Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD0686

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
C07/019HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD0686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil over misgelopen prijzengeld bij deelneming aan televisiequiz. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 471
RvdW 2008, 627
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr C07/019HR

mr. J. Spier

Zitting 25 april 2008

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

ENDEMOL NEDERLAND B.V.

(hierna: Endemol)

1. Vaststaande feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van feiten zoals weergegeven door de Rechtbank Amsterdam in rov. 1 onder 1a tot en met 1i, met uitzondering van 1b en 1h van haar vonnis van 6 april 2005. Ook het Hof is daarvan blijkens rov. 2 van zijn arrest uitgegaan.

1.2 [Eiser] heeft op 4 september 2000 deelgenomen aan het spelprogramma Lotto Weekend Miljonairs (hierna: Lotto of quiz). Dit programma is op 7 september 2000 door SBS6 op televisie uitgezonden. Lotto is een televisiequiz waarbij de deelnemer (maximaal 15) multiple choice vragen moet beantwoorden en daarmee de mogelijkheid heeft een bedrag van één miljoen gulden te winnen. Endemol is de producent van deze televisiequiz; Robert ten Brink de presentator.

1.3 De deelname aan dit spel wordt voorafgegaan door een voorselectie. In dit kader heeft een medewerkster van Endemol op 24 juli 2000 aan [eiser] telefonisch vijf vragen ter beantwoording voorgelegd. Eén van deze vragen was: 'Waar werden in 1912 de Olympische Spelen gehouden, waar vrouwen voor het eerst meededen?'. [Eiser] heeft daarop geantwoord: Stockholm. In 1912 werden in Stockholm Olympische spelen gehouden.

1.4 Tijdens de televisiequiz op 4 september 2000 heeft [eiser] de volgende vraag gekregen: 'Wanneer mochten vrouwen voor het eerst meedoen aan de Olympische Spelen?'(1) Hem zijn daarbij de volgende keuzeantwoorden gegeven:

A. Tokio 1966;

B. Londen 1948;

C. Stockholm 1912;

D. Parijs 1900.

1.5 Het prijzengeld van [eiser] stond op dat moment op fl. 125.000; hij speelde voor een bedrag van fl. 250.000. Hij had nog één "hulplijn" over, dat wil zeggen nog één mogelijkheid een bekende te raadplegen over het antwoord op de vraag.

1.6 Voordat [eiser] zijn antwoord heeft gegeven, heeft zich het volgende gesprek tussen hem en presentator ontsponnen. (R. is Robert ten Brink, S. is [eiser]):

"R:...

Wanneer mochten vrouwen voor het eerst meedoen aan de Olympische Spelen?

In Tokio 1966, in Londen 1948, in Stockholm 1912 of in Parijs 1900.

S: Beetje lastige vraag.....

(...)

S: Het klinkt een beetje arrogant, maar ik heb daar laatst over gesproken met een Française en die vertelde dat het antwoord dat ik zou willen geven eigenlijk niet helemaal correct was.

R: Hoe bedoel je dat, wat vertelde ze?

S: Dat de eerste Olympische Spelen volgens haar, en daar heeft haar moeder aan meegedaan, in Amsterdam 1928 waren, waar vrouwen mee mochten doen, maar dat er wel in Stockholm 1912, parallel aan de Olympische Spelen, wereldspelen waren voor vrouwen die een beetje beschouwd werden als de eerste Olympische Spelen waar vrouwen aan meededen. Maar strikt genomen volgens haar verhaal staat het goede antwoord hier niet bij. (..)

S: Dus, wat dat betreft, kijk het was natuurlijk ver voor Londen, dat spreekt voor zich. In Parijs waren ze nog niet, dus uit deze mogelijkheden kies ik voor antwoord C, Stockholm 1912.

R: Maar in dit geval is jouw zeg maar zwevende hulplijn (...) die Francaise, die jij toen gesproken hebt; die vertrouw jij blind begrijp ik.

S: Nee, want ik heb het er met haar over gehad en volgens haar, ik vertrouw haar niet blind, maar haar interpretatie was dus dat dat geen officiële Olympische Spelen voor vrouwen waren, dat dat pas later echt officieel was. (...)

S: ... Ja, dat ik geen enkel antwoord zou kunnen geven, want dat zou Amsterdam 1928 zijn en die staat er niet bij. Dus je hebt het me makkelijk gemaakt want als Amsterdam 1928 erbij stond, dan was het even twijfelen geweest. Maar nu kan het alleen maar Stockholm 1912 zijn. Dus daar speel ik voor. Ik speel voor C. Stockholm 1912.

(... lange stilte...)

R: Dat weet jij heel zeker?

S: Wel dat ik ervoor speel, dat weet ik heel zeker. Dus ik speel voor Stockholm 1912.

R: Het gaat om 250.000 gulden, je hebt op dit moment 125.000. Als het antwoord wat jij geeft fout is, dat realiseer je je, je bent bij je volle verstand, dan scheelt dat 93.000 gulden op dit moment.

S: Ja, dat klopt.

R: Je hebt nog één hulplijn.

S: Nee, die gebruik ik hier niet voor. Nee, dan krijg je dezelfde discussie als nu met jou.

R: Dan krijg je weer dat gezeur aan de telefoon.

S: Nee, wat dit betreft kan ik hier beter zelf het antwoord op geven en dat heb ik al gedaan.

R: OK, je speelt.

S: Ja.

R: Voor....

S: C. Stockholm 1912.

R: C. Stockholm 1912, we vullen het in. Als dit antwoord goed is, dan heb jij 250.000 gulden. Als het fout is, ga jij nu weg met 32 mille, een hele stapel duizendjes.

1.7 [Eiser] heeft (dus) geantwoord: Stockholm 1912. Dit antwoord is fout gerekend. Het spel was daarmee afgelopen. Het prijzengeld van [eiser] is conform de spelregels teruggevallen tot fl 32.000, welk bedrag hij heeft ontvangen.

1.8 Vóór zijn deelname aan het programma heeft [eiser] kennis genomen van de door Endemol gehanteerde schriftelijke regels en procedures voor deelname aan de quiz. Tevens heeft [eiser] voorafgaande aan de quiz een Kandidatenverklaring ondertekend. Art. 4 van daarvan luidt:

'Binnen het kader van het televisieprogramma zal de kandidaat zich neerleggen bij iedere beslissing van de producent of zijn vervanger en deze beslissingen naleven.'

2. Procesverloop

2.1 Bij exploot van 1 augustus 2002 heeft [eiser] Endemol doen dagvaarden voor de Rechtbank Amsterdam. [eiser] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat Endemol aansprakelijk is voor de door hem geleden schade, zulks met nevenvorderingen. Naast de onder 1 feiten is weergegeven, heeft [eiser] - in de weergave van de Rechtbank(2) - aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Endemol onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld door hem in het voortraject een foutief geformuleerde vraag te stellen, hem daarna in de finaleronde een soortgelijke vraag te stellen en vervolgens het antwoord dat hem door de vraag in de voorselectie in de mond is gelegd in de finale niet goed te rekenen. Hij zou door de vraag in de voorselectie op het verkeerde been zijn gezet met als gevolg dat hij niet heeft gepast en geen gebruik heeft gemaakt van zijn "hulplijn", terwijl hem de reële mogelijkheid is ontnomen om via fl 250.000 en fl 500.000 op te klimmen naar fl 1.000.000. Endemol is voorts ten opzichte van hem toerekenbaar tekort geschoten omdat zij op basis van de overeenkomst tussen hen gehouden was vragen te stellen die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn.

2.2 Endemol heeft ter afwering van de vordering aangevoerd dat zij bij het opstellen van de vragen en antwoorden de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen, onder meer door twee afzonderlijke, van elkaar gescheiden, redacties te hanteren voor de selectievragen en voor de finalespelvragen alsmede door het raadplegen van (ten minste) twee erkende bronnen. De omstandigheid dat [eiser] in de voorronde en in het finalespel een vergelijkbare vraag voorgelegd heeft gekregen, berust op ongelukkig toeval. Het achteraf onjuist blijken van geraadpleegde bronnen kan niet aan Endemol worden toegerekend. Voor zover [eiser] zich beroept op wanprestatie betwist Endemol dat sprake is van een overeenkomst en voor zover die wel moet worden aangenomen, ziet deze uitsluitend op de finaleshow. Endemol betwist voorts dat zij hierin is tekortgeschoten. Zij beroept zich nog op de door [eiser] ondertekende kandidatenverklaring hiervoor geciteerd onder 1.8. Dat [eiser] de vraag in de finaleronde foutief heeft beantwoord, is uitsluitend aan zichzelf te wijten. Zij heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd die thans geen rol meer speelt.

2.3 [eiser] heeft de reconventionele vordering bestreden.

2.4 De Rechtbank heeft, in haar vonnis van 6 april 2005, de vorderingen over en weer afgewezen. Zij oordeelt - samengevat - dat de omstandigheid dat [eiser] in de voorselectie en in de finale twee vergelijkbare vragen zijn voorgelegd, moet worden beschouwd als een ongelukkig toeval. Al wekte de vraag uit de voorselectie de suggestie dat vrouwen tijdens de Olympische Spelen van Stockholm in 1912 voor het eerst konden deelnemen, dat maakt Endemol nog niet schadeplichtig. Het is Endemol immers niet toe te rekenen dat [eiser] het antwoord Stockholm 1912 heeft gegeven. [Eiser] heeft, hoewel hij geen zekerheid had over het juiste antwoord op de vraag uit de voorronde, nagelaten op dit punt nader onderzoek te verrichten. Het desondanks spelen zonder hulplijn in te roepen, behoort volledig voor zijn eigen risico te blijven. [Eiser] heeft bij het beantwoorden van de vraag in de finale bovendien niet kenbaar gemaakt dat hij zijn antwoord baseerde op een vraag die hem tijdens het voortraject was gesteld, zodat Endemol geen rekening behoefde te houden met een andere motivering dan door [eiser] tijdens het televisieprogramma geschetst (rov. 6 en 7).

2.5 [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld dat door Endemol is bestreden.

2.6 Het Hof heeft, bij arrest van 21 september 2006, het bestreden vonnis bekrachtigd, daartoe onder meer overwegend:

"3.4 De tweede grief strekt ten betoge dat de rechtbank in rechtsoverweging 1.h ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat "Parijs 1900" het goede antwoord zou zijn geweest op de quizvraag. De grief faalt in die zin dat de rechtbank met de bestreden vaststelling kennelijk slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat het antwoord "Parijs 1900" goed zou zijn gerekend, welke vaststelling juist is. De rechtbank heeft geen eigen oordeel gegeven over de vraag welk antwoord op de quizvraag juist is. Voor zover de grief inhoudt dat de rechtbank dat laatste wel had moeten doen faalt de grief. Gelet op hetgeen hierboven onder 3.1.3 geciteerde deel van de door [eiser] ondertekende verklaring kan de burgerlijke rechter niet treden in de vraag of het antwoord "Parijs 1900" door Endemol terecht is aangemerkt als het (enig) juiste antwoord op de quizvraag. Dat laatste is mogelijk anders indien er geen twijfel mogelijk is over de onjuistheid van het antwoord "Parijs 1900". Dat is echter, ook volgens de stellingen van [eiser], niet het geval. De [lees:] tweede grief faalt daarom.

3.5 Evenzo staat de enkele omstandigheid dat er, zoals [eiser] in de zesde grief bepleit, enige argumenten zijn voor de juistheid van het antwoord "Stockholm 1912" op de quizvraag er niet aan in de weg dat [eiser] gebonden is aan de beslissing van Endemol dit antwoord fout te rekenen. De zesde grief faalt dus ook.

3.6 Met de derde grief bestrijdt [eiser] het oordeel van de rechtbank dat het samenstel van feiten waarop [eiser] zijn vordering baseert moet worden aangemerkt als een ongelukkig toeval en dat Endemol niet schadeplichtig is jegens [eiser]. Bij de beoordeling van deze grief is van belang op welke wijze de selectievraag en de quizvraag tot stand zijn gekomen. Dienaangaande staat het volgende vast:

a) de selectievragen enerzijds en de quizvragen anderzijds worden gemaakt door twee afzonderlijke redacties, de kandidatenredactie, respectievelijk de spelredactie. De kandidatenredactie heeft geen toegang tot de quizvragen en de spelredactie is niet op de hoogte van de selectievragen. Deze opzet is gekozen teneinde het aantal personen dat toegang heeft tot de quizvragen zoveel mogelijk te beperken.

b) De litigieuze selectievraag is door de kandidatenredactie ontleend aan twee bronnen die vermelden dat vrouwen voor het eerst in 1912 aan de Olympische Spelen deelnamen.

c) De quizvraag is door de spelredactie gebaseerd op andere bronnen die inhouden dat vrouwen voor het eerst deelnamen aan de Olympische Spelen in Parijs 1900.

De hierboven beschreven wijze waarop de selectievraag en de quizvraag tot stand zijn gekomen is niet onzorgvuldig en berust mede op het gerechtvaardigde belang de quizvragen zoveel mogelijk geheim te houden. Weliswaar is in de door Endemol gekozen opzet niet uitgesloten dat de beide redacties onafhankelijk van elkaar een vergelijkbare vraag formuleren, terwijl de selectievraag andere informatie bevat dan die bij beantwoording van de quizvraag voor juist wordt gehouden en dat als gevolg daarvan de deelnemer bij beantwoording van de quizvraag op het verkeerde been kan worden gezet, maar dat brengt niet mee dat Endemol onzorgvuldig jegens [eiser] heeft gehandeld. Gelet op de zeer geringe kans dat deze samenloop van omstandigheden zich voordoet was Endemol jegens [eiser] niet verplicht die mogelijkheid uit te sluiten. Endemol behoefde op deze mogelijkheid niet bedacht te zijn en was, ook als zij zich die mogelijkheid had gerealiseerd, jegens [eiser] niet gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming daarvan.

De vordering van [eiser] berust aldus op zorgvuldigheidseisen die aan een televisiequiz niet gesteld kunnen worden, mede gelet op de aard van het mogelijke nadeel verbonden aan de bedoelde samenloop van omstandigheden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat slechts sprake was van een ongelukkig toeval en dat Endemol geen norm heeft geschonden die zij jegens [eiser] in acht diende te nemen."

2.7 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Endemol heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Endemol heeft nog gedupliceerd.

3. Inleiding

3.1 Deze kleurrijke zaak draait om de in de quiz gestelde vraag: "Wanneer mochten vrouwen voor het eerst meedoen aan de Olympische spelen" (zie onder 1.4)?

3.2.1 Rechtbank en Hof hebben in het midden gelaten wanneer zulks het geval was. [Eiser]s vordering steunt onder meer op de stelling dat ten minste verdedigbaar is dat het antwoord Stockholm 1912 juist is.

3.2.2 In het licht van zijn eigen stellingen lijkt dit onhoudbaar. Bij repliek in conventie onder 9 en 13 heeft [eiser] aangevoerd dat vrouwen aan de Olympische spelen in 1900 hebben meegedaan (onderstreping van [eiser]). Daarmee is onverenigbaar zijn bewering dat zij voor het eerst in 1912 zouden hebben meegedaan. Het ligt buitengewoon weinig voor de hand dat vrouwen in 1900 wél meededen, maar dat zij dit niet mochten. [Eiser] heeft dat ook niet gesteld, laat staan te bewijzen aangeboden. Dat vrouwen mogelijkerwijs al vóór 1900 mochten meedoen, zoals de toelichting op grief 2 onder 15 oppert, moge juist zijn, het illustreert eens te meer dat het door [eiser] gegeven antwoord 1912 - naar in cassatie moet worden aangenomen - onjuist is.(3)

3.2.3 Bovendien blijkt uit de onder 1.6 geciteerde - door [eiser] niet bestreden - discussie tijdens de quiz dat [eiser] twijfel had over de juistheid van het antwoord Stockholm 1912.

3.3 [Eiser] heeft niet gesteld dat hem bij de voorronde is meegedeeld dat het door hem toen gegeven antwoord juist was. In de mvg onder 24 blijft hij steken in de stelling dat "Endemol, gelet op de vraag in de voorronde, kennelijk het antwoord "Stockholm 1912" als juiste antwoord beschouwde."(4) Laat staan dat hij te bewijzen heeft aangeboden dat hem is meegedeeld dat het in de voorronde gegeven antwoord juist was.

3.4.1 Nu op grond van [eiser]s eigen stellingen in cassatie redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het door hem in de quiz gegeven antwoord onjuist was, terwijl niet is komen vast te staan (en trouwens ook niet te bewijzen is aangeboden) dat hij door uitlatingen van Endemol op het verkeerde been is gezet, is de vordering hoe dan ook tot mislukken gedoemd.

3.4.2 De enkele omstandigheid dat [eiser], zoals hij stelt, heeft gedacht dat Endemol het in de voorronde gegeven antwoord had goedgerekend, is onvoldoende om de vordering te kunnen schragen. Immers heeft [eiser] niet aangegeven dat en waarom hij zulks, naar Endemol heeft begrepen of moeten begrijpen, heeft mogen denken.

3.4.3 In een setting als de onderhavige, waarin het spelelement overheerst en waarin deelnemers voor een minimale tegenprestatie (de moeite van een reis en de aanwezigheid bij de quiz) aanzienlijke geldbedragen in de wacht kunnen slepen, stelt [eiser] volstrekt overspannen eisen aan de door de organisator ervan te betrachten zorgvuldigheid.

3.5 Zelfs wanneer zou moeten worden aangenomen dat de gestelde vraag onduidelijk was, blijft overeind dat in elk geval [eiser]s antwoord - naar in cassatie moet worden aangenomen - fout was. Mogelijkerwijs had wél discussie kunnen ontstaan over de vraag wat het juiste antwoord was, maar die kwestie speelt niet nu [eiser] niet een mogelijk juist antwoord heeft gegeven.

3.6 Op grond van dit een en ander is de door het Hof bereikte uitkomst sowieso juist. [Eiser] mist daarom belang bij zijn klachten. Ten overvloede ga ik daarop onder 4 nochtans in.

4. Bespreking van het middel

4.1 Het middel souffreert (in de bewoordingen van onderdeel 1.2) aan de verharingsziekte waar het Hof een en andermaal wordt aangeduid als "zij", terwijl naar zijn arrest wordt verwezen als "haar beslissing".

4.2 Onderdeel 1.1 keert zich tegen rov. 3.4 waarin het Hof overweegt dat de burgerlijk rechter, gelet op art. 4 van de door [eiser] ondertekende kandidatenverklaring, niet kan treden in de vraag of Endemol het door haar als (enig) juiste aangemerkte antwoord op de quizvraag terecht als juist heeft aangemerkt, behalve wanneer er geen twijfel mogelijk is over de onjuistheid van het door Endemol goedgerekende antwoord. Het Hof zou aldus blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het in dit verband uitdrukkelijk door [eiser] gedane beroep op de vernietigbaarheid van het zijns inziens onredelijk bezwarende artikel onbehandeld is gebleven. Voor zover het Hof bedoeld beroep wél zou hebben beoordeeld, wordt dat oordeel op verschillende gronden gelaakt.

4.3.1 Uit de stukken, waarop ook de s.t. van mrs Von Schmidt auf Altenstadt en Goeman beroep doet, valt af te leiden dat [eiser] het litigieuze art. 4 ziet als een beding tot beperking van aansprakelijkheid. Daarom scharniert het onderdeel om art. 6:237 onder f BW. En passant en tussen haakjes wordt af en toe ook nog art. 6:237 onder h BW genoemd, maar klaarblijkelijk gelooft [eiser] daar zelf niet in.

4.3.2 Met enige goede wil kunnen [eiser]s stellingen, waarnaar voetnoot 3 van het onderdeel verwijst, zo worden gelezen dat in feitelijke aanleg zowel op letter f als op h beroep is gedaan. Hierna ga ik daarvan veronderstellenderwijs uit.

4.4.1 [Eiser] heeft zijn vordering aanvankelijk gestoeld op onrechtmatige daad en op wanprestatie. Uit rov. 3.2 vloeit voort dat het Hof de vordering louter heeft beoordeeld op eerst bedoelde grondslag. Dat blijkt trouwens ook heel duidelijk uit rov. 3.6.

4.4.2 Rov. 3.4 moet in dit licht worden bezien. Zij is niet gebaseerd op een contractuele relatie. Daartegen kant onderdeel 1 zich niet. Integendeel: onderdeel 1.1 rept uitdrukkelijk, in 's Hofs voetspoor, van onzorgvuldig handelen.

4.4.3 Aldus heeft het Hof kennelijk aangenomen dat [eiser] ook de stelling heeft laten varen dat de kandidatenverklaring, waarvan art. 4 deel uitmaakt, als overeenkomst moet worden aangemerkt.

4.5 In deze gedachtegang en uitgaande van 's Hofs lezing van de tweede grief kwam het Hof niet toe aan de vraag of art. 4 al dan niet onredelijk bezwarend was.

4.6 's Hofs onder 4.4 en 4.5 weergegeven oordeel wordt in cassatie niet bestreden, wat daar verder ook van zij. Het onderdeel loopt reeds hierin spaak. Ten overvloede ga ik nader op de klachten in.

4.7 Afd. 6.5.3 BW ziet op algemene voorwaarden als bedoeld in art. 6:231 aanhef en onder a BW. Het moet dus gaan om bedingen "die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen".(5) Hoewel de bewoordingen van art. 6:231 onder a BW anders doen vermoeden, kan ook een losstaand beding (mogelijk) als algemene voorwaarde gelden.(6) Of sprake is van een overeenkomst - wat (mede) aan de hand van art. 6:213 BW zal moeten worden beoordeeld(7) - is ten dele een rechtsvraag. Het antwoord daarop is verweven met waarderingen van feitelijke aard.

4.8 Mogelijk moet rov. 3.4 zo worden begrepen dat erin besloten ligt dat in casu van een overeenkomst geen sprake is. Als dat het geval is, dan loopt het onderdeel ook daarin vast nu dat oordeel - wat daar verder ook van zij - niet wordt bestreden.

4.9 Waarschijnlijker is dat het Hof in rov. 3.4 tot uitdrukking brengt dat [eiser]s beroep op vernietiging van art. 4 hem niet kan baten. Dat nogal gecomprimeerde oordeel moet als volgt worden verstaan:

a. bedoeld art. 4 valt niet onder de werking van art. 6:237 BW;

b. ware dat al anders, dan valt het niet onder de letters f en/of h;

c. ware ook dat anders, dan is van onredelijke bezwarendheid in de gegeven omstandigheden geen sprake zodat het in de aanhef bedoelde vermoeden wordt ontzenuwd. De onderhavige zaak wordt immers gekenmerkt door de onder 3.4.3 genoemde omstandigheden. Daaraan voegt het Hof toe dat [eiser] aldus niet aan de grillen van Endemol is overgeleverd omdat zij niet steeds beroep op art. 4 kan doen.

4.10 's Hofs onder 4.9 weergegeven - wat uitvoeriger uitgeschreven - oordeel is onbegrijpelijk noch onjuist. Ik licht dat hierna toe.

4.11.1 Ik zou willen verdedigen dat de artikelen 6:236 en 6:237 BW niet al te extensief moeten worden uitgelegd. Immers wordt - kort gezegd - gesproken van consumenten. Die uitleg sluit ook aan bij de Europese richtlijn 93/13 die ziet op consumentenovereenkomsten.(8) Het ligt m.i. niet erg voor de hand een "kandidatenverklaring"(9) als een zodanige overeenkomst te beschouwen.(10) In elk geval behoefde het Hof dat niet te doen.

4.11.2 In dit verband verdient opmerking dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat hij niet alle situaties kan voorzien. Daarom is er in het kader van de "zwarte lijst" op gewezen dat de daar genoemde sanctie geen wet van Meden en Perzen is. Er zijn verschillende mogelijkheden daar in een concreet geval een mouw aan te passen.(11) Het lijkt mij niet onaannemelijk dat de wetgever niet het oog heeft gehad op verklaringen als de onderhavige. In zo'n situatie kan een mouw worden gepast aan een in het oog springend onbevredigende toepassing van art. 6:237 BW, indien in dit geval al van toepassing zou zijn.

4.12 Niet goed duidelijk is waarom [eiser] zich heeft beroepen op art. 6:237 aanhef onder f en h BW. Klaarblijkelijk was dat ook het Hof niet duidelijk.

4.13 Letter h ziet vooral op verval- en reclamebedingen.(12) Daarvan of van iets dergelijks is in casu zonneklaar geen sprake. Ik neem aan dat ook [eiser] inmiddels tot dat voortschrijdend inzicht is geraakt nu het onderdeel het onder h bepaalde telkens tussen haakjes plaatst.

4.14 Op zich kan niet worden ontkend dat de consequentie van een beding als het litigieuze art. 4 kan zijn dat een aanspraak op schadevergoeding in rook opgaat. Maar dat is niet wat het artikel zegt. Eenzelfde consequentie kan trouwens zijn verbonden aan de meeste in art. 6:237 BW geregelde onderwerpen. Maar dat betekent natuurlijk niet dat zij alle kunnen worden gesublimeerd onder letter f.(13) Daarom faalde het beroep van [eiser] op het bepaalde in art. 6:237 aanhef en onder f.

4.15 In het midden kan blijven of op de zwarte of grijze lijst een of meer andere bepalingen voorkomen die [eiser] mogelijk te pas hadden kunnen komen. Immers beroept het middel zich daar niet op.

4.16 Ik kom dan op het aspect dat de kern vormt van rov. 3.4: het vermoeden van art. 6:237 BW is in casu ontzenuwd. In het kader van de ontzenuwing kunnen alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.(14) In aanmerking nemend dat a) sprake is van een situatie waarin het spelelement overheerst, b) [eiser] een kans heeft een aanzienlijk geldbedrag te ontvangen, c) zonder dat sprake is van een relevante tegenprestatie zijnerzijds en d) de omstandigheid dat de bepaling in het voor de deelnemer ongunstigste geval hooguit meebrengt dat hem een "gratis" voordeel ontgaat, kan 's Hofs oordeel de toets der kritiek alleszins doorstaan.

4.17 Hierop stuiten alle klachten van onderdeel 1.1 en 1.2 af. Verdere bespreking is daarmee overbodig.

4.18 Onderdeel 2 bindt de strijd aan met rov. 3.6. Het Hof zou hebben blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat [eiser]s vordering berust op zorgvuldigheidseisen die aan een televisiequiz niet gesteld kunnen worden, mede gelet op de aard van het mogelijke nadeel verbonden aan de samenloop van omstandigheden, dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat sprake was van een ongelukkig toeval en dat Endemol geen norm heeft geschonden die zij jegens [eiser] in acht diende te nemen. De klacht komt er - naar de kern genomen - op neer dat het Hof niet (voldoende kenbaar) is ingegaan op [eiser]s stellingen dat Endemol het risico had moeten uitsluiten dat in de finale een reeds in de de voorselectie gestelde - naar later is gebleken - foutieve vraag zou worden voorgelegd. In dat verband doet [eiser] beroep op een aantal stellingen die hij in feitelijke aanleg heeft betrokken, weergegeven in de onderdelen 2.1.1 t/m 2.1.5.

4.19 De moeilijk grijpbare klachten vergen in feite een volledige, met een waardering van de feiten verweven, herbeoordeling van Uw Raad. Dat is evenwel niet de bedoeling van cassatie. Daarin moeten specifieke klachten worden geformuleerd. Waar het gaat om rechtsklachten moet ofwel in het oog springen waarom in de genoemde omstandigheden het recht is geschonden, dan wel moet in grove trekken worden geschetst waarom 's Hofs oordeel onjuist is. Zulks springt in casu evenwel geenszins in het oog. De klachten reppen wel van schending van het recht, maar doen niet uit de doeken waarom daarvan sprake zou zijn.

4.20 De motiveringsklachten zijn geen beter lot beschoren. Het Hof is in rov. 3.6 immers ingegaan op [eiser]s kernstellingen.

4.21.1 Het betoog van [eiser] komt er, ontdaan van franje, op neer dat hij Endemol meent te kunnen voorschrijven hoe zij te werk moet gaan in een quiz waarin hij, zonder relevante tegenprestatie, aanzienlijke bedragen kan winnen. Het Hof heeft aangegeven dat en waarom de door Endemol gevolgde werkwijze de toets der kritiek kon doorstaan en dat zij (daarom) jegens [eiser] niet tot een andere werkwijze gehouden was. Onbegrijpelijk is 's Hofs benadering allerminst, gebaseerd als deze is op de gerechtvaardigde belangen van Endemol en de zeer geringe kans dat in selectieronde en de finale dezelfde vraag wordt gesteld.

4.21.2 Voor zover onderdeel 2.4 een klacht probeert te ventileren tegen 's Hofs oordeel over de omvang van de kans mislukt het omdat a) 's Hofs oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk is en b) niets concreets wordt aangevoerd waaruit valt af te leiden dat het Hof het (evident) bij het verkeerde eind heeft.

4.21.3 Voor zover het onderdeel er nog over wil klagen dat ook bij een zeer geringe kans sprake zou kunnen zijn van een aanmerkelijke kans is het onbegrijpelijk.

4.22.1 's Hofs benadering past geheel in de kelderluikcriteria.(15) Gegeven de zéér geringe kans, het spelelement en de omstandigheid dat [eiser] in het ongunstigste geval slechts een voordeel kon ontgaan én het gerechtvaardigde belang van Endemol bij de gevolgde werkwijze, was Endemol niet tot meer of anders gehouden dan zij heeft gedaan.

4.22.2 Op deze klip strandt ook onderdeel 2.4 dat de stelling poneert dat Endemol zelfs de zeer geringe kans had moeten voorkomen. [Eiser] zet daarmee de wereld op zijn kop. In het kader van voorkoming van dood of letsel geldt in allerlei settingen niet een zodanig strenge eis. Het zou maatschappelijk niet zijn uit te leggen dat zij wél zou gelden in een situatie als de onderhavige waarin slechts een voordeel voor een deelnemer aan een quiz op het spel staat.

4.22.3 De s.t. van mrs Von Schmidt auf Altenstadt en Goeman onder 9.1.1 doet nog beroep op het jetblast-arrest.(16) Dat beroep (ongetwijfeld vooral op rov. 3.4.3) gaat m.i. niet op. Immers ging het in dat arrest gaat om een - naar de aangesprokene wél maar de potentieel benadeelde niet wist - serieuze kans op letsel. Dat in een dergelijke situatie een enkele waarschuwing niet volstaat, kan zeer wel worden begrepen. Het ligt heel weinig voor de hand deze evident op bijzondere situaties toegesneden regel ook toe te passen in gevallen als de onderhavige. Eens te minder nu uit de rechtspraak - met name in het kader van art. 7:658 BW - blijkt dat aan het handelen (of nalaten) van de laedens - ook in niet steeds en zonder meer dergelijke strenge eisen worden gesteld. Het ligt weinig voor de hand dat ten opzichte van derden (of in casu personen die slechts een voordeel kan ontgaan) verdergaande maatregelen moeten worden genomen dan ten opzichte van bijvoorbeeld eigen werknemers. Eens te minder nu het in casu niet om (potentiële) letselschade gaat.

4.23 Dat [eiser] in de voorronde eenzelfde vraag kreeg voorgelegd (onderdeel 2.1.1) kan hem niet baten. Reeds niet omdat hij niet heeft gesteld dat Endemol hem heeft meegedeeld dat hij deze goed had beantwoord, terwijl hij evenmin heeft gesteld waarom hij dat nochtans redelijkerwijs heeft mogen denken en dat Endemol dat ook zo heeft moeten begrijpen. Het onderdeel doet op dergelijke stellingen dan ook geen beroep.

4.24 Dat de vraagstelling in de voorronde niet juist was, komt [eiser] evenmin te stade, nu niet is gebleken dat Endemol daarvan op dat moment al op de hoogte was. Integendeel: [eiser] wijst er zelf op dat Endemol zulks eerst later heeft ontdekt. De in onderdeel 2.1.2 opgediste feiten leggen daarom weinig gewicht in de schaal.

4.25 Met onderdeel 2.1.3 bedoelt [eiser], naar ik veronderstel, zijn belang te onderstrepen. Hij ziet er evenwel aan voorbij dat het Hof dat heeft meegewogen. Gezien het belang van Endemol én de zeer kleine kans dat zich een situatie als de onderhavige zou voordoen, heeft het Hof [eiser]s belang van onvoldoende betekenis geoordeeld en ook mogen oordelen. Een vergelijkbare klacht in onderdeel 2.2 loopt ook hierop stuk.

4.26 Op de in de onderdelen 2.1.4 en 2.1.5 genoemde omstandigheden is het Hof alleszins toereikend ingegaan.

4.27 Voor zover onderdeel 2.2 nog te berde brengt dat [eiser] door Endemol op het verkeerde been is gezet, mislukt het op de onder 4.23 genoemde grond.

4.28 Onderdeel 2.4 verwijt het Hof nog het grote financiële belang van [eiser] niet te hebben meegewogen.

4.29 Juist is dat het Hof daar niet met zoveel woorden op respondeert. Het ligt evenwel duidelijk besloten in de voorlaatste alinea van rov. 4.6. Ook in de laatste alinea komt het aspect aan de orde onder de benaming "de aard van het mogelijke nadeel", waarbij "aard" een pars pro toto is voor aard en omvang.

4.30 Ten slotte moet worden bedacht dat het in rov. 3.6 gaat om een bespreking van grief 3. Daarin komt het hier besproken aspect in het geheel niet aan bod zodat het Hof er in dat kader in het geheel niet op had behoeven in te gaan.

4.31 Onderdeel 3 behelst een voortbouwende klacht. Deze deelt het lot van zijn voorgangers.

4.32 Ten slotte en ten overvloede: bij de huidige stand van de rechtspraak kunnen eisers een verklaring voor recht vorderen, ook wanneer de omvang van hun vordering redelijkerwijs vaststaat of (betrekkelijk) gemakkelijk te berekenen is. Van deze rechtspraak wordt naar mijn mening veel gebruik - in mijn ogen misbruik - gemaakt ter besparing van griffierecht.

4.33.1 [Eiser] heeft het volste recht deze zaak - zelfs in drie instanties - aan de rechter voor te leggen. Maar dat wordt m.i. te gemakkelijk (en met name, ten detrimente van de schatkist, te goedkoop) gemaakt, zoals onder 4.32 geschetst. Daarom breek ik er een lans voor om in gevallen waarin een verklaring voor recht overduidelijk met geen ander doel wordt gevorderd dan ter besparing van griffierecht door de vordering heen te kijken.

4.33.2 Wellicht zou nog een betere oplossing zijn dat de wetgever hier het voortouw nam.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het Hof noemt in rov. 3.1.2 nog een nauwelijks afwijkende variant van de vraag zoals deze gesteld kan zijn.

2 Zie rov. 3; het Hof heeft de vordering in rov. 3.2 aanzienlijk korter samengevat. Het contractuele element keert in 's Hofs weergave niet terug.

3 Of de spelen in 1900 al dan niet werden overschaduwd door de wereldtentoonstelling, zoals de cvr onder 9 nog aandraagt, doet m.i. niet ter zake.

4 Ook in de inleidende dagvaarding onder 14 komt een dergelijke stelling niet voor; evenmin in de cva rec. onder 6 en 14. In zijn pleitaantekeningen in prima onder 17 draait zijn advocaat om deze kwestie heen; niet wordt gesteld dat [eiser] is meegedeeld dat het antwoord goed was.

5 Zie voor relativering mon. Nieuw BW (Hijma) B55 nr 4.

6 Verbintenissenrecht (Hondius) art. 231 aant. 5; mon Nieuw BW B55 nr 11.

7 Zie nader, ook voor verdere bronnen, Verbintenissenrecht (Den Tonkelaar) art. 213 aant. 1-25.

8 Zie nader mon. Nieuw BW (Hijma) B55 nr 8.

9 Overgelegd als prod. 2 bij cva.

10 Vgl. Verbintenissenrecht art. 237 aant. 9.

11 PG boek 6 Inv. blz. 1650.

12 Verbintenissenrecht art. 237 aant. 39 en 40.

13 Zie nader Verbintenissenrecht art. 237 aant. 28-32 met verdere bronnen; Asser-Hartkamp II (2005) nr 364 en M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden nr 167.

14 Asser-Hartkamp II (2005) nr 361.

15 HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 GJS.

16 HR 28 mei 2004, NJ 2005, 105 CJHB.