Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD1494

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
C07/039HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD1494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Kennelijk onredelijk/onregelmatig ontslag; vordering tot herstel dienstbetrekking en schadevergoeding; verjaring op grond van art. 7:683 BW; stuiting; schriftelijke mededeling in art. 3:317 lid 1 BW; daaraan te stellen eisen; ondubbelzinnig voorbehoud van recht op nakoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 538
NJ 2008, 373
RvdW 2008, 687
RAR 2008, 124
RAR 2008, 123
Prg. 2008, 127
NJB 2008, 1517
JWB 2008/303
JAR 2008/189
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C07/039HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 18 april 2008

Conclusie inzake:

[Eiser]

(hierna: [eiser])

tegen:

de rechtspersoonlijkheid bezittende gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Hoogezand en Omstreken h.o.d.n. Trio Bedrijven

(hierna: Trio)

(niet verschenen)

1. Inleiding

1.1. De zaak betreft de vraag of de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis (hier: n.a.v. een aangevochten ontslag op staande voet) met een ondubbelzinnig schriftelijk voorbehoud op de voet van art. 3:317 lid 1 BW is gestuit. Het hof heeft, ten nadele van [eiser], doorslaggevende betekenis toegekend aan de verwijzing in de tekst van een (stuitings-)brief naar (slechts) een grondslag voor de vordering in het BBA 1945, en niet naar de - vervolgens in de onderhavige procedure aan de vorderingen ten grondslag gelegde - BW-bepalingen.

1.2. Naar ik meen heeft het hof niet de juiste maatstaf toegepast, of is 's hofs oordeel, uitgaande van de juiste maatstaf, zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

2. Feiten(1)

2.1. [Eiser] is met ingang van 15 augustus 1994 in WSW-verband in dienst genomen door Trio. Laatstelijk was hij werkzaam in de functie van allround medewerker groenvoorziening en cultuurtechniek tegen een salaris van € 1.603,- bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

2.2. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 17 maart 2004, doordat Trio [eiser] op die datum op staande voet heeft ontslagen onder mededeling van een dringende reden. Dat ontslag is schriftelijk bevestigd bij brief van 18 maart 2004.

2.3. [Eiser] heeft direct schriftelijk geprotesteerd tegen het hem gegeven ontslag. Zijn desbetreffende brief luidt als volgt:

'Geachte Directeur [betrokkene 2]

Hiermee protesteer ik tegen het op staande-voet ontslag dat mij op 17-3-2004 werd mede gedeeld. Er is geen dringende reden voor dit ontslag. Ik stel mij uitdrukkelijk beschikbaar voor mijn gebruikelijke werksaamheden en blijf aanspraak maken op doorbetaling van mijn salaris. Bij deze meld ik mij ziek per heden. Wel stel ik mij zodra mijn gezondheid dit weer toe laat beschikbaar voor het verrichten van mijn gebruikelijke werksaamheden. Ik verwacht per omgaande schriftelijke reactie.'

2.4. Trio heeft bij brief d.d. 25 maart 2004 geantwoord dat zij bij het ontslag blijft.

2.5. Bij brief van 25 maart 2004 heeft [betrokkene 1] in haar hoedanigheid van sociaal juridisch medewerker van ABVAKABO/FNV (verder FNV) zich gericht tot Trio. In die brief is vermeld dat [eiser] door middel van een schrijven van 19 maart 2004 geprotesteerd heeft tegen de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens de aanwezigheid van een dringende reden. Voorts bevat die brief het verzoek aan Trio om aan te geven of zij bereid is om de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden te heroverwegen en in te gaan op een uitnodiging van FNV om in een gesprek de onderhavige kwestie nader te bespreken.

2.6. Bij per fax verzonden brief van 16 september 2004 heeft mr. G.A. Versteegh, de toenmalige advocaat van [eiser], aan Trio onder meer bericht:

'Geachte heer, mevrouw,

Tot mij wendde zich [eiser] (...) in verband met het door u aan hem aangezegde ontslag op staande voet (uw brief van 18 maart 2004). [Eiser] heeft tegen dat ontslag al geprotesteerd. U hebt dit protest afgewezen (uw brief van 25 maart 2004).

U verwijt [eiser] een "sterk negatief ontwikkelende werkhouding" gepaard met dreigementen aan het adres van de leidinggevende. [Eiser] betwist dit.

(...)

Er is dan ook geen sprake van dringende redenen, die een ontslag op staande voet rechtvaardigen.

Bovendien is het ontslag, voor zover daar al reden voor zou zijn, niet onverwijld aangezegd.

Namens [eiser] vernietig ik hierbij de opzegging van de arbeidsverhouding wegens het ontbreken van toestemming als bedoeld in artikel 6 BWA(2) 1945.

Hij houdt zich beschikbaar (zoals hij ook in zijn eerdere brief al heeft gemeld) voor het werk op eerste afroep.

Hierbij verzoek ik u en, voorzover nodig, sommeer ik u namens [eiser] om het hem verschuldigde loon en vakantiegeld vanaf 17 maart 2004 t/m eind augustus 2004 vermeerderd met 10% wettelijke verhoging wegens late uitbetaling, binnen 14 dagen na heden over te boeken op rekeningnummer (...). Tevens sommeer ik u mij binnen 14 dagen na heden te bevestigen dat het ontslag op staande voet is ingetrokken.

Wanneer aan deze sommaties niet wordt voldaan, behoudt cliënt zich het recht voor om een en ander in rechte te vorderen.

(...)'

2.7. In reactie hierop heeft Trio's juridisch adviseur [betrokkene 3] bij brief van 29 september 2004 aan mr. Versteegh onder meer het volgende geschreven:

'Geachte heer, mevrouw,

Met uw schrijven van 16 september 2004 aan mijn cliënte, Trio Bedrijven, geeft u aan de opzegging van de arbeidsverhouding met [eiser] te vernietigen op grond van het ontbreken van toestemming als bedoeld in artikel 6 BBA. Aldus sommeert u cliënte te bevestigen dat het ontslag op staande voet is ingetrokken. Cliënte acht geen termen aanwezig om het ontslag van uw cliënt in te trekken.

Op grond van bovengenoemde vernietiging sommeerde u cliënte tot betaling van loon en vakantiegeld tot en met augustus 2004, vermeerderd met 10% verhoging. Hiertoe ziet mijn cliënte op grond van het voorgaande geen aanleiding.

(... )'

2.8. Op de arbeidsverhouding, zoals die tussen partijen heeft bestaan, was het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) 1945 niet van toepassing.

3. Procesverloop

3.1. Bij dagvaarding van 26 oktober 2004 heeft [eiser] Trio in rechte betrokken ter zake van vorderingen uit hoofde van kennelijk onredelijk althans onregelmatig ontslag. Naast (1) een dienovereenkomstige verklaring voor recht vorderde [eiser], samengevat, (2) veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, (3) betaling van loon dat aan hem verschuldigd zou zijn bij voortduring van de arbeidsovereenkomst, subsidiair(3) schadevergoeding ad € 25.968 of een door de rechtbank te betalen bedrag, met nevenvorderingen.

3.2. Trio heeft tegen die vorderingen verweer gevoerd, waarbij zij zich primair onder verwijzing naar art. 7:683 BW op het standpunt stelde dat de door [eiser] ingestelde rechtsvorderingen waren verjaard.

3.3. Na een bij (tussen)vonnis van 9 december 2004 gelaste comparitie van partijen die op 25 januari 2005 heeft plaatsgevonden en verdere stukkenwisseling, wees de rechtbank Groningen, sector kanton, op 21 juli 2005 eindvonnis.

In dit vonnis is [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. Hieraan is ten grondslag gelegd - samengevat - dat [eiser]' vorderingen bij dagvaarding van 4 november 2004(4) en bij repliek van 24 februari 2005 zijn ingesteld buiten de in art. 7:683 BW bepaalde termijn van zes maanden en dat het door [eiser] gedane beroep op stuiting faalt.

3.4. [Eiser] heeft tegen het vonnis van 21 juli 2005 hoger beroep ingesteld. Bij memorie van grieven zijn zes grieven aangevoerd.

De vorderingen ingevolge bij memorie van grieven gewijzigde eis luidden, samengevat: een verklaring voor recht dat het verleende ontslag kennelijk onredelijk is; veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst; betaling van een bedrag gelijk aan het loon dat [eiser] zonder ontslag zou hebben ontvangen tot aan de datum van het herstel van de dienstbetrekking, subsidiair een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 maart 2004, en meer subsidiair een verklaring voor recht dat het verleende ontslag onregelmatig is met betaling van een schadevergoeding gelijk aan het loon dat [eiser] zonder ontslag zou hebben verdiend vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 maart 2004.

3.5. Trio voerde gemotiveerd verweer.

3.6. Bij arrest van 18 oktober 2006(5) heeft het gerechtshof te Leeuwarden de grieven ongegrond geoordeeld en het vonnis(6) bekrachtigd.

3.7. Tegen dit arrest heeft [eiser] - tijdig(7) - cassatieberoep ingesteld. Tegen Trio is verstek verleend. [Eiser] heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid tot het geven van een schriftelijke toelichting.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.A. Inleidende opmerkingen

4.1. Zoals in de inleiding al aangeduid, is de centrale vraag in cassatie of het hof bij zijn beoordeling of [eiser] de door Trio ingeroepen verjaring op de voet van art. 3:317, lid 1 BW had gestuit, is uitgegaan van de juiste maatstaf, en - zo ja - of 's hofs afwijzend oordeel toereikend gemotiveerd is.

4.2. Artikel 3:317 BW, lid 1 BW luidt:

'De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.'

4.3. Nader toegespitst, luidt de centrale vraag in cassatie of het hof bij zijn afwijzend oordeel het begrip 'ondubbelzinnig' in het wetsartikel juist heeft verstaan (met de vervolgvraag als in nr. 4.1 bedoeld).

4.4. Uw Raad heeft omtrent de uitleg en de toepassing van de door art. 3:317, lid 1 BW bedoelde ondubbelzinnige mededeling een reeks van arresten gewezen. De vaste rechtspraak ten deze houdt in, in de woorden van (bijv.) HR 4 juni 2004, NJ 2004, 603, rov. 3.4:

'Ingevolge art. 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze omschrijving van de schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, welke neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (HR 14 februari 1997, nr. 16144, NJ 1997, 244, HR 1 december 2000, nr. C98/301HR, NJ 2001, 46 en HR 25 januari 2002, nr. C00/081HR, NJ 2002, 169).'(8)

4.5. 'Ondubbelzinnig' in de zin van art. 3:317, lid 1BW komt dus neer op: een 'voldoende duidelijke' waarschuwing aan de schuldenaar dat hij van de claim van de schuldeiser nog niet af is, of, in de woorden van A-G Bakels voor HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169, dat het de schuldeiser 'nog steeds menens is'.

Voor de vraag hoe de schuldenaar de uitlatingen van de schuldeiser geacht moet worden op te vatten, verwees A-G Bakels, evenals eerder A-G de Vries Lentsch-Kostense, naar de Haviltex-maatstaf(9). De Hoge Raad heeft - als ik goed zie - die verwijzing niet met zoveel woorden overgenomen, maar, zoals blijkt uit de aangehaalde arresten, bepaald niet van de hand gewezen.(10) Ook ik ga ervan uit dat in het kader van art. 3:317, lid 1 BW, de tekst van de mededeling niet op zichzelf beslissend is, maar beoordeeld moet worden in het kader van de context van de mededeling en de verdere omstandigheden.(11)

4.6. Tegen de door de Hoge Raad aangegeven achtergrond moet de ondubbelzinnige stuitingsmededeling in de zin van art. 3:317, lid 1 BW derhalve voldoende duidelijk zijn omtrent (i) het rekening moeten houden met een alsnog door de schuldeiser in te stellen vordering. Tegen diezelfde achtergrond spreekt m.i. vanzelf (maar ik specificeer het nog even) dat de mededeling óók voldoende duidelijk moet zijn terzake van (ii) het feit dat tot de in te stellen vordering aanleiding geeft. Bijvoorbeeld: 'onze (niet betaalde) levering d.d. ...', 'het ongeval d.d. ...', 'de vertraging van 45 dagen bij uw levering d.d. ...', 'de ontruiming d.d. ...', enz.(12)).(13)

Ik zie echter geen reden waarom de mededeling óók (iii) de juridische grondslag voor de vordering zou moeten specificeren. Dát (i) een claim dreigt, en (ii) de feitelijke reden daarvoor, is voor de schuldenaar voldoende waarschuwing om bewijsmateriaal te bewaren. Dat de juridische grondslag niet vermeld behoeft te worden, ligt m.i. voorts voor de hand, nu het voor de schuldeiser zelf - die geen jurist behoeft te zijn - veelal niet duidelijk zal zijn en ook niet hoeft te zijn, om welke wettelijke rechtsfiguur het precies zal gaan, als hij de claim doorzet. Ook (iv) de hoogte van de vordering behoeft niet in de stuitingsmededeling opgenomen te zijn.

Nu de juridische grondslag niet in de mededeling ex art. 3:317 lid 1 BW opgenomen behoeft te zijn, kan m.i. een daarin vermelde juridische grondslag die niet juist is, of die later door een andere (wél of beter toepasselijke) grondslag wordt vervangen, aan de houdbaarheid van deze stuitingsmededeling niet afdoen.

4.B. De feiten en het probleem naar de kern

4.7. Trio heeft [eiser] op 17 maart 2004 op staande voet ontslagen (zie nr. 2.2). [Eiser] heeft aanstonds schriftelijk geprotesteerd (nr. 2.3). Namens [eiser] is op 25 maart 2004 aan het protest tegen de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst herinnerd (nr. 2.5). Op 16 september 2004 (binnen de zes-maandentermijn van art. 7:683 lid 1 BW) heeft mr. Versteegh namens [eiser] andermaal aan dit protest herinnerd, en daarbij onder verwijzing naar het ontbreken van een (BBA)-ontslagvergunning de opzegging van de arbeidsverhouding 'vernietigd', Trio verzocht/gesommeerd om het aan [eiser] verschuldigde loon en vakantiegeld vanaf 17 maart 2004 t/m eind augustus 2004 vermeerderd met 10% wettelijke verhoging wegens late uitbetaling binnen 14 dagen te betalen, alsmede om binnen 14 dagen te bevestigen dat het ontslag op staande voet is ingetrokken (nr. 2.6).

4.8. De op 26 oktober 2004 uitgebrachte inleidende dagvaarding is gegrond op BW-bepalingen inzake kennelijk onredelijk althans onregelmatig ontslag. Naast een dienovereenkomstige verklaring voor recht vorderde [eiser], samengevat: veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, betaling van loon dat aan hem verschuldigd zou zijn bij voortduring van de arbeidsovereenkomst, subsidiair schadevergoeding (vgl. nr. 3.1).

4.9. De verwijzing in de tekst van de brief van 16 september 2004 namens [eiser] naar (slechts) de grondslag van het BBA en niet naar BW-bepalingen, heeft een doorslaggevende rol gespeeld in het eindvonnis van de rechtbank en in het arrest waarvan beroep.(14)

4.C. Het arrest van het hof

4.10. De overwegingen van het hof, voor zover in cassatie van belang, laten zich als volgt weergeven.

4.11. In rov. 5 stelt het hof vast dat [eiser]' vorderingen alle hun grondslag vinden in gesteld kennelijk onredelijk dan wel onregelmatig ontslag, en dat tussen partijen niet in geschil is dat die vorderingen aanhangig zijn gemaakt ná het verstrijken van de daarop ingevolge art. 7:683 lid 1 BW toepasselijke verjaringstermijn van zes maanden. De brief van 16 september 2004 is daarentegen tijdig, d.w.z. vóór de afloop van de verjaringstermijn door Trio ontvangen. Het hof vervolgt in rov. 6 dat het in hoger beroep gaat om beoordeling van de stelling van [eiser] dat de brief van 16 september 2004, voor zover nodig in samenhang met zijn brief van 19 maart 2004 en de brief van 25 maart 2004 van FNV, voldeed aan de eisen van art. 3:317 lid 1 BW.

In rov. 7 geeft het hof de maatstaf van art. 3:317 lid 1 BW (juist) weer, met inbegrip van een verwijzing naar HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244.(15) In rov. 8 en 9 volgt een weergave van het (daarop gebaseerde) standpunt van [eiser], en van hetgeen [eiser] daartoe heeft gesteld:

'8. [Eiser] stelt zich op het standpunt dat Trio in de omstandigheden van het geval aan de brief van 16 september 2004, voor zover nodig in samenhang met zijn eerdere brief en die van de FNV d.d. 25 maart 2004, de betekenis had moeten toekennen dat hij zich zijn recht op nakoming van de jegens hem bestaande verbintenissen uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag ondubbelzinnig voorbehield.

9. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert [eiser] in appel - samengevat - het volgende aan. Volgens [eiser] heeft hij zich in de brief van 16 september 2004 zijn rechten voorbehouden om een vordering, waaronder die op grond van kennelijk onredelijk ontslag, in te stellen. In elk geval had Trio, aldus [eiser], de in die brief aangekondigde vordering (mede) kunnen en moeten begrijpen als een vordering op grond van artikel 7:681 BW, nu Trio gelet op de inhoud van de brief en van de beide eerdere brieven van [eiser] en FNV wist dat hij zich niet kon vinden in de door haar aangevoerde dringende reden voor het ontslag en zij er als professionele WSW-organisatie van op de hoogte was, althans had behoren te zijn, dat voor een werknemer in WSW-verband, zoals in dit geval [eiser], niet de mogelijkheid bestaat om zich te beroepen op de nietigheid van het ontslag wegens het ontbreken van toestemming als bedoeld in artikel 6 BBA 1945, maar deze enkel de mogelijkheid heeft zich tegen een opzegging van de arbeidsovereenkomst (al dan niet wegens een dringende reden) te verweren op grond van het kennelijk onredelijke karakter daarvan.'

In rov. 10 oordeelt het hof dat in de brief van 16 september 2004 - evenals de andere twee brieven - niet valt te lezen dat [eiser] zich zijn recht heeft voorbehouden om een vordering op grond van kennelijk onredelijk ontslag in te stellen. Hieronder citeer ik rov. 10, en vervolgens rov. 11-14:

'10. Het hof volgt [eiser] niet in zijn stelling dat hij zich in de brief van 16 september 2004 het recht heeft voorbehouden om een vordering op grond van kennelijk onredelijk ontslag in te stellen, om de eenvoudige reden dat zulks daarin niet valt te lezen. Uit de inhoud van de brief kan naar het oordeel van het hof niet anders worden opgemaakt dan dat daarbij namens [eiser] het hem gegeven ontslag werd vernietigd wegens het ontbreken van toestemming als bedoeld in artikel 6 BBA 1945, dat als uitvloeisel daarvan Trio werd gesommeerd tot betaling van loon en vakantiegeld over de periode van 17 maart 2004 tot en met eind augustus 2004, vermeerderd met wettelijke verhoging wegens te late uitbetaling, alsmede tot bevestiging van de intrekking van het gegeven ontslag, en dat [eiser] zich bij gebreke van voldoening aan die sommaties zich het recht voorbehield ter zake vorderingen in rechte in te stellen. De inhoud van de brief van [eiser] en die van FNV maakt dat niet anders.

11. De volgende vraag is of, zoals [eiser] ook betoogt, Trio desalniettemin in de gegeven omstandigheden aan de brief van 16 september 2004 redelijkerwijs de betekenis had moeten toekennen dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding, gebaseerd op artikel 7:681 BW, voorbehield.

12. Het hof is, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 10 is overwogen, van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Ook indien er vanuit wordt gegaan dat het Trio als (ex)werkgever van [eiser] bekend was, althans had moeten zijn, dat hij zich niet met succes kon beroepen op vernietiging van het hem gegeven ontslag wegens het ontbreken van toestemming als bedoeld in artikel 6 BBA 1945, dan leidt dat er nog niet toe dat Trio op grond daarvan redelijkerwijs tot de conclusie had moeten komen dat [eiser], anders dan zijn toenmalige advocaat in de brief van 16 september 2004 meedeelde, bedoelde zich het recht op nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding ex artikel 7:681 BW ondubbelzinnig voor te behouden. Van ondubbelzinnigheid in de betekenis die daaraan in dit verband dient te worden gegeven kan te dezen al niet worden gesproken omdat in geval van een ontslag dat, zoals hier, door de werkgever is gegeven op grond van een dringende reden, welke door de werknemer wordt betwist, niet slechts een vordering tot schadevergoeding ex artikel 7:681 BW tot de potentiële mogelijkheden behoort, doch ook vorderingen gebaseerd op schadeplichtigheid als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 en/of lid 2 BW, alsook een vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst, eventueel gecombineerd met een schadevergoeding in geld, wegens kennelijk onredelijke opzegging als bedoeld in artikel 7:682 lid 1 en lid 2 BW.

13. Het hof is dan ook van oordeel dat de brief van 16 september 2004 niet kan worden aangemerkt als een handeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW waardoor de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ex artikel 7:681 BW zou zijn gestuit (vergelijk ook HR 15-4-2005, NJ 2005, 484). Op grond van hetgeen hiervoor onder 12 is overwogen is het hof tevens van oordeel dat hetzelfde geldt voor de vorderingen van [eiser] die strekken tot herstel van de arbeidsovereenkomst, gecombineerd met schadevergoeding, uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag (artikel 7:682 lid 1 en 2 BW) respectievelijk tot schadevergoeding uit hoofde van de onregelmatigheid van de opzegging (artikel 7: 677 lid 2 BW).

Daarbij komt dan nog dat de hiervoor in deze overweging bedoelde vorderingen, welke alle uitgaan van de geldigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, voor de toepassing van artikel 3:317 lid 1 BW niet op één lijn kunnen worden gesteld met de vordering, waarvan in de brief van 16 september 2004 sprake is. In die brief gaat het immers om een vordering tot (door)betaling van loon c.a., welke is gegrond op de vernietigbaarheid van de opzegging en daarmee op het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst.

14. Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat zijn hiervoor onder (iii) weergegeven(16) brief en de brief van FNV d.d. 25 maart 2004 elk op zich dan wel in onderling verband en samenhang beschouwd de verjaring van de onderhavige vorderingen van [eiser] hebben gestuit, gaat het hof daaraan voorbij. Nog daargelaten dat het hof van oordeel is dat uit deze beide brieven niet kan worden opgemaakt dat zij de strekking hebben de verjaring van die vorderingen te stuiten, geldt dat zij niet binnen een termijn van zes maanden zijn gevolgd door een nieuwe stuitingshandeling, nu de meergenoemde brief van 16 september 2004 niet als een zodanige handeling kan worden beschouwd en de dagvaarding in eerste aanleg eerst is uitgebracht op 26 oktober 2004. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de termijn als bedoeld in artikel 7:683 lid 1 BW in casu is gaan lopen daags na de feitelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, derhalve met ingang van 18 maart 2004.'

4.D. De klachten van het middel

4.12. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, genummerd 1.1 en 1.2.

Onderdeel 1.1 klaagt dat het hof - anders dan het in rov. 7 vooropstelt, en niettegenstaande 'lippendienst' in rov. 12 en 13 - ten onrechte in rov. 12 en 13 niét de juiste maatstaf van art. 3:317, lid 1, maar de onjuiste maatstaf van art. 3:316, lid 1 BW heeft toegepast.

Volgens het onderdeel blijkt dat met name uit de verwijzing van het hof in rov. 13 naar HR 15 april 2005, NJ 2005, 484 m.nt. GHvV, welk arrest betrekking heeft op stuiting van de verjaring door een daad van rechtsvervolging (art. 3:316 BW), waarin niet een ondubbelzinnig voorbehoud als criterium geldt, maar het criterium of sprake is van een (latere) vordering die met een tijdig ingestelde vordering op één lijn kan worden gesteld. Klaarblijkelijk meent het hof dat van de in casu vereiste ondubbelzinnigheid (in de zin van art. 3:317 BW) al geen sprake kan zijn omdat de door het hof in rov. 12 bedoelde vorderingen(17) niet op één lijn kunnen worden gesteld.

Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof bij zijn oordeel in rov. 12, 13 en 14 niet (kenbaar) de in het onderdeel genoemde omstandigheden van het geval waarop [eiser] zich heeft beroepen (essentiële stellingen), heeft betrokken. Het hof heeft hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uitsluitend op de inhoud van de brief te letten en de overige omstandigheden van het geval buiten beschouwing te laten, hetzij zijn oordeel niet naar de eis der wet met (voldoende) redenen omkleed, doordat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is dat of hoe die overige omstandigheden (en/of de desbetreffende essentiële stellingen van [eiser]) in aanmerking genomen zijn.

4.13. Ik bespreek eerst onderdeel 1.2.

4.14. In nrs. 4.4-4.5 is gebleken dat bij het hier toepasselijke criterium van art. 3:317 lid 1 BW (zoals door het hof in rov. 7 ook onderkend) beslissend is of [eiser] ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden, in dier voege dat zijn mededeling een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar (Trio) inhoudt dat deze, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een alsnog door de schuldeiser in te stellen vordering behoorlijk kan verweren. Dit laatste is door de Hoge Raad als de ratio van het vereiste van de ondubbelzinnige mededeling aangegeven.

4.15. Het hof buigt zich in rov. 10 over de in de brief van 16 september 2004 aangegeven grondslag voor de vorderingen van [eiser] (ontbreken van toestemming tot ontslag ex art. 6 BBA, zie rov. 10), in vergelijking tot de grondslag die [eiser] later in rechte aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd (kennelijk onredelijk dan wel onregelmatig ontslag, zie rov. 5). In deze rov. 10, waar het hof de brief naar de letter beziet, constateert het hof - ten nadele van [eiser] - die discrepantie.

4.16. In rov. 11 stelt het hof zich - overeenkomstig [eiser]' stellingname - de vraag of Trio desalniettemin in de gegeven omstandigheden aan de brief van 16 september 2004 redelijkerwijs de betekenis had moeten toekennen dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding, gebaseerd op artikel 7:681 BW, voorbehield.

4.17. Voor 's hofs oordeel dat ook dié vraag ontkennend moet worden beantwoord, is de decisieve grond neergelegd in rov. 12, laatste volzin. Die komt erop neer dat, zelfs als Trio in de brief van 16 september 2004 een voorbehoud ten aanzien van een vordering ex art. 7:681 zou hebben moeten lezen, er nog steeds niet voldaan zou zijn aan het ondubbelzinnigheidsvereiste: omdat, samengevat, in geval van een ontslag op grond van een dringende reden, de werknemer niet slechts een vordering tot schadevergoeding ex art. 7:681 BW zou kunnen hebben, maar ook vorderingen gebaseerd op schadeplichtigheid ex art. 7:677, lid 1 en/of lid 2 BW, alsmede een vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst, eventueel gecombineerd met een schadevergoeding in geld, wegens kennelijk onredelijke opzegging ex art. 7:682, lid 1 en lid 2 BW.

In rov. 13, tweede volzin, hanteert het hof dezelfde (spiegelbeeld-)redenering ten detrimente van [eiser]' laatstbedoelde vorderingen.

4.18. Aldus baseert het hof zijn oordeel nog steeds op (alleen) de inhoud van de brief van 16 september 2004, in die zin dat het hof hetgeen wél en niét in die brief staat vergelijkt met de bij het hof aanwezige kennis van het arbeidsrecht. Die kennis moge het hof sieren, maar dit is niet de toetsingsmaatstaf van art. 3:317, lid 1 BW.

De maatstaf is - nogmaals, nu tot de essentie teruggebracht - of de inhoud van de brief duidelijk genoeg was om Trio ermee rekening te laten houden dat zij zich alsnog tegen een door [eiser] in te stellen vordering zou dienen te verweren. Daarbij is niet de (naar gebleken is qua arbeidsrechtdeskundigheid tekortschietende, naar art. 6 BBA verwijzende) tekst van de brief doorslaggevend. Daarbij blijft doorslaggevend de betekenis die Trio redelijkerwijs aan die brief diende toe te kennen, in het licht van de Haviltex-maatstaf of een equivalent daarvan (vgl. nr. 4.5), en dus mede in het licht van verdere omstandigheden.

4.19. Onderdeel 1.2 klaagt terecht dat het hof bij zijn beoordeling geen (kenbaar) gewicht heeft toegekend aan de volgende door [eiser] gestelde omstandigheden(18):

(i) dat Trio als professionele WSW-organisatie ermee bekend was of moest zijn dat [eiser] zich niet met succes kon beroepen op vernietiging op grond van art. 6 BBA 1945,

(ii) dat [eiser] zich niettemin niet neerlegde bij zijn ontslag,

(iii) hetgeen Trio bekend was uit de brieven van 19 maart 2004 ([eiser]) resp. 25 maart 2004 (FNV).

4.20.1. Het behoeft geen betoog dat het hier gaat om essentiële stellingen in het kader van een Haxiltex(achtige) beoordeling aan de hand van de vaker genoemde maatstaf of de inhoud van de brief van 16 september 2004 duidelijk genoeg was om Trio ermee rekening te laten houden dat zij zich alsnog tegen een door [eiser] in te stellen vordering zou dienen te verweren en daartoe bewijsstukken e.d. te bewaren.

Daarbij verdient - allicht ten overvloede - nog de aandacht dat in het kader van de waarschuwingsfunctie van de mededeling ex art. 3:317, lid 1 BW, ceteris paribus duidelijkheid omtrent de naakte feitelijke oorzaak en duidelijkheid van het resultaat van de boodschap dienen te tellen, en dat dat niet geldt voor (precisie omtrent) de daartoe nader aan te voeren juridische grondslag. In het kader van (bijv.) een in ruzie geëindigd burenproject voor gemeenschappelijke hegverfraaiing, gaat het er in het kader van art. 3:317, lid 1 BW wél om dat een potentieel aangesproken buurman weet dat hij met het oog op een mogelijke rechtszaak de correspondentie, de offertes, de bonnetjes e.d. moet bewaren, misschien (nu) extra foto's moet maken, en bijv. nog een verklaring aan een stervensnabije andere buurman dient te ontlokken; maar niét of de stuitende buurman in die onverhoopte rechtszaak zijn vordering zal gaan baseren op overeenkomst en/of onrechtmatige daad en/of ongerechtvaardigde verrijking.(19)

4.20.2. In deze observatie voel ik mij gesterkt door een arrest van de Hoge Raad van 1998.(20) Het ging in zekere zin om het spiegelbeeld van de onderhavige zaak [eiser]/Trio. Heineken had P op staande voet ontslagen, en P had daartegen bezwaar gemaakt. De vraag rees of P met dat bezwaar ook (tijdig) de nietigheid van het ontslag volgens het BBA 1945 had ingeroepen. De kantonrechter oordeelde in bevestigende zin, de rechtbank ontkennend. De Hoge Raad overwoog:

'3.3 De Rechtbank heeft, in cassatie terecht niet bestreden, vooropgesteld dat aan het inroepen van de nietigheid geen vormvereisten zijn gesteld. Daaraan heeft de Rechtbank het volgende, kort samengevat, toegevoegd.

Deze (vorm)vrijheid laat onverlet dat aan de wederpartij binnen de gestelde termijn op ondubbelzinnige wijze kenbaar gemaakt moet worden dat (onvoorwaardelijk) een beroep op nietigheid wordt gedaan. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft P met zijn handelen, en in het bijzonder met de namens hem geschreven brieven niet de duidelijkheid als hiervoor bedoeld verschaft. P komt immers niet verder dan de aankondiging dat onderzocht zal worden of de nietigheid moet worden ingeroepen, dan wel dat de nietigheid zal worden ingeroepen indien niet aan zijn voorwaarden wordt voldaan. Aan de omstandigheid dat de brief van de FNV aan Heineken van 27 mei 1993 vergezeld ging van een (concept)dagvaarding kan in deze geen waarde worden toegekend, en aan Heineken is evenmin indirect, namelijk in standpunten ingenomen in de procedure voor de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening, duidelijkheid verschaft. [...]

3.4 Overwegende als hiervoor weergegeven heeft de Rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij haar beslissing ontoereikend gemotiveerd.

Niet vereist is dat het beroep op de nietigheid van het ontslag "op ondubbelzinnige wijze" of "met zoveel woorden" wordt gedaan. Voldoende is dat de werkgever de desbetreffende uitlatingen door of namens de werknemer redelijkerwijze in die zin heeft moeten opvatten dat daarin een beroep op nietigheid van het ontslag is gedaan. [...]

Zou de Rechtbank ondanks de door haar gebezigde bewoordingen bedoeld hebben de hiervoor juist bevonden maatstaf te hanteren, dan is haar beslissing onvoldoende gemotiveerd. In de brief van de Industriebond FNV aan Heineken van 10 december 1992 wordt aangevoerd dat "geen dringende reden aanwezig was", wordt verzocht "het ontslag ongedaan te maken", en wordt voorts vermeld dat P "zich voor werk te uwer beschikking (blijft) stellen". Zonder nadere motivering, welke evenwel ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom uit deze brief - mede in het licht van de daarop gevolgde namens P aan Heineken gezonden brieven en in het bijzonder de bij de brief van 27 mei 1993 gevoegde concept-dagvaarding, waarin P zich op het standpunt stelt dat hij voor zover nodig de nietigheid hierbij "nog eens" uitdrukkelijk inroept - niet redelijkerwijs zou moeten worden afgeleid dat daarin de nietigheid van het ontslag is ingeroepen. [...]

Het middel is derhalve gegrond.'

Ik onderken - en het kan de aandachtige lezer niet ontgaan zijn - dat de Hoge Raad in het citaat hierboven uit het arrest van 1998 overweegt dat het BBA 1945 niet vereist dat het beroep op de nietigheid van het ontslag 'op ondubbelzinnige wijze' wordt gedaan. Artikel 3:317, lid 1 BW spreekt wél over een 'ondubbelzinnig' voorbehoud. Tóch is er m.i. sprake van een richtinggevend spiegelbeeldprecedent. Immers, de ondubbelzinnigheidseis van art. 3:317, lid 1 BW is, als gebleken, door de Hoge Raad in essentie uitgelegd als een - naar Haviltex-maatstaven te beoordelen - voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar. In het arrest van 1998 is het criterium, in essentie, dat de schuldenaar/werkgever de uitlatingen redelijkerwijze in die zin heeft moeten opvatten dat daarin een beroep op [nietigheid van het ontslag] is gedaan.

Welnu, áls er tussen deze criteria al een verschil zou zijn, dan is het zó flinterdun dat het beter kan verdwijnen dan tot 'mandarijnenwetenschap' verheven worden.

4.21. Tegen deze achtergrond slaagt onderdeel 1.2. Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien het tot zijn oordeel is gekomen aan de hand van (slechts) de inhoud van de brief van 16 september 2004 (en de arbeidsrechtelijke kennis van het hof), zonder dat ingegaan behoefde te worden op de in het onderdeel bedoelde omstandigheden van het geval. De beoordeling of sprake is van een ondubbelzinnige mededeling dient immers mede in het licht van omstandigheden als boven (nr. 4.19) onder (i), (ii) en (iii) bedoeld te worden beoordeeld.

Indien het hof het vorenstaande niet miskend heeft, is zijn oordeel in rov. 12-14 onbegrijpelijk omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom Trio in de gegeven omstandigheden aan de brief van 16 september 2004 niet redelijkerwijs de betekenis had moeten toekennen dat [eiser] zich zijn recht op nakoming voorbehield.

Ik teken nog aan dat niet als genoegzame motivering kan gelden hetgeen het hof in rov. 14 overweegt over de (volgens het hof: non-)betekenis van de protestbrief van [eiser] en de brief van FNV d.d. 25 maart 2004. 's Hofs argument dat deze brieven van onwaarde zijn omdat 'zij niet binnen een termijn van zes maanden zijn gevolgd door een nieuwe stuitingshandeling, nu de meergenoemde brief van 16 september 2004 niet als een zodanige handeling kan worden beschouwd' gaat geheel heen langs de vraag naar hun betekenis als omstandigheid voor de beantwoording van de vraag of Trio in laatstbedoelde brief een voldoende duidelijke waarschuwing kon lezen.

4.22. Uitgaande van de gegrondheid van onderdeel 1.2, behoeft onderdeel 1.1 m.i. geen bespreking. Ten overvloede wil ik daarover nog het volgende opmerken.

Volgens onderdeel 1.1 is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting of heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven indien het in rov. 12 en 13 beslissend heeft geoordeeld dat de in de dagvaarding respectievelijk in de memorie van grieven neergelegde vorderingen en de grondslagen daarvoor niet 'op één lijn kunnen worden gesteld' met de vorderingen en de grondslagen daarvoor die waren neergelegd in de brief van 16 september 2004, omdat voor een ondubbelzinnige mededeling als bedoeld in art. 3:317, lid 1 BW dat criterium niet geldt.

4.23. Het criterium van vorderingen die 'op één lijn kunnen worden gesteld' - hierna kortheidshalve ook 'éénlijnsvorderingen' - is door de Hoge Raad ontwikkeld voor de vraag of onder vigeur van art. 3:316, lid 1 BW (instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging) een reeds ingestelde rechtsvordering de verjaring stuit van nadere (vermeerderde) vorderingen van dezelfde eiser tegen dezelfde gedaagde.(21) Het is een strikter criterium dan het boven besproken criterium van art. 3:317, lid 1 BW voor stuiting van vorderingen tot nakoming van een verbintenis. Toepassing ervan door het hof in de onderhavige zaak zou dus getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.

4.24. In rov. 13, eerste volzin, verwerpt het hof [eiser]' beroep op stuiting door de brief van 16 september 2004 via verwijzing (het hof schrijft: 'dan ook') naar de voorafgaande rov. 12. De klacht daartegen heb ik bij de beoordeling van onderdeel 1.2 al gegrond bevonden.

De merkwaardigheid doet zich voor dat die eerste volzin in rov. 13 eindigt met de toevoeging tussen haakjes: '(vergelijk ook HR 15-4-2005, NJ 2005, 484)'. Het gaat in dat arrest van de Hoge Raad, en daar wijst onderdeel 1.1 terecht op, om een art. 3:316-zaak(22), en juist niet om een art. 3:317-zaak.

Die verwijzing kan 's hofs oordeel in rov. 12 dus niet (mede) dragen of 'redden' (en hetzelfde geldt voor de houdbaarheid van de tweede volzin van rov. 13(23)).

Indien de verwijzing als (mede) dragend moet worden opgevat, slaagt de klacht; anders niet, en dan heeft [eiser] bij die klacht geen belang. Maar ik duidde al aan dat gegrondbevinding van onderdeel 1.2 het mogelijk maakt om deze kwestie in het midden te laten.(24)

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan rov. 1.1 t/m 1.6 van het vonnis in eerste aanleg en rov. 2 van het in cassatie bestreden arrest.

2 Hier wordt kennelijk het BBA bedoeld.

3 Dit blijkt niet uit het petitum, maar wel uit punt 17 van de inleidende dagvaarding.

4 Dit moet zijn 26 oktober 2004, zie ook rov. 3 van het in cassatie bestreden arrest.

5 Het arrest (LJN AZ0424) is gepubliceerd in JAR 2006/284.

6 's Hofs dictum spreekt van het vonnis van 25 juli 2005, dit moet zijn 21 juli 2005.

7 Arrest van 18 oktober 2006; de cassatiedagvaarding is op 17 januari 2007 uitgebracht.

8 Het - als ik goed zie - meest recente arrest in dezelfde zin is: HR 24 november 2006, nr. C05/159, LJN AZ0418, NJ 2006, 642 (Renooy/Noordhollandsche) (rov. 3.3). Vgl. ook HR 21 april 2006, nr. C04/282, LJN AV0625, NJ 2006, 270 (Staat/Geene), rov. 6.

9 Zie conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 1 december 2000, NJ 2001, 46 (Thomassen/Vos), onder 13, en conclusie A-G Bakels voor HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169, onder 2.3.

10 Vgl. in de eerder genoemde uitspraken de aangegeven rechtsoverwegingen: HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244, rov. 3.4 en 3.5; HR 1 december 2000, NJ 2001, 46, rov. 4.3 en 4.4; HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169, rov. 3.3; HR 4 juni 2004, NJ 2004, 603, rov. 3.4 en 3.5; HR 24 november 2006, NJ 2006, 642, rov. 3.3.

11 In die zin ook J.L. Smeehuijzen, WPNR 6666 (2006), p. 370 en Chr. H. van Dijk, AV&S, 2003/5, p. 154-155. Duidelijke tegengeluiden ben ik in de literatuur niet tegengekomen.

12 Óf de identificatie voor de schuldenaar voldoende duidelijk is, zal uiteraard (ook) Haviltex-gewijs beoordeeld moeten worden. Ik veronderstel overigens dat dit, in het normale geval dat partijen eerder gecorrespondeerd hebben over het onderwerp, voor de schuldeiser bijna altijd duidelijk zal zijn, zodat wat dit betreft in een latere brief een enkele korte aanduiding of verwijzing naar die eerdere correspondentie voldoende kan zijn.

13 Vgl. R.C.A. van 't Zelfde, Stuiting van verjaring ex artikel 3:317 lid 1 BW, Praktisch Procederen 2007/3, p. 85-86.

14 Met een beroep op dit (in JAR 2006/284 gepubliceerde) arrest wordt in T&C BW, 2007, boeken 5-8, in aant. 3 bij art. 7:683 (Luttmer-Kat) geschreven: 'De verjaring van een vordering wegens kennelijk onredelijke opzegging wordt niet gestuit door een beroep op vernietigbaarheid van een ontslag op staande voet'. Dit commentaar lijkt mij minst genomen voorbarig.

15 Zie hierboven nrs. 4.4-4.5.

16 Zie in deze conclusie nr. 2.5, A-G.

17 De 'BBA' respectievelijk 'BW'-vorderingen, A-G.

18 Dat dit door [eiser] gesteld is, volgt uit het arrest van het hof zelf. Zie de feitenvaststelling en zie ad (i) nog rov. 9 en rov. 12, tweede volzin.

19 Vgl. ook hierboven, nr. 4.6.

20 HR 17 april 1998, NJ 1998, 495 (P./Heineken).

21 Zo is van een nieuwe (niet gestuite) vordering geen sprake indien de bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingeleid: vgl. HR 23 mei 1997, NJ 1997, 531 en HR 19 februari 1999, NJ 2000, 328.

22 Blijkens dit arrest HR 15 april 2005, NJ 2005, 484 m.nt. GHvV (Eggenhuizen/Unidek) (rov. 3.6.2), kan de vordering in de kortgedingprocedure tot doorbetaling van loon en schadevergoeding op de voet van art. 7:680 BW voor de toepassing van art. 3:316 lid 1 BW niet worden aangemerkt als een vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag als bedoeld in art. 7:681 BW, zodat de verjaring van laatstbedoelde vordering niet was gestuit.

23 Zie hierboven nr. 4.17, tweede alinea.

24 Het vorenstaande geldt net zo voor de tweede alinea van rov. 13, waar eveneens het onjuiste 'éénlijnscriterium' wordt opgevoerd, maar welke alinea door het hof is ingeleid met de woorden: 'Daarbij komt dan nog ...'.