Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD0709

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
03168/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD0709
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuld ex. art. 6 WVW 1994. HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN AO5822. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte als bestuurder van een personenauto ’s nachts met een snelheid van 50 à 60 km/u rijdende over een buitenweg die niet van straatverlichting was voorzien, zonder snelheid te minderen is aangereden tegen het (gedeeltelijk op de rijbaan) zittende s.o. en nog ca. 280m is verder gereden, dat de door verdachte bestuurde auto dimlichten voerde en de koplampen een dusdanig licht uitstraalden dat er goed zicht was tot 15m en een redelijk zicht tot 25m voor het voertuig, en dat het ruim één uur na het ongeval bij verdachte uitgevoerde ademonderzoek als uitkomst opleverde 435 ugl. Het Hof heeft voor het bewijs van het zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden i.h.b. van belang geacht dat verdachte in het geheel niet heeft geremd en voorts dat verdachte (mede) onder invloed van alcohol met onverminderde snelheid met zijn auto tegen het s.o. is aangereden. Aldus heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de omstandigheid dat verdachte, (mede) onder invloed van alcohol in de mate als vastgesteld, het s.o. niet heeft opgemerkt en in het geheel niet heeft geremd, duidt op een zodanig onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat het s.o. zich zittend (gedeeltelijk) op de rijbaan bevond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 207
JWR 2008/44
JOL 2008, 363
NJ 2008, 439
RvdW 2008, 512
VR 2008, 84
NJB 2008, 1139
J. Silvis annotatie in VA 2009/24

Conclusie

Nr. 03168/07

Mr. Bleichrodt

Zitting 8 januari 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 24 mei 2006 de verdachte ter zake van 1. primair "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en de schuldige verkeerde in de toestand, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet" en 2. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" met toepassing van art. 55, eerste lid, Sr veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof aan de verdachte opgelegd een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Mr A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht, heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat schuld in de zin van culpa ontbreekt, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.2.1 Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezen verklaard dat:

"hij op 17 september 2005, in de gemeente Dalfsen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de parallelweg van de Hessenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, onvoorzichtig en onoplettend, op die weg te rijden, immers heeft verdachte toen en daar nadat hij kort tevoren een hoeveelheid alcoholische drank had genuttigd, niet geremd en is verdachte met dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) tegen een persoon ([slachtoffer]), die zich (gehurkt en/of op de knieën) in de berm en gedeeltelijk op de rijbaan van die weg bevond, aangereden waardoor die [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in art. 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994."

3.2.2 Die bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van verhoor mutatienummer PL04MI/05-116038 op 18 september 2005 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, werkzaam bij Politie Regio IJsselland, District Midden (dossierpagina 24 en 25 van het dossier met nummer PL04MI/05-504788), voor zover als verklaring van [getuige] - zakelijk weergegeven -, onder meer inhoudende:

"Afgelopen vrijdagavond (het hof begrijpt: 16 september 2005) omstreeks 20.45 uur ben ik samen met mijn vriend [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) naar het maisfeest aan de Hessenweg gegaan. Wij zijn daar tot ongeveer 01.50 uur gebleven. Vervolgens zijn wij op de fiets gestapt en via de parallelweg van de Hessenweg richting de woning van [slachtoffer] gefietst. Toen wij ongeveer 100 à 200 meter gefietst hadden zijn wij gestopt om een sigaretje te roken. Toen wij stopten legden wij onze fietsen in de rechter berm van de parallelweg. Vervolgens gingen wij op de grond zitten tussen de fietsen en de parallelweg. Ik weet zeker dat ik in het gras van de berm zat. Wij zaten beiden met ons gezicht richting weiland. Het kan wel zijn dat [slachtoffer] op zijn hurken zat. Hij zat in ieder geval met zijn voeten in de berm.

Terwijl wij aan het praten waren kon ik twee koplampen aan zien komen. Ik weet zeker dat ik op dat moment voor [slachtoffer] langs keek. Hij moet dus eigenlijk iets achter mij hebben gezeten. Enige tellen later, terwijl wij verder spraken, zag ik dat de koplampen (naar het hof begrijpt: van een auto) dichterbij kwamen en ineens zag ik dat deze over de parallelweg reed. Toen heb ik nog tegen [slachtoffer] gezegd dat we aan de kant moesten, omdat er een auto aan kwam. Terwijl ik dat zei was de klap er ook. [Slachtoffer] werd aangereden.

Ik heb direct gekeken waar [slachtoffer] was. Hij lag denk ik ongeveer op een afstand van 5 meter van de positie waar wij eerder zaten.

Hierna kwam op een gegeven moment [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) aan lopen. [Verdachte] kwam vanuit de richting Zwolle.

Ik heb nog weer aan [slachtoffer] gevoeld en hoorde toen vermoedelijk zijn laatste hap naar lucht. Daarna hoorde en voelde ik niets meer bij hem."

2. Het proces-verbaal van bevindingen mutatienummer PL04MI/05-116038 op 19 september 2005 op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, werkzaam bij Politie Regio IJsselland, District Midden (dossierpagina 20 en 21 van het dossier met nummer PL04MI/05-504788), voor zover als relaas van verbalisanten, althans van één hunner - zakelijk weergegeven -, onder meer inhoudende:

"Op zaterdag 17 september 2005, omstreeks 02.05 uur, kregen wij opdracht van de regionale meldkamer van de politie IJsselland te gaan naar de kruising van de Provinciale weg N340 en de Koesteeg te Dalfsen in verband met een aanrijding met letsel. Wij gingen vanuit Ommen direct ter plaatse. Even later kregen wij via dezelfde meldkamer te horen dat bedoelde aanrijding ter hoogte van bouwbedrijf [A] gelegen aan de Provinciale weg N340 was. Na enige tijd kwamen wij aan bij dit bouwbedrijf.

Op de rijbaan van de Hessenweg, zijnde een parallelweg van de provinciale weg, zagen wij in het schijnsel van onze zaklantaarns twee mannen staan, zijnde de ons bekende [verdachte] en [betrokkene]. Tevens zagen wij dat er een manspersoon op de grond lag, waarbij het bovenlichaam in de noordelijke berm lag van de Hessenweg en het onderlichaam op de rijbaan van de Hessenweg. Naast deze persoon lag een vrouw op haar knieën. Toen wij de op de grond liggende manspersoon beter bekeken, hadden wij sterk de indruk dat deze persoon was overleden. Dit werd even later door het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel bevestigd.

[Verdachte] vertelde ons toen dat hij met zijn personenauto een aanrijding had gehad. Hij wees vervolgens naar zijn personenauto, die een paar 100 meter verder stond in de richting van Zwolle. Wij namen waar dat de adem van [verdachte] rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Vervolgens is [verdachte] aangehouden.

[Verdachte] werd voor nader onderzoek geplaatst aan het buro van politie te Dalfsen. Tijdens het onderzoek aan het buro van politie te Dalfsen nam ik, verbalisant [verbalisant 2], waar dat tijdens de ademonderzoekprocedure betreffende verdachte [verdachte] het ademonderzoekresultaat 435 ug/l was."

3. Een schriftelijk stuk, te weten de (als bijlage bij het proces-verbaal met mutatienummer PL04MI/05-116057 op 19 september 2005 op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, werkzaam bij Politie Regio IJsselland, District Midden, gevoegde) afdruk van het door een ademanalyseapparaat uitgevoerde ademonderzoek (pagina 47 van het dossier met nummer PL04MI/05-504788), onder meer inhoudende:

Start datum & tijd: 17-09-2005, 03.15

VERDACHTE

Naam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum]-1984

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Ademonderzoekresultaat: 435 µg /l

4. Een schriftelijk stuk, te weten het op 17 september 2005 door M.A.J. van Keulen, lijkschouwer der gemeente Dalfsen, opgemaakt Verslag Gemeentelijk Lijkschouwer, onder meer inhoudende:

naam: [slachtoffer]

voornaam: [slachtoffer]

Lijkschouw conclusie: niet natuurlijke dood, aangereden door een auto;

doodsoorzaak: inwendig letsel buik.

5. Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse BPS-nummer 05-1160038 op 18 september 2005 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie, werkzaam bij Politie Regio IJsselland, Dienst Operationele Ondersteuning, afdeling Technische Verkeers Analyse, - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

"Op zaterdag 17 september 2005, omstreeks 02.55 uur, heb ik een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het plaatsgevonden verkeersongeval.

Bij dit ongeval was het volgende voertuig betrokken: personenauto, merk Opel, type Ascona.

Beknopte omschrijving van het ongeval:

Het verkeersongeval had plaats gevonden in de gemeente Dalfsen. De bestuurder van de Opel Ascona is na de aanrijding doorgereden. Zijn voertuig werd aangetroffen op een afstand van circa 280 meter vanaf de botsplaats.

Aan de rechterzijde van de Opel werd schade aangetroffen. Het slachtoffer werd aangetroffen liggend op zijn rug, deels op de rijbaan.

Tijdens de lijkschouw in het ziekenhuis was het uitwendige letsel van het slachtoffer zichtbaar. Dit letsel bestond onder andere uit een wond aan de rechter zijkant en bloedingen en kneuzingen aan de rechter zijkant. Tussen het bovenbeen en de ribben. De hoogte van dit letsel komt bij knielen dan wel gehurkt zitten overeen met de schade aan de voorzijde van de Opel.

Aan de hand van de schades en de aangetroffen sporen werd duidelijk hoe het ongeval had plaatsgevonden en hoe het voertuig in aanraking was gekomen met de voetganger. Hierbij bleek mij dat de bestuurder van de Opel had gereden over de noordelijke parallelweg van de Hessenweg, komende uit de richting Ommen en gaande in de richting Zwolle. Ongeveer 40 meter voorbij hectometerpaal 54,4 had het slachtoffer, samen met een vrouwelijk persoon, gehurkt, dan wel geknield op de rijbaan gezeten. Het slachtoffer had gezien de aangetroffen sporen op het wegdek, tussen 0,50 meter en 1,00 meter vanaf de rechterrijbaan gezeten. Het slachtoffer was ten gevolge van de aanrijding met de Opel ongeveer 6 meter verder, gezien in de richting Zwolle, ruggelings, deels op de rijbaan en deels op de inrit terechtgekomen.

Ten gevolge van deze aanrijding was de bovenste ophanging van het rechtervoorwiel van de personenauto afgebroken. Het rechtervoorwiel steunde op dat moment tegen de veerpoot. Zowel de band als de velg schuurden langs de veerpoot. Dit veroorzaakte een vertraging. Dit kan vergeleken worden met remmen. Ondanks deze vertraging was de bestuurder nog circa 280 meter verder gereden. Verder rijden was niet meer mogelijk."

6. Een schriftelijk stuk, te weten de door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, werkzaam bij Politie Regio IJsselland, District Midden, opgemaakt proces-verbaal (dossierpagina 17 en 18 van het dossier met nummer PL04MI/05-504788), onder meer inhoudende:

Wegverlichting: geen

7. Het proces-verbaal Reconstructie behorende bij BPS-nummer 05-1160038 op 29 oktober 2005 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beide brigadier van politie, werkzaam bij Politie Regio IJsselland, Dienst Operationele Ondersteuning, afdeling Technische Verkeers Analyse, - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

"Wij hebben een reconstructie gehouden met betrekking tot het zichtveld dat de bestuurder van de Opel Ascona had voor en op het moment van de dodelijke aanrijding.

De koplampen van dit voertuig straalden dusdanig licht uit dat er een goed zicht was tot 15 meter voor het voertuig en een redelijk zicht tot 25 meter voor het voertuig."

8. Het aanvullend proces-verbaal (behorend bij het onder 5. genoemde proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse BPS-nummer 05-1160038), op 8 november 2005 opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie, werkzaam bij Politie Regio IJsselland, Dienst Operationele Ondersteuning, afdeling Technische Verkeers Analyse, - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

"Naar aanleiding van uw verzoek verband houdende met het dodelijk verkeersongeval op 17 september 2005, bericht ik u het volgende.

Ter plaatse van het ongeval werden zowel voor als na het ongeval geen sporen aangetroffen die er op duidden dat er geremd was. Ook op de plaats waar het voertuig werd aangetroffen werden geen sporen aangetroffen die erop duidden dat er geremd was. Het remsysteem van het ongevalvoertuig was volledig in tact na de aanrijding."

9. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 december 2005, - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

"Vrijdag, 16 september 2005, was ik 's avonds op een schuurfeest in Dalfsen. Ik ben daar in mijn eigen auto naar toe gegaan. Ik heb op dat feest bier gedronken. 's Nachts wilde ik naar huis gaan. Ik ben in de auto gestapt. Ik reed met een snelheid van ongeveer 50 à 60 km/h op de parallelweg van de Hessenweg. Ik dacht dat ik over een hobbel reed. Omdat de auto hobbelde ben ik verderop gestopt. Toen ik uitstapte hoorde ik iemand gillen. Ik ben erheen gegaan en ik zag een jongen op de grond liggen en [getuige] zat ernaast. Toen had ik pas in de gaten dat ik die jongen, waarvan ik nu weet dat hij [slachtoffer] heet, had aangereden."

10. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 mei 2006, - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

"Ik voerde dimlicht die nacht. Er was geen straatverlichting, waardoor het erg donker op de weg was. Ik heb geen groot licht gebruikt. Ik heb niets en niemand op de weg gezien."

3.3 Het Hof heeft naar aanleiding van een gevoerd verweer overwogen en beslist:

"De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde onder meer betoogd dat bij verdachte geen sprake is van culpa, als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte het ongeval onmogelijk kon voorkomen. Het ongeval is niet veroorzaakt door het rijgedrag van verdachte, noch de toestand waarin hij verkeerde. Immers verdachte heeft geen andere verkeersfout gemaakt dan het rijden onder invloed, aangezien het niet tijdig remmen door verdachte het gevolg is geweest van een door de slachtoffer gemaakte verkeersfout waar verdachte geen rekening mee hoefde te houden. Het slachtoffer zat namelijk midden in de nacht op een volslagen donkere weg en reageerde totaal niet op de hem naderende, door verdachte bestuurde auto. Het alcoholgebruik van verdachte is weliswaar een factor die kan bijdragen tot het bewijs van culpa in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, maar kan dit bewijs niet zelfstandig dragen. Aldus - tot zover - de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat verdachte op 17 september 2005 omstreeks 02.00 uur in zijn auto op de parallelweg van de Hessenweg in de gemeente Dalfsen heeft gereden en aldaar zonder te remmen tegen de zich (gedeeltelijk) op de rijbaan van die parallelweg bevindende [slachtoffer] is aangereden, tengevolge waarvan deze is overleden.

Uit de uitslag van een ademonderzoek, dat ruim één uur na het ongeval is uitgevoerd, blijkt dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Het alcoholgehalte van zijn adem bleek bij dat onderzoek 435 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn.

Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van de Afdeling Technische VerkeersAnalyse van de regiopolitie IJsselland blijkt dat de parallelweg van de Hessenweg ter plaatse onverlicht was en dat de door verdachte bestuurde auto voorafgaand aan en ten tijde van het ongeval dimlicht voerde. Uit het proces-verbaal Reconstructie van diezelfde afdeling blijkt dat de koplampen van de auto waarin verdachte reed (Opel Ascona) een dusdanig licht uitstraalden dat er goed zicht was tot 15 meter voor het voertuig en een redelijk zicht tot 25 meter voor het voertuig.

Uit bovenstaande leidt het hof af dat de rijbaan ter plaatse in voldoende mate was te overzien. Daaruit volgt dat verdachte het slachtoffer had kunnen en had moeten opmerken en daarop had moeten anticiperen.

Dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden volgt uit het feit dat uit het ingestelde onderzoek ter plaatse niet is gebleken van enig remspoor. Ter zitting van het hof heeft verdachte ook erkend dat hij in het geheel niet heeft geremd, ook niet op het moment dat hij het latere slachtoffer op een zodanig korte afstand was genaderd, dat hij hem heeft moeten kunnen zien. Voorts blijkt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting dat verdachte (mede) onder invloed van de nodige alcohol met onverminderde snelheid met zijn auto tegen het slachtoffer is aangereden.

Het hof is derhalve van oordeel dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is geweest. Dit oordeel geldt temeer nu - daarnaar gevraagd - verdachte geen omstandigheden heeft aan kunnen voeren die hem disculperen, noch is daarvan op andere wijze gebleken.

Het door en namens verdachte aangevoerde, namelijk dat het slachtoffer op de rijbaan zat en niet reageerde op de hem naderende auto, staat niet aan 's hofs oordeel in de weg dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is geweest.

Aldus acht het hof het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen."

3.4 Het middel stelt onder meer dat uitdrukkelijk verweer is gevoerd dat het slachtoffer niet zichtbaar was, welk verweer niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is verworpen. De primaire klacht mist feitelijke grondslag nu het Hof heeft overwogen dat, rekening houdende met het licht dat de koplampen van de auto van verdachte verspreidden, verdachte [slachtoffer] op een bepaald moment had kunnen en moeten opmerken. Onbegrijpelijk is dit oordeel - waarbij het Hof zich beroept op een proces-verbaal van de Afdeling Technische Verkeersanalyse - niet, zodat ook de subsidiaire klacht faalt.

Ook de klacht dat het Hof het verweer onjuist heeft samengevat faalt mijns inziens bij gebrek aan feitelijke grondslag en in ieder geval bij gebrek aan belang. Het in de pleitnota vervatte verweer komt erop neer dat het slachtoffer geheel onzichtbaar was voor verdachte, zodat verdachte het ongeval onmogelijk had kunnen voorkomen, dat verdachte geen verkeersfout heeft gemaakt en dat daardoor slechts het rijden met een te hoog alcoholpromillage overbleef, maar dat dit gebruik hier niet relevant is geweest voor het verkeersongeval en in elk geval niet een voldoende basis is om culpa aan te nemen. Als het Hof dan kort gezegd overweegt dat die lezing impliceert dat het niet tijdig remmen door verdachte het gevolg is geweest van de verkeersfout van het slachtoffer (waarmee verdachte geen rekening hoefde te houden) lijkt dat mij niet onbegrijpelijk. Die fout zou er immers in hebben bestaan dat [slachtoffer] zich bij nacht op de rijbaan van een onverlichte buitenweg heeft bevonden (terwijl hij donkere kleding droeg), waardoor hij voor verdachte "onzichtbaar was". Het gaat om twee kanten van een en dezelfde medaille. Verder mist verdachte ieder belang bij deze klacht, omdat het Hof wel degelijk op de in het kader van het verweer geponeerde stellingen, zoals hiervoor samengevat, is ingegaan en deze heeft onderzocht. Dat het Hof tot andere conclusies is gekomen dan de raadsvrouw, is een andere zaak.

In de toelichting op het middel wordt miskend dat in cassatie niet als het ware de discussie over de feiten kan worden voortgezet en dat daar geen beroep kan worden gedaan op feiten die het Hof niet heeft vastgesteld en waarvan niet blijkt dat daarop door de verdediging een beroep is gedaan. Als voorbeeld van dat laatste noem ik de stelling dat de verdediging uitdrukkelijk zou hebben aangevoerd dat voorafgaand aan de reconstructie door de politie het glas van de koplamp door een nieuw glas moest worden vervangen en welke gevolgen dat zou hebben gehad voor de resultaten van die reconstructie.(1) Uit de pleitnota noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt echter dat daarop een beroep is gedaan. En uitsluitend die stukken zijn bepalend.

Verder berust het middel ten dele op een verkeerde lezing van het arrest. Ik kan daaruit in ieder geval niet afleiden, zoals in de toelichting op het middel onder 2.4 is gesteld, dat het Hof heeft aangenomen dat op de hoofdrijbaan van de Hessenweg een tegenligger aanwezig is geweest hetgeen een positieve invloed zou hebben gehad op de zichtbaarheid van [slachtoffer] en zijn vriendin. Het Hof heeft zich uitsluitend gebaseerd op wat de politie heeft geconstateerd over het bereik van de lichtbundels van de koplampen van verdachtes auto bij gebruik van groot, onderscheidenlijk gedimd licht.

Het middel zal echter wel aldus moeten worden opgevat dat het ook meer in het algemeen klaagt over de motivering van de bewezen verklaarde schuld (culpa) in de zin van art. 6 WVW 1994 van de verdachte aan het ongeval.

3.5 De vraag waar het om gaat is of mede in het licht van het gevoerde verweer de bewijsvoering aan de eisen voldoet. In cassatie kan daarbij slechts worden onderzocht of wat is bewezen verklaard uit de gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang gezien met wat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft overwogen, kan worden afgeleid. Anders gezegd, de vraag is of 's Hofs oordeel, in het bijzonder voor wat betreft de bewezenverklaarde schuld, nader omschreven als een als "zeer onvoorzichtig en onoplettend" aangemerkte deelname aan het verkeer, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.

Dat in deze zaak van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 kan worden gesproken ligt minst genomen niet direct voor de hand. Begrijpelijk is daarom dat de Advocaat-Generaal de tenlastelegging van feit 1 heeft aangevuld door daaraan subsidiair toe te voegen het verwijt dat art. 5 WVW 1994 zou zijn overtreden.

3.6 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juni 2004, NJ 2005, 252, op welk arrest de verdediging ook een beroep heeft gedaan, overwogen:

"In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, in het onderhavige geval de bewezenverklaarde aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin."

Onderstreept is dus dat bepalend is de in het licht van de omstandigheden te wegen ernst van het tekortschieten als verkeersdeelnemer en niet - dat is eigenlijk vanzelfsprekend - het enkele feit dat een verkeersfout heeft geleid tot ernstige gevolgen. Het moet gaan om ernstig onvoorzichtig of onoplettend gedrag. In het gemotoriseerde verkeer kunnen ook kleine fouten ernstige gevolgen hebben en het gaat niet aan degene die bijvoorbeeld in een hoogst onoverzichtelijke situatie een verkeerde beslissing neemt en een verkeersfout maakt (wat ook iedere zorgvuldige weggebruiker kan overkomen) te straffen voor het verkeersmisdrijf.

3.7 Zoals uit het hiervoor weergegevene volgt heeft het ongeval, dat een zo tragisch gevolg heeft gehad, plaatsgevonden bij duisternis op een 3.6 m brede buitenweg, die niet van openbare verlichting was voorzien. De verdachte heeft met een snelheid van 50 à 60 km/uur gereden.(2) In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat het slachtoffer [slachtoffer] donkere kleding droeg. Van cruciaal belang is waar [slachtoffer] zich bevond kort vóór en ten tijde van de botsing. Op dit punt is het arrest mijns inziens niet helemaal duidelijk. Enerzijds heeft [getuige] verklaard (bewijsmiddel 2) dat [slachtoffer], mogelijk op zijn hurken, maar in ieder geval met zijn voeten in de berm zat. Anderzijds houdt bewijsmiddel 5, het proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, als relaas van de verbalisant in dat, gezien de aangetroffen sporen, het slachtoffer tussen 0,50 meter en 1,00 meter van de berm gehurkt dan wel geknield op de rijbaan heeft gezeten. Die bewijsmiddelen lijken op dit punt moeilijk met elkaar te verenigen. In zijn bewijsoverweging merkt het Hof op dat verdachte tegen de "zich (gedeeltelijk) op de rijbaan van die parallelweg bevindende [slachtoffer] is aangereden", terwijl uit het slot van zijn overweging kan worden afgeleid dat het Hof ervan is uitgegaan dat [slachtoffer] op de rijbaan zat. Dat is ook het vertrekpunt van onderstaande beschouwing.

Opmerking verdient nog dat het Hof heeft vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat inhield dat de verdachte niet behoorlijk het verloop van de rijbaan heeft gevolgd. Er zal dus van moeten worden uitgegaan dat de verdachte, normaal de rijbaan volgend, in botsing is gekomen met de (gehurkt) zittende [slachtoffer], terwijl niet blijkt van een hoge snelheid.(3) Materieel gezien blijft over het bewezenverklaarde, op onvoldoende oplettendheid terug te voeren, verwijt van het niet (tijdig) remmen.

3.8 Buiten kijf staat mijns inziens dat de verdachte is geconfronteerd met een heel bijzondere situatie op de weg.

De verdediging heeft aangevoerd dat [slachtoffer] voor de verdachte niet zichtbaar was. Dat is een onhoudbare stelling, die het Hof dan ook heeft verworpen. Gegeven het feit dat het dimlicht van de auto brandde, zoals de verdachte heeft verklaard, volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat er over een afstand van 25 meter vóór de auto een redelijk zicht was en over een afstand van 15 meter goed zicht. Niet kan worden volgehouden dat de verdachte het slachtoffer in het geheel niet heeft kunnen zien. Op enig moment bestond de gelegenheid daartoe. De vraag is wel wat toen nog voor de verdachte mogelijk zou zijn geweest. Vast staat dat de verdachte [slachtoffer] niet heeft gezien en dan ook niet heeft geremd (of geprobeerd heeft bij te sturen).

Ik begrijp dat de raadsvrouwe van oordeel is dat iedere schuld aan de aanrijding bij verdachte ontbreekt, zodat ook een veroordeling voor een verkeersovertreding uitgesloten zou zijn. Dat waag ik te betwijfelen, maar dat punt kan in het midden blijven. Immers voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 is enige schuld niet voldoende.

De vraag waarvoor het Hof stond is of en in hoeverre verdachte, gelet op alle omstandigheden, waaronder het voorafgaande alcoholgebruik waaraan ik later aandacht zal besteden, zeer onoplettend en onvoorzichtig heeft gereden en aldus een verkeersgedrag heeft vertoond dat schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 - dus een grove of aanmerkelijke schuld - oplevert aan het verkeersongeval.

3.9 Volgens vaste rechtspraak hoeft een fout die door een medeweggebruiker is gemaakt op zichzelf niet in de weg te staan aan een veroordeling ter zake van art. 6 WVW 1994.(4) Tot op zekere hoogte moet men rekening houden met de fouten van anderen. In dit verband kan als voorbeeld worden gewezen op HR NJ 1973, 399, waarbij de Hoge Raad een veroordeling op grond van (toen) art. 36 WVW in stand liet van een automobilist die bij duisternis op een onverlichte weg buiten de bebouwde kom achterop tegen een bromfiets was gereden die geen achterlicht voerde. De Hoge Raad overwoog dat de ervaring leert dat er een niet te verwaarlozen kans bestaat dat op wegen die ook openstaan voor langzaam verkeer fietsers en bromfietsers zich voortbewegen die niet zijn voorzien van een behoorlijk werkend achterlicht. Daarop behoorde de automobilist bedacht te zijn. Hierbij moet wel worden aangetekend dat in die zaak de auto ongeveer 100 km/u reed op een slechts 5,8 m brede weg en dat die hoge snelheid in relatie tot het betrekkelijk geringe zicht bij dimlicht ook was tenlastegelegd en bewezen verklaard. Dat laatste is hier niet gebeurd en van een zo hoge snelheid blijkt ook niet.

Het voorgaande betekent vanzelfsprekend niet dat de omstandigheid dat de bestuurder door toedoen van anderen in een moeilijke situatie is gebracht, geen rol speelt bij de beantwoording van de vraag of hij schuld heeft. Het verkeersgedrag van een ander kan ongetwijfeld een van de omstandigheden zijn waarop HR NJ 2005, 252 het oog heeft. Vellinga spreekt in dit verband over de situatie waarin de onvoorzichtigheid van de dader is beïnvloed door de daaraan voorafgaande onvoorzichtigheid van een ander.

3.10 In de termen van het zojuist genoemde arrest uit 1973 kan niet worden gezegd dat de ervaring leert dat er een niet te verwaarlozen kans bestaat dat 's nacht op een onverlichte weg buiten de bebouwde kom een persoon zittend op de rijbaan wordt aangetroffen. Verdachte behoefde daarop dan ook niet bedacht te zijn. Daarbij komt dat de waarneming van een persoon in donkere kleding die op het wegdek zit, allicht moeilijker zal zijn dan die van een zich op normale wijze voortbewegende, zij het niet van verlichting voorziene, fietser of voetganger. De verdachte heeft inderdaad niet op die situatie gereageerd. Dat is een tekortkoming, maar daarmee is nog niet gezegd dat sprake is van grove schuld.

Even aannemende dat de verdachte het slachtoffer redelijkerwijze op 25 m had kunnen en moeten zien, moet worden bedacht dat bij de door hem aangehouden snelheid per seconde ongeveer 14 meter (bij 50 km/u) dan wel bijna 17 meter (bij 60 km/u) wordt afgelegd. Voor de reactietijd wordt in het algemeen gerekend met 1 seconde. Dat betekent dat als verdachte het slachtoffer op 25 m had waargenomen en zo snel mogelijk was gaan remmen - het nalaten daarvan wordt hem verweten - er voor de remweg nog maar 11, respectievelijk 8 meter "over zou zijn geweest". De vraag is of het ongeval ook dan niet zou hebben plaatsgevonden.

Maar afgezien daarvan, uit het voorgaande volgt in ieder geval dat al een betrekkelijk kortdurende onoplettendheid - ten aanzien van wat laag op het wegdek zichtbaar was doch daar redelijkerwijs niet te verwachten was - tot het ongeval heeft kunnen leiden.

Zoals eerder opgemerkt, verder blijkt niet van bijzonder, afwijkend, verkeersgedrag.

3.11 Wel was hier sprake van voorafgaand alcoholgebruik. Die omstandigheid kan meewerken tot het bewijs van schuld. Als sprake is van het rijden onder zodanige invloed dat men niet meer tot behoorlijk besturen in staat is, is dat evident.(5) In een zodanige staat deelnemen aan het verkeer behoort te worden vermeden, net zoals men ook niet met een auto met technische gebreken of beslagen ruiten de weg moet opgaan. Toch zal ook dan mijns inziens dat alcoholgebruik een rol moeten hebben gespeeld bij het ontstaan van het ongeval, al zal die rol snel kunnen worden verondersteld, al was het maar omdat de bestuurder die in die staat verkeert, gelet op wat ervaringsregels leren, geacht kan worden niet voldoende alert te zijn noch voldoende in staat te zijn om tijdig en adequaat te reageren op bepaalde situaties in het verkeer.

In concreto zal echter toch sprake moeten zijn van een verkeersfout. Die kan bijvoorbeeld daaruit hebben bestaan dat de bestuurder in een bepaalde verkeerssituatie niet tijdig en adequaat zijn gedrag heeft aangepast aan kenbare nieuwe feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat de bestuurder onder invloed verkeerde toen hij bij een verkeersongeval met ernstige gevolgen betrokken raakte, is vanzelfsprekend niet voldoende. Het kan immers zijn dat juist een andere bestuurder grof onvoorzichtig heeft gereden zodat het ongeval aan dat rijgedrag moet worden toegeschreven.

Anders gezegd: de (mate van) schuld kan mede worden bepaald door het onder invloed rijden, maar voorop staat naar mijn mening toch het verkeersgedrag in de concrete situatie. Dat gedrag kan op zijn beurt uiteraard wel in negatieve zin zijn beïnvloed door de omstandigheid dat de bestuurder in een staat verkeerde waarin hij niet geacht kon worden in staat te zijn het voertuig naar behoren te besturen.(6)

3.12 In deze zaak houden de bewijsmiddelen niet in dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat was.(7) Er is een AAG van 435 mg/l gemeten. Dat is te veel en onder 2 is dan ook overtreding van art. 8, tweede lid onder a WVW 1994 tenlastegelegd.(8)

Maar niet blijkt dat het alcoholgebruik in de concrete omstandigheden van dit geval enige relevante rol heeft gespeeld bij het ongeval; in feite voegt het in zoverre niets toe. Gelet op wat hiervoor onder 3.10 is opgemerkt lijkt het mij toe dat een bestuurder die niet had gedronken, even gemakkelijk hetzelfde zou hebben kunnen overkomen. Dan zou, althans naar mijn mening, die bestuurder nog wel enige fout kunnen worden verweten, maar in ieder geval geen grove schuld. Het gaat te ver om die schuld in dit geval dan wel aan te nemen uitsluitend omdat ook sprake was van het alcoholgebruik dat hier is geconstateerd.

3.13 In de tenlastelegging is het begrip "schuld" kennelijk in overeenkomstige zin gebruikt als in art. 6 WVW 1994 en wordt verder gesproken van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden, zoals ook bewezen is verklaard. Niet duidelijk is of het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over genoemd begrip. Ik meen echter dat gelet op het voorgaande in ieder geval uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat sprake is van een aan verdachtes schuld in voormelde zin te wijten verkeersongeval. Voor zover het middel daarover klaagt, is het dus terecht voorgesteld. Dat brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing of terugwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Overigens, de nadruk die nu gelegd wordt op de gebrekkige verlichting, kan ook in het nadeel van de verdachte werken. Want het rijden met een auto met een verlichting die niet aan de eisen voldoet, op een onverlichte buitenweg en met een snelheid van 50 of 60 km/u kan als onvoorzichtig worden aangemerkt en kan in beginsel meewerken aan het bewijs van culpa. Dit is echter niet tenlastegelegd. Verder blijkt bij een blik achter de papieren muur dat de politie óók heeft gerelateerd dat het voertuig aan de geldende technische eisen voldeed.

2 Verdachte was nog maar 365 meter verwijderd van de plaats waarvandaan hij was vertrokken. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 60 km/u, zoals volgt uit het proces-verbaal van politie.

3 Het politie-pv houdt ook in dat in de berm van de weg geen sporen zijn aangetroffen.

4 Zie Vellinga, Gevaar en schuld op de weg, blz. 136 e.v.

5 Dat deed zich bijvoorbeeld voor in HR 14 april 1998, nr. 106.979, VR 1998, 152 m.nt. Si. Het betrof een botsing met een voetganger, overigens onder aanzienlijk bezwarender omstandigheden dan in deze zaak.

6 In deze zin ook Vellinga, a.w. blz. 179, 180 die spreekt over de mate van schuld die groter kan worden wanneer degene die door zijn onvoorzichtigheid het ongeval heeft veroorzaakt, ten tijde van het ongeval onder invloed verkeerde. Een voorbeeld levert HR 8 maart 1977, NJ 1978, 103 op: voorop wordt gesteld een (aanzienlijke) beoordelingsfout; tot het bewijs kon verder meewerken het op grond van alcoholgebruik niet in staat zijn een motorrijtuig behoorlijk te besturen.

7 Een blik achter de papieren muur leert dat bij de verdachte behalve een naar alcohol riekende adem geen andere bijzondere verschijnselen zijn geconstateerd.

8 Zoals het alcoholgebruik bij feit 1 ook nog als een strafverzwarende omstandigheid is tenlastegelegd.