeder heeft de huurovereenkomst alleen voortgezet.

1.1.5. Bij notariële akte van 27 maart 1995 heeft [eiseres] de economische eigendom van haar 1/3 onverdeeld aandeel in de woning verkocht en geleverd aan [verweerder]. In die akte is een koopprijs vermeld van f 25.000,- (€ 11.344,51).

1.1.6. In opdracht van [verweerder] heeft makelaar [betrokkene 2] op 19 juni 1996 de onderhandse verkoopwaarde van de woning in bewoonde staat getaxeerd op f 90.000,-.

1.1.7. Op 1 juli 2001 is de moeder van partijen verhuisd naar een aanleunwoning.

1.1.8. In een rapport van 2 september 2003 heeft makelaar [betrokkene 3] de onderhandse verkoopwaarde van de woning, vrij van huur en gebruik, getaxeerd op € 217.500,-. De onderhandse verkoopwaarde in de huidige verhuurde staat is door hem getaxeerd op € 182.500,-(2).

1.2. Bij inleidende dagvaarding van 3 december 2003 heeft [eiseres] haar broer [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht. [eiseres] heeft - na wijziging van eis(3) en kort samengevat - gevorderd de op 27 maart 1995 door haar met [verweerder] gesloten koopovereenkomst te vernietigen en vervolgens:

(primair) aan [verweerder] te gelasten over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap op de wijze als in de dagvaarding onder 13 aangegeven;

(subsidiair) de verdeling van de gemeenschap vast te stellen op een wijze als de rechtbank vermeent te behoren, met veroordeling van [verweerder] om daaraan medewerking te verlenen;

(meer subsidiair) voor recht te verklaren dat aan [eiseres] in eigendom toebehoort 1/3 onverdeeld aandeel in de woning, en voorts:

haar te machtigen om de woning te verkopen en aan [verweerder] te gelasten de woning te ontruimen, een en ander met nevenvorderingen.

1.3. Aan haar vorderingen heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat zij heeft gedwaald omtrent de waarde van de woning, nu zij voor meer dan een kwart van de waarde is benadeeld door het sluiten van de overeenkomst met [verweerder] op 27 maart 1995. Subsidiair heeft zij gesteld dat de overeenkomst van 27 maart 1995 door misbruik van omstandigheden door [verweerder] tot stand is gekomen, c.q. dat zij bij de totstandkoming van de overeenkomst heeft gedwaald(4).

1.4. [Verweerder] heeft in conventie verweer gevoerd en, gedeeltelijk voorwaardelijk, in reconventie vorderingen ingesteld die thans, in cassatie, geen bespreking meer behoeven.

1.5. Bij tussenvonnis van 19 mei 2004 heeft de rechtbank, na voeging van drie zaken, een comparitie van partijen gelast. Bij tussenvonnis van 8 december 2004 heeft de rechtbank voor wat betreft het onderhavige geschil beslist dat het beroep van [eiseres] op dwaling gegrond is en dat de koopovereenkomst van 27 maart 1995 om die reden moet worden vernietigd. De rechtbank stelde vast dat [eiseres] haar aandeel voor een aanzienlijk lager bedrag aan [verweerder] heeft verkocht dan overeenkomt met de werkelijke waarde (rov. 4.10 Rb). Mede gelet op de overige, door [eiseres] gestelde en niet door [verweerder] betwiste omstandigheden nam de rechtbank aan dat [eiseres], als zij van de werkelijke situatie op de hoogte zou zijn geweest, (de economische eigendom van) haar aandeel in de woning niet op deze condities aan [verweerder] zou hebben verkocht (rov. 4.11 Rb). Die overige omstandigheden waren:

- dat [verweerder] een vertrouwensrol voor [eiseres] vervulde;

- dat [verweerder] van die positie misbruik heeft gemaakt door haar onjuist te informeren over de waarde van de woning en de noodzaak van (c.q. de te maken kosten voor) groot onderhoud van de woning;

- dat [verweerder] wist dat [eiseres] hem vertrouwde en dat zij niet op het idee zou komen zijn mededelingen te wantrouwen of te verifiëren (rov. 4.7 Rb).

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte ter rolle uit te laten over de wijze van verdeling van de gemeenschap.

1.6. Bij vonnis van 10 augustus 2005 heeft de rechtbank in conventie de koopovereenkomst van 27 maart 1995 vernietigd, de wijze van verdeling van de gemeenschap vastgesteld en daartoe [eiseres] gemachtigd om namens de deelgenoten de woning te verkopen en te leveren en aan [verweerder] gelast de woning te ontruimen. De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerder] in reconventie afgewezen.

1.7. [Verweerder] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, zijn betwisting van de vorderingen in conventie nader toegelicht en zijn vorderingen in reconventie gewijzigd(5). Bij arrest van 14 september 2006 heeft het hof hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het vonnis van 19 mei 2004, de vonnissen van 8 december 2004 en 10 augustus 2005 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiseres] in conventie afgewezen. Het hof heeft de gewijzigde vorderingen van [verweerder] in reconventie gedeeltelijk toegewezen.

1.8. Namens [eiseres] is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I, gericht tegen rov. 4.12 - 4.19, behelst de klacht dat het hof heeft miskend dat de vordering van [eiseres] niet alleen door het bepaalde in art. 6:228 BW, maar ook door het bepaalde in art. 3:196 BW wordt beheerst (onderdeel 1.5). Het hof had om die reden niet mogen volstaan met een toetsing of aan de eisen van art. 6:228 BW is voldaan (onderdeel 1.9)(6). Verder noemt het middel rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, het oordeel van het hof dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld voor een geslaagd beroep op dwaling: volgens het middel is daarvoor toereikend (de stelling) dat benadeling voor meer dan een vierde heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de bewering dat [eiseres] voor meer dan een vierde is benadeeld klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat met de bindende taxatie van makelaar [betrokkene 3] in de parallelprocedure een benadeling van [eiseres] voor meer dan een vierde tussen partijen vaststond. De overweging aan het slot van rov. 3.10, dat de parallelprocedures geen rol spelen, zou onjuist zijn (onderdelen 1.7 en 1.11).

2.2. Behalve op de algemene voor vernietiging van rechtshandelingen geldende gronden, is de verdeling van een gemeenschap ook vernietigbaar indien een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Wanneer een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen, wordt de benadeelde vermoed omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden te hebben gedwaald (art. 3:196, leden 1 en 2, BW). Om te beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad, worden de goederen en schulden der gemeenschap geschat naar hun waarde op het tijdstip van de verdeling (art. 3:196 lid 3 BW).

2.3. Het uitgangspunt van de klacht vindt enige steun in de rechtspraak(7). Niettemin kan de klacht in dit geval niet slagen. Art. 3:196 BW veronderstelt dat sprake is van een verdeling van een gemeenschap, waarvan de vernietiging wordt ingeroepen. Hieraan is in de rechtspraak in zoverre uitbreiding gegeven dat art. 3:196 BW mede van toepassing is op een rechtshandeling waarbij een huwelijksgemeenschap wordt verdeeld vóór haar ontbinding, maar onder de opschortende voorwaarde dat die ontbinding zal plaatsvinden. Daarmee wordt gelijkgesteld een (obligatoire) overeenkomst waarbij de deelgenoten zich tot een bepaalde, concreet aangegeven verdeling van de gemeenschap verplichten(8). In de vakliteratuur wordt deze regel ook toepasselijk geacht op andere gemeenschappen dan huwelijksgemeenschappen(9).

2.4. In de onderhavige zaak staat vast dat sprake is van een onverdeelde gemeenschap; van een aandeel daarin is de economische eigendom overgedragen. Dit blijkt ook hieruit dat zowel [eiseres] als - in de parallelzaak - [verweerder] een bevel heeft gevorderd tot verdeling van de gemeenschap. Discussie kan hoogstens bestaan over de vraag of het aandeel van [eiseres] in deze onverdeelde gemeenschap thans uitsluitend het bloot eigendomsrecht omvat (omdat zij de economische eigendom van haar aandeel reeds op 27 maart 1995 aan [verweerder] heeft overgedragen), dan wel - na vernietiging van die koopovereenkomst - de volledige eigendom van de woning betreft.

2.5. Indien de vernietiging zou zijn gevorderd van een overeenkomst waarbij de deelgenoten zich tot een bepaalde, concreet aangegeven verdeling van de gemeenschap verplichtten, zou op grond van de aangehaalde jurisprudentie de regel van art. 3:196 BW analoog kunnen worden toegepast. In dit geding heeft [eiseres] dit niet gesteld en gevorderd. Dat zou ook bezwaarlijk hebben gekund, omdat bij de overeenkomst van 27 maart 1995 niet alle deelgenoten waren betrokken: [betrokkene 1] was daarbij geen partij. In eerste aanleg heeft de rechtbank aanvankelijk aangenomen dat tussen [eiseres] en [verweerder] afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de woning en dat [eiseres] en [verweerder] in het kader van die verdeling op 27 maart 1995 de koopovereenkomst m.b.t. de economische eigendom van het aandeel van [eiseres] hebben gesloten(10). In zijn eerste grief in hoger beroep heeft [verweerder] de vraag aan de orde gesteld of op 27 maart 1995 sprake was van een overeenkomst tot (partiële) verdeling van de gemeenschap waarop art. 3:196 BW van toepassing is; zo ja, dan is volgens [verweerder] de wettelijke termijn waarbinnen [eiseres] vernietiging van die overeenkomst kon vorderen vervallen voordat de vordering werd ingesteld (art. 3:200 BW). [eiseres] heeft hierop bij memorie van antwoord uitdrukkelijk bestreden dat op 27 maart 1995 sprake is geweest van een verdeling van de gemeenschap(11). In rov. 4.7 heeft het hof het standpunt dat de economische overdracht van het aandeel van [eiseres] in de woning te beschouwen is als een verdeling in de zin van titel 7 van Boek 3 BW verworpen. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden.

2.6. Met het voorgaande staat vast dat de op 27 maart 1995 gesloten koopovereenkomst niet kan worden beschouwd als een overeenkomst van verdeling van een gemeenschap, noch als een (obligatoire) overeenkomst tussen de deelgenoten tot een bepaalde verdeling van de gemeenschap. Art. 3:196 BW was daarom niet toepasselijk. De klacht van onderdeel 1.8, die hierop voortbouwt, behoeft m.i. geen afzonderlijke bespreking.

2.7. Daarmee resteert de klacht in onderdeel I.10, gericht tegen rov. 4.17. Volgens het hof heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat [verweerder] haar in 1995 had behoren in te lichten over een waarde van de woning van f 200.000,-. Het hof overweegt dat, nu [eiseres] niet heeft gesteld dat [verweerder] niet van de juistheid van de taxatie door taxateur [betrokkene 2] mocht uitgaan, niet kan ervan kan worden uitgegaan dat [verweerder] ervan op de hoogte was dat de woning een waarde van f 200.000,- had en dat hij [eiseres] hierover had moeten informeren. Volgens de klacht van onderdeel 1.10 is de door het hof bedoele taxatie van makelaar [betrokkene 2] (in de parallelprocedure) gemotiveerd betwist en gaf die betwisting (in de parallelprocedure) de rechtbank aanleiding om een deskundigenbericht te gelasten, waarna makelaar [betrokkene 3] de juiste waarde van de woning heeft vastgesteld. Volgens het middel behoorde [verweerder] te weten dat (en waarom) de taxatie van makelaar [betrokkene 2] ondeugdelijk was: hijzelf had de informatie verstrekt waarop de taxatie van makelaar [betrokkene 2] gebaseerd was.

2.8. [Eiseres] had in de feitelijke instanties de taxatie van [betrokkene 2] niet of onvoldoende betwist. De omstandigheid dat de rechtbank de procedures gevoegd heeft behandeld, maakt niet dat stellingen van anderen dan [eiseres] in de parallelprocedure zonder meer mogen worden beschouwd als stellingen die [eiseres] in dit geding naar voren heeft gebracht(12). Reeds om die reden kon het hof tot het oordeel komen dat [eiseres] in het onderhavige geding onvoldoende heeft gesteld om daarop de gevolgtrekking te baseren dat [verweerder] haar onjuiste informatie heeft verstrekt omtrent de waarde van de woning(13). Voor het overige berust het oordeel van het hof, dat [eiseres] op dit punt onvoldoende heeft aangevoerd, op een uitleg van de stellingen van partijen, respectievelijk op een waardering van de feiten, die is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. Om deze reden faalt de klacht.

2.9. De slotklacht in onderdeel 1.12 mist zelfstandige betekenis naast het voorgaande. De slotsom is dat middel I niet tot cassatie leidt.

2.10. Middel II bouwt in de onderdelen 2.2 en 2.3 voort op de klachten van middel I. In rov. 4.9 heeft het hof een samenvatting gegeven van de stellingen van [verweerder]. In rov. 4.10 heeft het hof daaraan de gevolgtrekking verbonden dat [verweerder] in hoger beroep de overige stellingen van [eiseres] - zie daarover: alinea 1.5 hiervoor - voldoende heeft tegengesproken. In zoverre achtte het hof grief I gegrond. Volgens middel II heeft het hof miskend dat deze tegenspraak van [verweerder] (die betrekking had op de vraag of sprake was van dwaling in de zin van art. 6:228 BW) relevantie mist voor de beantwoording van de vraag of sprake was van benadeling met meer dan een vierde.

2.11. Deze klacht faalt m.i. om dezelfde redenen als middel I. In de redenering van het hof was geen sprake van een vordering tot vernietiging van een overeenkomst van verdeling, noch van een vordering tot vernietiging van een overeenkomst tussen de deelgenoten tot een bepaalde wijze van verdeling (als bedoeld in art. 3:196 BW), maar slechts van een vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst: op grond van dwaling (art. 6:228 BW) of misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW). Het hof heeft het in middel II bedoelde onderscheid niet uit het oog verloren.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 3.1 - 3.8 van het bestreden arrest, hier enigszins verkort weergegeven.

2 Makelaar [betrokkene 3] is door de rechtbank bij vonnis van 25 juni 2003 in twee andere, door de rechtbank met de onderhavige zaak gevoegd behandelde, procedures van [betrokkene 1] tegen [verweerder] en [eiseres] respectievelijk tussen [verweerder] en [betrokkene 1] benoemd als deskundige. Dit blijkt uit rov. 2.8 van het vonnis van 8 december 2004 van de rechtbank in deze zaak. Het taxatierapport is overgelegd als prod. 4 bij de memorie van grieven van [verweerder] en als prod. 10 bij de dagvaarding van [eiseres].

3 Zie blz. 3 van de antwoordakte na tussenvonnis, tevens houdende aanvulling van eis, d.d. 2 maart 2005.

4 De grondslag van de vordering is door het hof samengevat in rov. 4.1. Zie ook: rov. 4.7 van het vonnis van 8 december 2004 en par. 9 en 10 van de inleidende dagvaarding.

5 De gewijzigde vorderingen zijn door het hof samengevat onder 1.2.

6 In gelijke zin: blz. 6 van de s.t. van de zijde van [eiseres].

7 Zie HR 28 april 2006, RvdW 2006, 449: voor vernietiging op grond van art. 3:196 BW is niet vereist dat is voldaan aan de voorwaarde van art. 6:228 lid 1 (onder b) BW.

8 HR 7 april 1995, NJ 1996, 499 m.nt. WMK.

9 Asser-Perrick, 3-IV, Goederenrecht; gemeenschap, 2007, nr. 117.

10 Rov. 2.1 van het vonnis van 19 mei 2004.

11 MvA blz. 1 - 3, samengevat in rov. 4.5.

12 Zie H.J. Snijders/A. Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 244, met verdere verwijzingen.

13 Volgens [verweerder] zou de woning in bewoonde staat in 1995 f 90.000,- waard zijn en heeft [eiseres] haar aandeel voor een koopsom van f 30.000,- aan hem verkocht (waarvan f 25.000,- in de notariële akte is opgenomen). Zie voor een samenvatting van het standpunt van [verweerder]: rov. 4.4 en 4.9.