Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD0684

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
07/10788
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD0684
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Ondertoezichtstelling; uithuisplaatsing; cassatieberoep moeder niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang wegens verstrijken termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 500
RvdW 2008, 655
NJB 2008, 1456
JWB 2008/289
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/10788

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 25 april 2008

Conclusie inzake:

[De moeder]

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam

Het cassatieberoep is gericht tegen de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) is de met het gezag belaste ouder van [de zoon], geboren op [geboortedatum] 1995 (hierna: de zoon). De zoon is onder toezicht gesteld en met een rechterlijke machtiging uit huis geplaatst. Hij verblijft in een pleeggezin. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn meermalen verlengd.

1.2. De Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (hierna: de Stichting) heeft op 14 april 2006 aan de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing wederom te verlengen.

1.3. De moeder heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd. Bij beschikking van 16 mei 2006 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging verlengd tot 24 juli 2006 en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.4. Bij beschikking van 20 juli 2006(1) heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 24 mei 2007. Met betrekking tot de uithuisplaatsing had de Stichting inmiddels een gedragskundig onderzoek aangevraagd. De kinderrechter heeft, in verband hiermee, de machtiging tot uithuisplaatsing slechts verlengd tot 7 december 2006. Bij beschikking van 30 november 2006 is deze nader verlengd tot 10 januari 2007.

1.5. Nadat het rapport van het psychodiagnostisch onderzoek van de zoon in het Ambulatorium aan de kinderrechter was toegezonden en de zaak andermaal mondeling was behandeld, heeft de kinderrechter bij beschikking van 9 januari 2007 de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 24 mei 2007.

1.6. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 9 januari 2007. Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 2 mei 2007. Bij beschikking van 15 mei 2007 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

1.7. Namens de moeder is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De Stichting heeft laten weten in cassatie geen verweer te zullen voeren omdat de geldigheidsduur van de machtiging inmiddels is verstreken(2).

2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1. Nu de geldigheidsduur van de bekrachtigde machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels is verstreken, heeft de moeder in rechte geen belang meer bij haar beroep tegen deze beschikking. Op die grond kan zij, naar vaste rechtspraak, niet in haar cassatieberoep worden ontvangen(3). In voorkomende gevallen heeft de Hoge Raad aanleiding gezien in een overweging ten overvloede het cassatiemiddel te behandelen. Met het oog op die mogelijkheid volgt hierna een bespreking van de klachten.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. De verlenging van de ondertoezichtstelling staat in dit cassatiegeding niet ter discussie. Het gaat alleen om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Ingevolge art. 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de Stichting machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op verzoek van de Stichting kan de geldigheidsduur van de machtiging telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd (art. 1:262 BW).

3.2. Een uithuisplaatsing heeft - anders dan een ontheffing uit het ouderlijk gezag - het karakter van een tijdelijke maatregel, die uiteindelijk gericht is op de terugkeer van het kind naar de ouder(s) die met het gezag is of zijn belast. Zodra de noodzaak tot uithuisplaatsing niet langer aanwezig is, behoort zij te eindigen. Een machtiging tot uithuisplaatsing mag slechts worden verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in art. 1:261 BW, nog steeds bestaan(4). Volgens de beschikking van het hof zijn in dit geval die gronden nog onverkort aanwezig.

3.3. De klacht houdt in dat de bestreden beschikking onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op de stelling van de moeder dat de machtiging niet had mogen worden verlengd omdat de Stichting heeft gehandeld in strijd met art. 1:257 lid 1 en 2 BW: de Stichting heeft nimmer toegewerkt naar een terugplaatsing van de zoon bij de moeder(5). Het eerste lid van art. 1:257 BW houdt in dat de Stichting ervoor zorg draagt dat aan de minderjarige en aan de met het gezag belaste ouder hulp en steun worden geboden, teneinde de bedreiging van de zedelijke of lichamelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden. Het tweede lid bepaalt dat deze hulp en steun erop gericht zijn, de met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden.

3.4. De motiveringsklacht faalt omdat het hof deze grief van de moeder wel degelijk onder ogen heeft gezien: haar desbetreffende stellingen zijn door het hof samengevat in rov. 4. Ter motivering van zijn oordeel dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds bestaan, heeft het hof, evenals de kinderrechter, verwezen naar het rapport van het Ambulatorium. Daarmee is voor de lezer begrijpelijk op welke gronden de beslissing berust. Met betrekking tot de door de moeder gestelde onvoldoende inspanning van de Stichting om een terugkeer van de zoon naar de moeder te bewerkstelligen, heeft de kinderrechter overwogen dat het in het belang van de zoon is dat in de komende periode duidelijkheid wordt geschapen m.b.t. het toekomstperspectief en dat getracht zal worden om het gesprek tussen de moeder en de pleegouders weer op gang te krijgen. Het hof heeft, na in rov. 7 te hebben uiteengezet dat de behoeften van de zoon en van de moeder hier niet gelijk lopen, geoordeeld dat een terugplaatsing op dit moment een negatief effect op de zoon zal hebben. Daarnaast acht het hof onvoldoende aannemelijk dat de moeder op dit moment in staat is een stabiel opvoedingsklimaat te scheppen, waarin continuïteit in de dagelijkse verzorging en opvoeding van de zoon gewaarborgd is. Daarmee heeft het hof deze grief verworpen en die beslissing naar behoren gemotiveerd.

3.5. In het cassatierekest (onder 4 en 7) wordt in dit verband nog aangevoerd dat de Stichting doelbewust, zelfs opzettelijk, het recht van de moeder op herstel van de (door art. 8 EVRM beschermde) gezinsband en het gezinsleven heeft geschonden. Deze schending mag volgens het middel niet worden gesauveerd door sec tot verlenging te beslissen op basis van de daardoor ontstane situatie.

3.6. De Stichting heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat tot dan toe niet daadwerkelijk is toegewerkt naar een thuisplaatsing, teneinde de zoon de kans te geven zich te ontwikkelen binnen het pleeggezin dat al 4,5 jaar voor hem zorgt (zie rov. 5). Het werken aan een thuisplaatsing werd door de Stichting niet in het belang van de zoon geacht. Voor zover hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de Stichting bewust het door art. 8 EVRM beschermde recht van de moeder op gezinsleven met de zoon heeft geschonden - een stelling die door de moeder in de feitelijke instanties niet zo naar voren is gebracht -, heeft het hof tot het oordeel kunnen komen dat deze inmenging in het gezinsleven van de moeder en de zoon bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de gezondheid van de zoon of de bescherming van de rechten en vrijheden van de zoon. Veronderstellenderwijs aannemend dat de Stichting de afgelopen jaren is tekortgeschoten in het toewerken naar een thuisplaatsing, zoals de moeder stelde, dan heeft het hof mogen beslissen dat de zoon hiervan niet de dupe behoeft te worden. Indien een terugplaatsing bij de moeder op dit moment een negatief effect zal hebben en de moeder op dit moment niet in staat is een stabiel opvoedingsklimaat te scheppen, zoals het hof overweegt, heeft het hof het belang van de bescherming van de zoon mogen laten prevaleren boven het door art. 8 EVRM beschermde belang van de moeder.

3.7. De slotsom is dat het middel, voor zover het al aan de orde komt, niet tot cassatie leidt.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De datum van de beschikking is gecorrigeerd in een herstelbeschikking.

2 Bij brieven van 22 februari resp. 7 april 2008 heeft de advocaat van de moeder de gedingstukken aan de Hoge Raad ingezonden.

3 Zie onder meer: HR 26 januari 1996, NJ 1996, 377; HR 13 april 2001, NJ 2002, 5 m.nt. JdB; HR 31 januari 2003, NJ 2003, 271; HR 26 maart 2004, NJ 2004, 637 m.nt. JdB; HR 14 december 2007, RvdW 2008, 14.

4 HR 7 september 2007, NJ 2007, 465.

5 Zie voor deze grief: verzoekschrift in hoger beroep onder 5. Geklaagd werd dat uit de rapportage niet blijkt van enige concrete actie om tot terugplaatsing te voorkomen. Verder werd geklaagd over het voortdurend wisselen van de gezinsvoogden, zodat geen constructief contact en samenwerking in het kader van de terugplaatsing konden worden opgezet en eerder met de moeder gemaakte afspraken niet werden nagekomen.