Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD1385

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
08/00656
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD1385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz; machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis, maximale geldigheidsduur twee jaren, daadwerkelijk verblijf gedurende vijf onafgebroken jaren (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 501
RvdW 2008, 656
JWB 2008/290
BJ 2008/47 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/00656

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 29 april 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

Officier van Justitie te Haarlem

In deze zaak is een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van twee jaren (art. 19 Wet Bopz). Het cassatiemiddel is gericht tegen de vaststelling dat het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van rechterlijke machtigingen zonder onderbreking ten minste vijf jaren heeft geduurd.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 25 oktober 2007, aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in het psychiatrisch ziekenhuis De Geestgronden te Bennebroek (art. 15 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift waren gevoegd een geneeskundige verklaring, een afschrift van het behandelingsplan en een bericht over de stand van uitvoering daarvan.

1.2. In rubriek 6.b van de geneeskundige verklaring d.d. 24 oktober 2007 heeft de geneesheer-directeur vermeld dat betrokkene sinds 2000 ononderbroken met een rechterlijke machtiging in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft. In de geneeskundige verklaring werd voorgesteld een machtiging voor de duur van twee jaren te verlenen(1).

1.3. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 26 november 2007, in tegenwoordigheid van betrokkene en zijn raadsman en de behandelend psychiater. Desgevraagd heeft de psychiater ter zitting verklaard dat een machtiging voor de duur van twee jaren nodig werd geacht om voor betrokkene een resocialisatieplan te realiseren(2). Door en namens betrokkene is bezwaar gemaakt tegen toewijzing van de verzochte machtiging en ook tegen de voorgestelde geldigheidsduur van twee jaren, die nodeloos lang werd geacht.

1.4. Bij beschikking van 26 november 2007 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van twee jaren. Na bespreking van de vraag of voldaan is aan de vereisten voor een machtiging tot voortgezet verblijf, overwoog de rechtbank met betrekking tot de geldigheidsduur:

"De rechtbank stelt vast dat het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van relevante rechterlijke machtigingen zonder onderbreking ten minste vijf jaar heeft geduurd. De rechtbank zal daarom de maatregel verlengen voor de duur van twee jaren. De rechtbank overweegt daarbij dat indien in de toekomst het beoogde resocialisatieplan vorm heeft gekregen en het geschetste gevaar op een andere wijze kan worden afgewend, de geneesheer-directeur kan bepalen of een voortgezet verblijf gedurende die twee jaren noodzakelijk is."

1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het middel bestrijdt niet het oordeel van de rechtbank dat aan de vereisten voor een machtiging tot voortgezet verblijf is voldaan. De klacht heeft uitsluitend betrekking op de geldigheidsduur van de verleende machtiging. De klacht houdt in dat een geldigheidsduur van twee jaren in strijd is met de wet, dan wel onbegrijpelijk is waarop de rechtbank de vaststelling baseert dat het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van relevante rechterlijke machtigingen zonder onderbreking ten minste vijf jaren heeft geduurd.

2.2. Op grond van art. 17 lid 3 Wet Bopz heeft een machtiging tot voortgezet verblijf een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar na haar dagtekening, onverminderd het bepaalde in de artikelen 48 en 49 Wet Bopz. Art. 19 Wet Bopz bepaalt evenwel dat, indien het verblijf van een persoon in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van rechterlijke machtigingen als bedoeld in de artikelen 2, 15 en 18 Wet Bopz zonder onderbreking ten minste vijf jaren heeft geduurd, een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaren. Uitgaande van de juistheid van de vaststelling van de rechtbank, faalt de rechtsklacht om deze reden.

2.3. De zaak HR 17 februari 2006, NJ 2006, 157 (BJ 2006, 8 m.nt. red.(3)) betrof een machtiging met een geldigheidsduur van twee jaren. Deze was verleend, hoewel het verweer was gevoerd dat de betrokken patiënt niet ten minste vijf jaren ononderbroken in een psychiatrisch ziekenhuis had verbleven op grond van rechterlijke machtigingen. Aan de betrokkene was voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verleend. In cassatie werd betoogd dat in dat geval geen machtiging voor twee jaren had mogen worden verleend. De Hoge Raad overwoog dat de ontstaansgeschiedenis van art. 19 Wet Bopz bevestigt dat, zoals ook in de formulering van de bepaling tot uitdrukking komt, voor de toepassing van dit artikel vereist is een daadwerkelijk verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis dat zonder onderbreking ten minste vijf jaren heeft geduurd.

2.4. Het middel doet een beroep op een aantal als bijlage bij het cassatierekest overgelegde bescheiden, waaruit zou moeten blijken dat betrokkene niet ononderbroken vijf jaar in een psychiatrisch ziekenhuis heeft verbleven. Volgens het cassatierekest zou aan betrokkene meermalen voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis zijn verleend. Het cassatierekest wijst in het bijzonder op:

- een met ingang van oktober 2000 verleend voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis, waarvan zou blijken uit een beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 16 januari 2001, uit een beschikking van de rechtbank te Haarlem van 10 januari 2002(4) en uit de brief van de behandelend psychiater d.d. 4 oktober 2007 aan de geneesheer-directeur met een overzicht van de psychiatrische voorgeschiedenis(5).

- een beschikking van de rechtbank te Haarlem van 19 december 2002, waaruit zou blijken dat betrokkene toen met voorwaardelijk ontslag was(6);

- de intrekking per 25 november 2003 van een aan betrokkene verleend voorwaardelijk ontslag, waarvan zou blijken uit een brief van de geneesheer-directeur aan betrokkene van 26 november 2003(7);

- een voorwaardelijk ontslag ingaande 23 december 2003, aangekondigd in een verklaring in een proces-verbaal van 22 december 2003 en waarvan zou blijken uit een brief van de geneesheer-directeur aan betrokkene van 23 december 2003(8);

- een voorwaardelijk ontslag ingaande 1 juli 2004, waarvan zou blijken uit een brief van de geneesheer-directeur aan betrokkene van 13 juli 2004(9).

2.5. Ten tijde van de thans bestreden beschikking verbleef betrokkene feitelijk in het psychiatrisch ziekenhuis(10). Tijdens de behandeling in eerste aanleg is weliswaar bezwaar gemaakt tegen een geldigheidsduur van twee jaren, maar is niet als verweer aangevoerd dat de vermelding in de geneeskundige verklaring, dat betrokkene al meer dan vijf jaren ononderbroken in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft, onjuist zou zijn. De desbetreffende vaststelling van de rechtbank is kennelijk gebaseerd op de geneeskundige verklaring en is in zoverre niet onbegrijpelijk. Van die vaststelling uitgaande, faalt ook de rechtsklacht.

2.6. De vraag is nu, of de vaststelling van de rechtbank - waarvan de feitelijke juistheid in een cassatieprocedure niet kan worden onderzocht - onbegrijpelijk is, mede beschouwd in het licht van de in het middel aangehaalde bescheiden.

2.7. Een cassatietechnisch probleem daarbij is, dat de als bijlagen bij het cassatierekest overgelegde bescheiden - voor zover te achterhalen(11) - niet alle behoren tot de stukken van het geding in eerste aanleg. Art. 419 lid 2 Rv, gelezen in verbinding met art. 429 lid 2 Rv, bepaalt dat de feitelijke grondslag van de middelen alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding. Aan de rechtbank kan in cassatie niet met vrucht worden verweten dat zij geen rekening heeft gehouden met feiten of bescheiden, die niet aan haar ter kennis zijn gebracht.

2.8. Een tweede voorvraag is, of de rechtbank de vrijheid had hiernaar onderzoek te doen. In beginsel zijn in procedures tot het verkrijgen van een Bopz-machtiging de bepalingen van de verzoekschriftprocedure in burgerlijke zaken van toepassing(12). De negende afdeling van de tweede titel van boek 1 Rv (bewijs) is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet (art. 284 lid 1 Rv). Zou art. 149 Rv van overeenkomstige toepassing zijn, dan zou de rechter feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, als vaststaand moeten beschouwen.

2.9. Bij de rechterlijke beoordeling van een verzoek tot verlening van een machtiging tot vrijheidsbeneming verzet m.i. de aard van de zaak zich ertegen, dat de rechter gebonden zou zijn aan het uitblijven van betwisting. De omstandigheid dat een patiënt, die wellicht niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, een door de verzoekende partij gesteld feit niet of niet voldoende heeft weersproken, dwingt de rechter niet om de juistheid van die stelling aan te nemen. Zo onderzoekt de rechter steeds - ook zonder dat daarvoor een betwisting nodig is - of sprake is van een stoornis van de geestvermogens die de betrokkene gevaar doet veroorzaken(13). Ik meen voor deze opvatting steun te vinden in art. 8 Wet Bopz, dat de rechter de bevoegdheid geeft inlichtingen bij derden in te winnen en ambtshalve onderzoek door deskundigen te bevelen(14). De voorvraag beantwoord ik aldus dat de rechtbank ook zonder een daartoe strekkend verweer mocht onderzoeken of de vermelding in de geneeskundige verklaring, dat betrokkene langer dan vijf jaren ononderbroken in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef, juist was(15).

2.10. Met betrekking tot het in cassatie gestelde voorwaardelijke ontslag in oktober 2000, dat in november 2001 zou zijn herroepen, en de daarop betrekking hebbende bescheiden, mist betrokkene elk belang bij de klacht. Zelfs als juist zou zijn dat betrokkene vóór 26 november 2002 ingevolge een voorwaardelijk ontslag feitelijk buiten het psychiatrisch ziekenhuis heeft verbleven, dan heeft de rechtbank nog steeds tot het oordeel kunnen komen dat betrokkene langer dan vijf jaren ononderbroken onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef.

2.11. Met betrekking tot de periode van vijf jaar tussen 26 november 2002 en 26 november 2007 bevatten sommige van de stukken die aan de rechtbank ter beschikking stonden(16), in het bijzonder de geneeskundige verklaring, aanknopingspunten voor het oordeel dat betrokkene langer dan vijf jaren ononderbroken in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef op grond van rechterlijke machtigingen, terwijl andere stukken juist aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis is onderbroken door ten minste één tijdvak waarin hij op grond van een voorwaardelijk verleend ontslag feitelijk buiten het ziekenhuis verbleef. De rechtbank heeft tot het eerstgenoemde oordeel besloten. Deze aan de feitenrechter voorbehouden vaststelling kan, zoals gezegd, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. De vaststelling is naar behoren gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat op dit punt geen verweer was gevoerd waarop de rechtbank kon responderen. De enkele omstandigheid dat op basis van de voorhanden stukken een ander oordeel van de feitenrechter mogelijk zou zijn geweest, maakt de bestreden beslissing nog niet onbegrijpelijk. De slotsom is dat het middel niet tot cassatie leidt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Een machtiging voor de duur van twee jaar was ook voorgesteld in het schrijven van de behandelend psychiater aan de geneesheer-directeur d.d. 4 oktober 2007, blz. 4. In het begeleidend schrijven van de geneesheer-directeur aan de OvJ d.d. 24 oktober 2007 heeft de Centrale cliëntenadministratie van het psychiatrisch ziekenhuis als datum van opname vermeld: 13 juli 2000.

2 Zie blz. 1 van de bestreden beschikking.

3 Zie ook De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. op art. 19 (W. Dijkers).

4 Cassatierekest blz. 1, 3 en 4, in verbinding met bijlagen 13 en 14 bij het cassatierekest. Afgaand op de door de rechtbank verstrekte inlichtingen, behoort de beschikking van 10 januari 2001 niet, doch de beschikking van 10 januari 2002 wel tot de bescheiden waarvan de rechtbank kennis heeft genomen.

5 Bijlage bij het inleidend verzoekschrift van de OvJ, blz. 2. Dit bescheid behoort in elk geval tot de gedingstukken, maar ik kan hier niet uit afleiden wat de steller van het middel hierin leest m.b.t. enig na 13 juli 2000 verleend voorwaardelijk ontslag.

6 Cassatierekest, blz. 3, in verbinding met bijlage 12 bij het cassatierekest. Afgaande op de door de rechtbank verstrekte inlichtingen, heeft de rechtbank van deze beschikking kennis genomen.

7 Bijlage 11 bij het cassatierekest. Deze brief is als bijlage gevoegd bij de stukken van een op 22 december 2003 verleende machtiging. Onduidelijk is gebleven of de rechtbank bij de behandeling van de onderhavige zaak van deze brief kennis heeft genomen. Ik wil veronderstellenderwijs aannemen dat dit is gebeurd: de brief is terug te vinden in het door de rechtbank aan de Hoge Raad ingestuurde copiedossier.

8 Cassatierekest blz. 2 - 3, in verbinding met bijlagen 10 en 9. Onduidelijk is of de rechtbank kennis heeft genomen van dit proces-verbaal. Ik wil veronderstellenderwijs aannemen dat dit is gebeurd: het is terug te vinden in het door de rechtbank aan de Hoge Raad ingezonden copiedossier. De brief van 23 december 2003 heb niet aangetroffen in het procesdossier en behoort m.i. niet tot de stukken van het geding.

9 Cassatierekest, blz. 2, in verbinding met bijlage 8. Deze brief heb ik niet aangetroffen in het procesdossier en behoort m.i. niet tot de stukken van het geding.

10 Dit is in cassatie geen punt van discussie.

11 De griffier van de Hoge Raad heeft, op mijn verzoek, op de voet van art. 34 lid 3 Rv het procesdossier bij de rechtbank opgevraagd. De van de rechtbank verkregen stukken zijn in kopie aan de advocaat van betrokkene toegezonden. De advocaat heeft hierop gereageerd bij brief van 8 april 2008. Naar aanleiding daarvan heb ik (op de voet van art. 83 jo. 120 RO) nadere inlichtingen bij de rechtbank gevraagd, waarop de rechtbank in een bericht van 16 april 2008 heeft geantwoord. Een afschrift hiervan is aan de advocaat van betrokkene verzonden.

12 Voorheen was dit bepaald in art. 78 (oud) Wet Bopz. Thans wordt het afgeleid uit art. 261 Rv.

13 Zie hierover ook: W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure, diss. 2003, blz. 318 en 323 - 325. Uitspraken zoals EHRM 5 oktober 2004, BJ 2005, 1 m.nt. L. Arends en EHRM 3 oktober 2006, BJ 2006, 46, wijzen eveneens in de richting van een actieve toetsing door de rechter.

14 Zie, meer in het algemeen, de noot van E.L. Schaafsma-Beversluis onder Rb Groningen 18 mei 2005, BJ 2005, 30, die onderscheid maakt tussen verschillende categorieën verzoekschriftprocedures.

15 Ik betrek daarbij dat de gedachte dat een patiënt voor de wet in een psychiatrisch ziekenhuis "verblijft", hoewel hij in feite op grond van een hem door de geneesheer-directeur verleend voorwaardelijk ontslag buiten het ziekenhuis verblijft, dateert uit de tijd waarin zgn. `paraplumachtigingen' nog werden aanvaard.

16 Zie daarover: alinea 2.7.