Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD0683

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
07/10658
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD0683
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht; beroep van een gefailleerde tegen beslissingen van rechter-commissaris; weigering en vervallenverklaring van reisdocumenten, verhouding tussen art. 91 Fw. en art. 19 Paspoortwet (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 91
Paspoortwet 19
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 450
RvdW 2008, 602
JWB 2008/260
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/10658HR

mr. Keus

Parket 25 april 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

Het gaat in deze faillissementszaak om het beroep van [verzoeker] tegen een verzoek van de rechter-commissaris ingevolge art. 19 Paspoortwet (verzoek tot weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten) en tegen de weigering van de rechter-commissaris dat verzoek in te trekken. De rechtbank heeft [verzoeker] in zijn beroep, voor zover gericht tegen het verzoek, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van [verzoeker] voor het overige als ongegrond verworpen. [Verzoeker] bestrijdt het oordeel van de rechtbank, onder meer met een beroep op art. 12 IVBPR en art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM. In verband met de wijze waarop de Paspoortwet weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten op verzoek van de rechter-commissaris regelt, rijst mede de vraag of [verzoeker] in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1).

1.2 Op 15 maart 2000 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het faillissement van [verzoeker] uitgesproken.

1.3 Op 29 november 2005 heeft de rechter-commissaris in de genoemde rechtbank op grond van art. 19 Paspoortwet(2) het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: het Agentschap)(3) verzocht om vervallenverklaring van het paspoort van [verzoeker]. De rechter-commissaris heeft het Agentschap verzocht de persoonsgegevens van [verzoeker] op te nemen in het register paspoortsignaleringen en voorts zijn personalia en reisdocumentgegevens te vermelden in het opsporingsregister ter onmiddellijke inhouding van het reisdocument. Het verzoek, dat op 1 december 2005 bij het Agentschap is ingekomen(4), is als volgt gemotiveerd:

"Reden voor het verzoek (artikel 19 van de Paspoortwet)

De commanditaire vennootschap Nationale Kruiszorg Organisatie C.V. is op 25 juni 2005 in staat van faillissement verklaard. De indirect bestuurder is [verzoeker]. Ook is [verzoeker] persoonlijk failliet verklaard op 20 oktober 1999. [Verzoeker] onttrekt zich aan de informatieplicht die ingevolge artikel 105 van de Faillissementwet op hem rust. Het lijkt erop dat hij inkomsten verzwijgt voor de curator. Daarnaast verblijft [verzoeker] met enige regelmaat in het buitenland."

De rechter-commissaris heeft te kennen gegeven ertegen bezwaar te hebben dat [verzoeker] van de opneming van zijn gegevens in het register paspoortsignaleringen in kennis wordt gesteld.

1.4 Op 3 of 4 juli 2007 was [verzoeker] op Schiphol, althans volgens de rechtbank om naar Zuid-Afrika (Kaapstad) te vertrekken(5). Tijdens een irisscan werd gesignaleerd dat het recht op een paspoort van [verzoeker] was vervallen, waarop de Marechaussee het paspoort van [verzoeker] heeft ingenomen.

1.5 Bij brief, gedateerd 4 juli 2007, heeft [verzoeker] de rechter-commissaris verzocht te bewerkstelligen dat zijn paspoort hem althans tijdelijk wordt teruggegeven, opdat hij zijn geplande reis naar Kaapstad (in verband met familiebezoek) zou kunnen maken. [Verzoeker] had er geen bezwaar tegen na terugkeer in Nederland zijn paspoort weer in te leveren(6).

1.6 Bij beschikking van 6 juli 2007 heeft de (waarnemend) rechter-commissaris aan [verzoeker] laten weten dat hij, gelet op de gegeven omstandigheden, niet bereid is de signalering van [verzoeker] in het register paspoortsignaleringen in te trekken, zodat [verzoeker] nog niet over zijn paspoort kon beschikken.

1.7 Bij verzoekschrift, ingekomen op 10 juli 2007, is [verzoeker] op grond van art. 67 lid 1 Fw van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij de rechtbank 's-Hertogenbosch. Voor zover nodig richt het beroep zich mede tegen de beslissing (het verzoek) van de rechter-commissaris van november/december 2005 ingevolge art. 19 Paspoortwet.

[Verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door beide beslissingen onnodig in zijn grondrechten, waaronder het recht zich buiten de landsgrenzen te verplaatsen, wordt beknot, althans dat voor die beperking rechtens geen of onvoldoende rechtvaardiging bestaat. Volgens [verzoeker] is onduidelijk op welke gronden zijn paspoort is ingenomen en/of op welke gronden teruggave wordt geweigerd.

[Verzoeker] heeft de rechtbank verzocht beide beslissingen van de rechter-commissaris te vernietigen, althans de teruggave van zijn paspoort te gelasten en/of de paspoortsignalering ongedaan te maken.

1.8 Het beroepschrift is ter zitting van 18 juli 2007 behandeld(7).

1.9 Bij beschikking van 1 augustus 2007 heeft de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in het beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris van november/december 2005. Volgens de rechtbank is het beroep te laat ingesteld, omdat de in art. 67 Fw genoemde beroepstermijn van vijf dagen is verstreken. Het feit dat [verzoeker] pas recent van "dat verzoek" (strekkende tot vervallenverklaring van het paspoort) op de hoogte is geraakt, maakt dat volgens de rechtbank niet anders (rov. 2.4 en het dictum)(8).

1.10 Het beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 6 juli 2007, dat wel tijdig is ingesteld, is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, als volgt overwogen:

"2.1. Krachtens het bepaalde in artikel 91 Fw mag de gefailleerde zonder toestemming van de rechter-commissaris zijn woonplaats niet verlaten. De ratio van die bepaling is dat de gefailleerde ter beschikking moet blijven om inlichtingen te verstrekken en er controle kan plaatsvinden ten aanzien van de vraag of hij activa aan de boedel onttrekt. Met het oog op vluchtgevaar is de rechter-commissaris bevoegd om het paspoort van de gefailleerde in te (doen) nemen en kan op verzoek van de rechter-commissaris onder meer het recht op een reeds verstrekt paspoort komen te vervallen (artikel 19 Paspoortwet)."

De stelling van [verzoeker] dat de acties tot het beperken van het recht van een ieder, waaronder dus ook gefailleerden, om het land te verlaten, niet op de wet zijn gebaseerd, mist volgens de rechtbank feitelijke grondslag:

"2.2. (...) Weliswaar noemt artikel 19 van de Paspoortwet alleen artikel 106 Fw met name, maar dat betekent niet dat daarmee andere bepalingen van de Faillissementswet toepassing missen. Genoemd artikel 19 ziet immers op twee gevallen: (a) op bestuurders van gefailleerde rechtspersonen (waartoe [verzoeker] overigens ook behoort) middels de verwijzing naar artikel 106 Fw, alsook (b) op personen die in staat van faillissement zijn verklaard. Op laatstgenoemde personen zijn tal van verplichtingen uit de Faillissementswet toepasselijk, waaronder dus ook het door [verzoeker] genoemde artikel 105 Fw, evenals het eerder genoemde artikel 91 Fw. Anders dan [verzoeker] wil doen geloven is van een omissie van de wetgever geen sprake."

Verder heeft de rechtbank overwogen:

"2.3. Aangezien de bevoegdheid voor de autoriteiten reisbeperkingen aan gefailleerden op te leggen duidelijk in de wet is vastgelegd, kan evenmin worden aangenomen dat de aan [verzoeker] opgelegde beperking strijdig is met zijn grondrecht om het land te verlaten. Zijn beroep op artikel 2 van het Vierde Protocol van het EVRM en op artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en publieke rechten, faalt nu die verdragen de mogelijkheid van een uitzondering kennen, te weten wanneer een bepaalde beperking in een nationale wet is voorzien. Dat laatste is hier dus het geval.

(...)

2.5. Vaststaat dat [verzoeker] zijn voorgenomen vertrek naar Zuid-Afrika niet aan curatoren en de rechter-commissaris heeft gemeld, laat staan laatstgenoemde om de op grond van het genoemde artikel 91 Fw vereiste toestemming heeft verzocht. Als het aan [verzoeker] had gelegen was hij op 3 of 4 juli 2007 met stille trom naar Zuid-Afrika vertrokken en hadden de rechter-commissaris en de curatoren omtrent zijn verblijfplaats in het duister getast. [Verzoeker], die zich zelf nadrukkelijk afficheert als deskundige op het gebied van insolventiezaken, moet van zijn verplichtingen op dit punt ook op de hoogte zijn geweest. In de voor [verzoeker] meest gunstige uitleg van deze situatie moet worden aangenomen dat hij, [verzoeker], zich van die verplichtingen niets heeft aangetrokken."

Volgens de rechtbank bevestigt dit een en ander het oordeel van de rechter-commissaris van destijds dat het verval van het recht op een paspoort nodig was en tevens dat dit oordeel nog steeds actueel is. De beslissing van 6 juli 2007 van de rechter-commissaris is volgens de rechtbank dan ook terecht genomen. De rechtbank heeft het beroep van [verzoeker] reeds hierom afgewezen (rov. 2.6). Ten slotte heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"2.7. Het feit dat het faillissement al jaren loopt, brengt nog niet mee dat reeds daarom de reisbeperkende maatregel jegens [verzoeker] thans als disproportioneel moet worden beschouwd. Van belang is dat het hier om een gecompliceerde faillissementssituatie gaat, met een verwevenheid met meerdere eveneens in staat van faillissement verkerende entiteiten, en met mogelijk actief in het buitenland (Spanje), waarbij de bereidheid tot volledige en loyale medewerking van [verzoeker] als failliet en als bestuurder van de failliete rechtspersonen, aan gerede twijfel onderhevig is. De recente poging om met stille trom uit het land te vertrekken illustreert dat nog eens te meer. Opvallend is ook dat [verzoeker] bij brief van 2 juli 2007 aan de curator mr Van Oeijen laat weten geen enkele functie te vervullen en ook niet meer aan het werk te gaan, terwijl hij op 18 juli 2007 tijdens de behandeling van het onderhavige beroep aan de rechtbank meedeelt pro deo te werken als insolventieadviseur en binnenkort in Engeland in een dergelijke functie te zullen worden benoemd."

1.11 Bij verzoekschrift van 10 augustus 2007 is [verzoeker] tijdig(9) in cassatie gekomen van de beschikking van de rechtbank. De door de rechtbank in het kader van het faillissement van [verzoeker] benoemde curatoren zijn door de griffier van de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld tot het indienen van een verweerschrift. Zij hebben daarvan echter geen gebruik gemaakt.

2. Ontvankelijkheid

2.1 Op grond van art. 19 Paspoortwet kan de rechter-commissaris verzoeken dat een paspoort aan de gefailleerde wordt geweigerd dan wel dat diens paspoort vervallen wordt verklaard. Dit verzoek wordt ingevolge art. 25 lid 1 Paspoortwet aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) gericht. Indien het verzoek van de rechter-commissaris aan de voorwaarden van art. 19 Paspoortwet voldoet, vermeldt de minister de betrokken persoon en de overige in art. 25 lid 3 Paspoortwet bedoelde gegevens in een door hem bij te houden register. Voorts deelt hij de autoriteiten die tot het verstrekken en inhouden van reisdocumenten bevoegd zijn, ingevolge art. 25 lid 4 Paspoortwet mede, aan welke in het register vermelde personen een reisdocument kan worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument moet worden ingehouden.

2.2 Als de gronden tot weigering of vervallenverklaring zijn vervallen, geeft de autoriteit die een verzoek tot weigering of vervallenverklaring heeft gedaan (hierna: de verzoekende autoriteit), daarvan onverwijld kennis aan de minister (art. 25 lid 2 Paspoortwet). De minister verwijdert daarop de betrokken vermelding uit het door hem gehouden register en geeft daarvan terstond kennis aan de autoriteiten aan wie hij de mededeling als bedoeld in art. 25 lid 4 Paspoortwet heeft gedaan. Deze procedure wordt óók gevolgd, indien twee jaar nadat een verzoek tot weigering of vervallenverklaring is gedaan, een zodanige kennisgeving van de verzoekende autoriteit niet is ontvangen (art. 25 lid 5 Paspoortwet).

2.3 Inhouding zoals in de onderhavige zaak aan de orde, is geregeld in art. 53 Paspoortwet. Na ontvangst van een mededeling zoals bedoeld in art. 25 lid 4 Paspoortwet houden de tot inhouding bevoegde autoriteiten het betrokken reisdocument in. Als de autoriteit die het reisdocument heeft ingehouden niet tevens de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit is, zendt hij dat document onverwijld aan de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit toe (art. 53 lid 1 Paspoortwet).

2.4 Na inhouding van het reisdocument overtuigt de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit zich ervan of de gronden tot vervallenverklaring ten aanzien van betrokkene nog bestaan (art. 44 lid 2 Paspoortwet). Zo dit laatste het geval is, doet de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit de betrokkene (de houder van het reisdocument) terstond doch in ieder geval binnen vier weken na de inhouding mededeling van zijn voornemen het ingehouden document vervallen te verklaren, tenzij betrokkene hem binnen vier weken verzoekt de beslissing gedurende acht weken aan te houden, teneinde met de verzoekende autoriteit een zodanige overeenstemming te bereiken dat tot teruggave van het ingehouden reisdocument dan wel tot verstrekking van een reisdocument waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, kan worden overgegaan (art. 44 lid 4 Paspoortwet). Als de houder van het reisdocument niet om een aanhouding van de beslissing heeft gevraagd of niet binnen de in lid 4 bedoelde termijn van acht weken overeenstemming tussen de houder en de verzoekende autoriteit is bereikt, gaat de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit tot vervallenverklaring over, tenzij hij van oordeel is dat de houder door deze beslissing onevenredig wordt benadeeld; in dat laatste geval geeft de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit na overleg met de verzoekende autoriteit het ingehouden document terug of verstrekt hij een document waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde (art. 45 lid 2 Paspoortwet). De beslissing van de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit wordt onverwijld medegedeeld aan de minister, die de mededeling opneemt in het door hem gehouden register.

2.5 Naar mijn mening kan [verzoeker] bij gebrek aan belang niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

2.6 In dat verband dient allereerst te worden bedacht dat zijn vermelding in het door de minister bij te houden register op grond van art. 25 lid 5 Paspoortwet inmiddels (per 29 november of 1 december 2007) moet zijn verwijderd. [Verzoeker] heeft dan ook geen belang meer bij zijn acties, voor zover deze (naar luid van het petitum van het cassatierekest) op een ongedaanmaking van de paspoortsignalering zijn gericht.

2.7 Voor zover de acties van [verzoeker] (naar luid van het petitum van het cassatierekest) erop zijn gericht dat de Hoge Raad (c.q. de rechtbank of de rechter-commissaris) de teruggave van het paspoort gelast, miskent [verzoeker] in de tweede plaats dat het niet op de weg van de rechter-commissaris (c.q. de rechtbank en de Hoge Raad) ligt een teruggave van het ingehouden paspoort te gelasten. Of het ingehouden document al dan niet wordt teruggegeven, hangt in het wettelijke systeem slechts ervan af of de inhouding van het document al dan niet tot vervallenverklaring daarvan door de daartoe bevoegde autoriteit leidt. Voor die beslissing is slechts de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit verantwoordelijk, zij het dat het oordeel van de verzoekende autoriteit daarbij mede een rol speelt. Zoals in art. 45 lid 2 Paspoortwet ligt besloten, kan de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit, óók als de verzoekende autoriteit bij het bestaan van gronden tot vervallenverklaring persisteert, tot teruggave van het ingehouden document (of tot het verstrekken van een meer beperkt document) besluiten, als hij van oordeel is dat de houder van het document onevenredig door vervallenverklaring zou worden benadeeld.

2.8 In de derde plaats moet de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit, zelfs als [verzoeker] gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een aanhouding van acht weken te verzoeken, gelet op het tijdpad dat de Paspoortwet voorschrijft (en naar mijn berekening uiterlijk op 6 of 7 november 2007), reeds daadwerkelijk over vervallenverklaring van het ingehouden paspoort hebben beslist. Als die beslissing ertoe heeft geleid dat het ingehouden paspoort is teruggegeven of een meer beperkt reisdocument is verstrekt, zou [verzoeker] al om die reden geen belang bij de uitkomst van de onderhavige procedure meer hebben. In het andere geval is van belang dat tegen een vervallenverklaring bezwaar en beroep ingevolge de Awb openstaan(10). Als [verzoeker] in dat geval de hem door de Awb ingestelde rechtsmiddelen niet of tevergeefs zou hebben aangewend, zou hij bij een voortzetting van het debat over de beslissingen van de rechter-commissaris die aan de vervallenverklaring hebben bijgedragen, vanwege de formele rechtskracht van die vervallenverklaring belang missen. Als [verzoeker] wèl bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen de vervallenverklaring zou hebben aangewend maar de bestuursrechtelijke procedure nog geen einde zou hebben genomen, dient de civiele rechter daarin niet te interfereren en zou om die reden een niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep voor de hand liggen. Waar de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit dient te beoordelen of de houder van het document onevenredig door een vervallenverklaring wordt benadeeld, moet de genoemde autoriteit, zelfstandig en zonder aan het oordeel van de verzoekende autoriteit te zijn gebonden (maar wel onder toezicht van de bestuursrechter), afwegen of het belang van de houder bij teruggave van het reisdocument boven de gronden tot vervallenverklaring prevaleert. Naarmate (de handhaving van) het verzoek van de rechter-commissaris op minder goede gronden berust, zal dit laatste eerder het geval zijn. Overigens behoeft het geen betoog dat eventuele bezwaren die uit oogpunt van direct werkende verdragsbepalingen tegen de inhouding en de vervallenverklaring van het paspoort van [verzoeker] kunnen worden aangevoerd, ook in de bestuursrechtelijke procedure kunnen worden geldend gemaakt en een interventie van de burgerlijke rechter op zichzelf niet rechtvaardigen.

2.9 In de vierde plaats wijs ik erop dat de minister aan een verzoek tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument slechts vermelding van betrokkene in het door hem gehouden register paspoortsignaleringen verbindt, indien dat verzoek aan de voorwaarden van de Paspoortwet voldoet. Dat hier kennelijk niet een uiterst marginale toetsing van een dergelijk verzoek is bedoeld, kan worden afgeleid uit de memorie van toelichting bij een wijziging van de Paspoortwet, waarbij de grond tot weigering of vervallenverklaring van art. 24 onder b Paspoortwet is aangepast. In verband met die grond tot weigering of vervallenverklaring wordt in de memorie van toelichting opgemerkt(11):

"Het gegronde vermoeden zal wel in voldoende mate onderbouwd moeten zijn. Dit geldt in de eerste plaats voor de instantie die het verzoek doet om betrokkene in het register paspoortsignaleringen te vermelden. In het kader van de toetsing van het verzoek door de voor het register verantwoordelijke Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk de Gouverneur zal worden nagegaan, of er overtuigende redenen zijn om tot opneming in het register over te gaan. Voorts zal de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit het gegronde vermoeden voldoende aannemelijk moeten kunnen maken, wil zijn beslissing voor de bestuursrechter in stand kunnen blijven. De weigering of vervallenverklaring is een beschikking waartegen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht bezwaar en beroep openstaan. Toepassing van deze weigeringsgrond is derhalve aan toetsing door de onafhankelijke bestuursrechter onderworpen. De beschikking kan inhouden dat de betrokken persoon elk recht op een reisdocument wordt ontzegd, maar het is ook mogelijk hem een beperkt geldig reisdocument te verstrekken, waarmee hij toch het land kan verlaten, indien dit nodig is."

Naar mijn mening hebben ook tegen het besluit van de minister om [verzoeker] in het register te vermelden, bezwaar en beroep ingevolge de Awb opengestaan. Daaraan doet op zichzelf niet af dat [verzoeker] eerst op 3 of 4 juli 2007 van dat besluit kennis kreeg. Ik verwijs in dit verband naar de bepaling van art. 6:11 Awb. Waar [verzoeker] kennelijk niet (alsnog) tegen dat besluit is opgekomen, moet naar mijn mening in de onderhavige procedure als uitgangspunt dienen dat althans met het initiële verzoek van de rechter-commissaris aan de voorwaarden van de Paspoortwet was voldaan. (Ook) om die reden mist [verzoeker] belang bij zijn klachten in cassatie, voor zover die zijn gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring in zijn beroep tegen het verzoek van de rechter-commissaris van 29 november (of 1 december) 2005.

2.10 Op grond van het voorgaande moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep. Het is daarom ten overvloede dat ik de cassatiemiddelen van [verzoeker] niettemin bespreek.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 Het cassatierekest omvat een zestal middelen. Weliswaar mondt het cassatierekest uit in het verzoek "de bedoelde beslissingen te vernietigen en/of de zaak terug te verwijzen, althans en in ieder geval de teruggave van het paspoort te gelasten en/of de paspoortsignalering ongedaan te maken, kosten rechtens", maar blijkens de in de middelen vervatte klachten is het cassatieberoep onmiskenbaar tegen de beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2007 gericht.

3.2 Het eerste middel betoogt dat de bestreden beschikking onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd, omdat het feitelijk onjuist is dat [verzoeker] op 3 of 4 juli 2007 op Schiphol was om naar Zuid-Afrika te vertrekken; die reis stond gepland voor 13 juli 2007. Volgens het middel was [verzoeker] op 4 juli 2007 op Schiphol in verband met de aanvraag van een Privium-card. Bij die gelegenheid bleek van een uit 2005 daterend verzoek van de rechter-commissaris met betrekking tot het paspoort van [verzoeker]. Er is toen ook geen irisscan gemaakt. Volgens het middel is onduidelijk waarop de rechtbank dit alles baseert. Voorts wijst het middel erop dat [verzoeker] op 6 juli 2007 toestemming heeft gevraagd om voor familiebezoek naar Zuid-Afrika te reizen, op welk verzoek niet zou zijn beslist.

3.3 Alhoewel aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat uit de gedingstukken niet ondubbelzinnig blijkt dat hij voornemens was reeds op 3 of 4 juli 2007 naar Zuid-Afrika te vertrekken, kan in cassatie evenmin als uitgangspunt dienen dat zijn bezoek aan Schiphol op één van die data slechts met de aanvraag van een Privium Card (waarmee men de grens na een zogenaamde irisscan kan passeren, zonder controle van het paspoort) verband hield. Voor zover ik kan nagaan is in de feitelijke instanties de aanvraag van een Privium Card nimmer aan de orde geweest, zodat in zoverre van een ontoelaatbaar novum in cassatie sprake is. Overigens leid ik uit de op de website van Schiphol geplaatste informatie af dat de Privium Card onmiddellijk gereed is voor gebruik, zodat men, eventueel op dezelfde dag als waarop de kaart is afgegeven, gebruik makende van de Privium-faciliteit, van Schiphol kan vertrekken:

"Nadat u een bevestiging van uw lidmaatschap hebt ontvangen, maakt u een afspraak bij het Privium Service Point op Schiphol om uw irispatroon te laten fotograferen en deze vast te leggen op de chip van uw kaart. Deze afspraak duurt ongeveer 15 tot 20 minuten. U kunt ook direct binnenlopen bij het Privium Service Point. Houdt u er dan wel rekening mee dat reeds gemaakte afspraken voorgaan en dat het in dit geval circa 30 minuten zal duren. Uw Privium Card is direct klaar voor gebruik."

3.4 Belangrijker nog dan het voorgaande is dat de rechtbank vooral van belang heeft geacht dat [verzoeker] voornemens was naar Zuid-Afrika te vertrekken (of dat vertrek nu op 3 of 4, dan wel op 13 juli 2007 was gepland), kennelijk zonder dit aan de curatoren en de rechter-commissaris te melden, laat staan de rechter-commissaris op grond van art. 91 Fw daarvoor toestemming te vragen (rov. 2.5, eerste volzin). In dit verband kan ook worden verwezen naar het proces-verbaal van de zitting van 18 juli 2007, waaruit blijkt dat namens curatoren is opgemerkt dat "(z)onder de curatoren in te lichten naar Zuid-Afrika vertrekken (...) schending van artikel 91 Fw. (zou) zijn" (p. 1). [Verzoeker] heeft (zonder een concrete vertrekdatum te noemen) ter zitting erkend dat hij voornemens was naar Zuid-Afrika te gaan (proces-verbaal, p. 2), maar heeft tegen de geciteerde stelling van curatoren niet ingebracht dat hij van plan was zulks nog tijdig aan de curatoren en de rechter-commissaris te melden en de rechter-commissaris daarvoor toestemming te vragen. Dat, zoals het middel stelt, [verzoeker] de rechter-commissaris op 6 juli 2007 toestemming vroeg om voor familiebezoek naar Zuid-Afrika te reizen, vindt geen steun in de stukken. Weliswaar kan een dergelijk verzoek worden gelezen in de brief van [verzoeker] aan de rechter-commissaris van 4 juli 2007(12). Die brief, waarmee [verzoeker] op de inhouding van zijn paspoort reageerde, strekte echter vooral ertoe dat het paspoort hem zou worden teruggegeven en wijst er, aldus beschouwd, niet op dat [verzoeker], als de complicatie van de inhouding van het paspoort zich niet zou hebben voorgedaan, de curatoren en de rechter-commissaris zou hebben geïnformeerd en de rechter-commissaris tijdig om toestemming zou hebben gevraagd. Overigens heeft, anders dan het middel stelt, de rechter-commissaris (bij de bestreden beschikking van 6 juli 2007) wel degelijk op de brief van 4 juli 2007 beslist.

Dat, zoals het middel stelt, op 3 of 4 juli 2007 op Schiphol van [verzoeker] evenmin een irisscan is gemaakt, is ten slotte in strijd hetgeen [verzoeker] in zijn brief aan de rechter-commissaris van 4 juli 2007 heeft geschreven. In die brief heeft [verzoeker] immers geschreven dat hij "(...) gisteren (...) tijdens een Irisscan op Schiphol (ermee werd geconfronteerd) dat er sinds 2005 in uw opdracht er melding was gemaakt m.b.t. mijn paspoort."

Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.5 Het tweede middel betoogt dat, ook als de (enige) ratio van art. 91 Fw is, zoals de rechtbank in rov. 2.1, tweede volzin, heeft overwogen, dat de gefailleerde ter beschikking moet blijven om inlichtingen te verstrekken en er controle kan plaatsvinden ten aanzien van de vraag of hij activa aan de boedel onttrekt, zulks in het kader van de beoordeling van deze zaak niet relevant is. Immers, art. 19 Paspoortwet verwijst niet naar art. 91 Fw en/of [verzoeker] is niet in gebreke gebleven om inlichtingen te geven en/of verval van een paspoort belet op geen enkele wijze vertrek door de gefailleerde uit zijn woonplaats, zeker niet na invoering van de identiteitskaart, waarover ook [verzoeker] beschikt en die niet kan worden ingenomen. Bovendien heeft [verzoeker] door overlegging van documenten aangetoond dat hij lange tijd (ook tijdens het uitspreken van het faillissement) in het buitenland verbleef en woonde; hij is, aldus nog steeds het middel, vrijwillig naar Nederland teruggekeerd. Door op dit alles niet te reageren heeft de rechtbank onbegrijpelijk geoordeeld en/of haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.

Verder betoogt het middel dat de bestreden beschikking niet althans onvoldoende onderbouwt welk concreet vluchtgevaar in (december) 2005 bestond en/of nog steeds bestaat, terwijl de ratio van art. 19 Paspoortwet volgens rov. 2.2 het voorkomen van vluchtgevaar is. Het middel releveert dat de rechter-commissaris, noch de curator aan [verzoeker] heeft gevraagd diens paspoort in te leveren, dat [verzoeker] in de rechtbankprocedure heeft aangevoerd dat hij door terug te keren naar Nederland juist heeft bewezen niet te willen vluchten en, ten slotte, dat met een identiteitskaart (waarover [verzoeker] beschikt en die niet kan worden ingenomen) naar heel veel landen kan worden gereisd, zodat inname van een paspoort vluchten van de gefailleerde niet kan voorkomen, terwijl een dergelijke maatregel wel een beperking van één of meer grondrechten vormt.

3.6 Bij de behandeling van het middel stel ik voorop dat de gefailleerde op grond van art. 105 Fw gehouden is voor de rechter-commissaris, de curator of de commissie uit de schuldeisers te verschijnen en deze alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen (vergelijk art. 116 Fw voor de inlichtingenplicht van de gefailleerde op de verificatievergadering). Ingevolge art. 90 lid 1 Fw is de gefailleerde voorts gehouden aanwezig te zijn in alle gevallen waarin zijn tegenwoordigheid bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, de boedel betreffende, wordt vereist(13). Om te voorkomen dat de gefailleerde zich aan zijn verplichtingen uit het faillissement onttrekt door naar elders te vertrekken, zonder zich verder aan de boedel gelegen te laten liggen, geldt de vrijheidsbeperkende regel van art. 91 Fw(14). Op grond van deze bepaling is het de gefailleerde gedurende het faillissement niet toegestaan zonder toestemming van de rechter-commissaris zijn woonplaats (en het land) te verlaten. Deze vrijheidsbeperkende regel geldt zowel voor gefailleerde natuurlijke personen als voor bestuurders van een gefailleerde rechtspersoon (art. 106 Fw)(15). Vergelijk ook rov. 2.1, tweede volzin, van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank heeft overwogen dat de ratio van art. 91 Fw is "dat de gefailleerde ter beschikking moet blijven om inlichtingen te verstrekken en er controle kan plaatsvinden ten aanzien van de vraag of hij activa aan de boedel onttrekt."

3.7 Art. 19 Paspoortwet bepaalt dat de rechter-commissaris weigering of vervallenverklaring van een reisdocument kan verzoeken, indien de betrokken persoon in staat van faillissement verkeert dan wel op hem het bepaalde in art. 106 Fw (of een overeenkomstige regeling in de Nederlandse Antillen of Aruba) van toepassing is. In de praktijk blijkt van deze mogelijkheid in faillissementen slechts spaarzaam gebruik te worden gemaakt(16). Nu vaststaat dat [verzoeker] als natuurlijke persoon in staat van faillissement verkeert, kon de rechter-commissaris vervallenverklaring van het paspoort van [verzoeker] op grond van art. 19 Paspoortwet verzoeken. Ik zie niet in waarom, anders dan het middel betoogt, aan het voorgaande zou afdoen dat art. 19 Paspoortwet geen (uitdrukkelijke) verwijzing naar art. 91 Fw bevat. Daarbij komt dat blijkens de geschiedenis van totstandkoming van art. 19 Paspoortwet die bepaling wel degelijk met art. 91 Fw in verband moet worden gebracht:

"Dit artikel (art. 19 Paspoortwet, LK) (...) hangt samen met artikel 91 (en 106) van de Nederlandse faillissementswet (...), waarin is bepaald dat de gefailleerde gedurende het faillissement zonder toestemming van de rechter-commissaris zijn woonplaats niet mag verlaten. De rechter-commissaris kan op grond van het artikel de gefailleerde toestemming geven om zijn woonplaats te verlaten doch dat betekent nog niet dat betrokkene ook het land zou mogen verlaten. Het doel van artikel 19 is dat het de gefailleerde aan wie door de rechter-commissaris het verbod is opgelegd om de woonplaats of het land te verlaten, ook daadwerkelijk onmogelijk wordt gemaakt om het land te verlaten door hem een reisdocument te onthouden. De ratio hiervan is te voorkomen dat de gefailleerde zich onttrekt aan de faillissementsprocedure, of zelfs goederen of gelden onttrekt aan het faillissement."(17)

3.8 Voor het geval dat de door de rechtbank bedoelde ratio van art. 91 Fw geldt, betoogt het middel vervolgens tevergeefs dat [verzoeker] niet in gebreke is gebleven inlichtingen te geven. Het verzoek van de rechter-commissaris van 29 november 2005 tot opneming van de persoonsgegevens van [verzoeker] in het register paspoortsignaleringen, vermeldt als reden onder meer dat "[verzoeker] (zich) onttrekt (...) aan de informatieplicht die ingevolge artikel 105 van de Faillissementswet op hem rust." De verklaring van mr. Lachheb namens de curatoren ter zitting van 18 juli 2007 wijst erop dat [verzoeker] nog steeds niet aan zijn informatieplicht voldoet: "Curatoren hebben aangegeven dat [verzoeker] niet aan zijn informatieplicht voldoet. Hij werkt niet mee en hij solliciteert en spaart niet. Het actief is nul. Hij houdt zich nergens aan, zou zelfs strafbaar zijn op grond van artikel 194 Sr. Curatoren vrezen voor vluchtgevaar en denken dat [verzoeker] activa in het buitenland te gelde maakt of onderbrengt. (...) Ik bestrijd dat [verzoeker] zich houdt aan zijn inlichtingenplicht. Hij is daarvoor vorig jaar opgeroepen voor verhoor bij de rechter-commissaris en bovendien duurt het faillissement niet voor niets al jaren" (proces-verbaal, p. 1/2). Voor zover de rechtbank het verzaken van de informatieplicht door [verzoeker] aan haar beschikking ten grondslag zou hebben gelegd (vgl. de rov. 2.5-2.7), faalt de daartegen gerichte klacht dat zulks onbegrijpelijk is nu [verzoeker] niet in zijn inlichtingenplicht zou zijn tekortgeschoten. Dat geldt temeer nu de rechtbank haar (in rov. 2.7 vervatte) oordeel dat de bereidheid van [verzoeker] tot volledige en loyale medewerking aan gerede twijfel onderhevig is, aan het slot van rov. 2.7 heeft onderbouwd met de constatering "dat [verzoeker] bij brief van 2 juli 2007 aan de curator mr Van Oeijen laat weten geen enkele functie te vervullen en ook niet meer aan het werk te gaan, terwijl hij op 18 juli 2007 tijdens de behandeling van het onderhavige beroep aan de rechtbank meedeelt pro deo te werken als insolventieadviseur en binnenkort in Engeland in een dergelijke functie te zullen worden benoemd."

3.9 Wat betreft het door het middel aangevoerde argument van het ontbreken van (met inhouding van het paspoort effectief te bestrijden) vluchtgevaar stel ik voorop dat de rechtbank in rov. 2.1 (het middel noemt hier ten onrechte rov. 2.2) niet heeft overwogen dat het voorkomen van vluchtgevaar de ratio van art. 19 Paspoortwet is. De rechtbank heeft in rov. 2.1 vooral gesproken over de ratio van art. 91 Fw, die zij (mijns inziens terecht) heeft gezocht in de gewenste beschikbaarheid van de gefailleerde met het oog op de door hem te verlenen medewerking (in het bijzonder door het verstrekken van inlichtingen), alsmede in de gewenste controle, vooral met het oog op mogelijke onttrekkingen aan de boedel. Waar de rechtbank in rov. 2.1 vervolgens heeft gesproken van vluchtgevaar met het oog waarop de rechter-commissaris het paspoort van de gefailleerde kan (doen) innemen, heeft zij kennelijk niet meer bedoeld dan dat de gefailleerde zich niet door ongeoorloofd verblijf buitenslands aan die beschikbaarheid en die controle mag kunnen onttrekken. In zoverre sluit de beschikking van de rechtbank aan bij het verzoek van de rechter-commissaris van november/december 2005, waarin de term "vluchtgevaar" niet voorkomt en waarin de rechter-commissaris, naast een zich onttrekken door [verzoeker] aan zijn informatieplicht en een verondersteld verzwijgen van inkomsten voor de curator, slechts vermeldt dat "(d)aarnaast (...) [verzoeker] met enige regelmaat in het buitenland (verblijft)." Mede in het licht van de stellingen van curatoren, volgens welke zij "(...) vrezen voor vluchtgevaar en denken dat [verzoeker] activa in het buitenland te gelde maakt of onderbrengt", dat zij "(...) geen vertrouwen (hebben) in [verzoeker]" en dat "(h)et wantrouwen van de curatoren (...) weer gerechtvaardigd (blijkt) omdat hij op het punt stond om te vertrekken naar het buitenland"(18) en voorts gelet op het door [verzoeker] voorgenomen (en niet door de rechter-commissaris geautoriseerde) vertrek naar Zuid-Afrika waarvan naar aanleiding van het inhouden van het paspoort van [verzoeker] op Schiphol is gebleken, heeft de rechtbank, die overigens van oordeel was dat het "(...) hier om een gecompliceerde faillissementssituatie gaat, met een verwevenheid met meerdere eveneens in staat van faillissement verkerende entiteiten, en met mogelijk actief in het buitenland (Spanje), waarbij de bereidheid tot volledige en loyale medewerking van [verzoeker] als failliet en als bestuurder van de failliete rechtspersonen, aan gerede twijfel onderhevig is" (rov. 2.7, tweede volzin), kennelijk met het oog op de te verzekeren medewerking van [verzoeker] en de noodzakelijke controle, in rov. 2.6 geoordeeld dat "het oordeel van de rechter-commissaris (...) dat het verval van het recht op een paspoort (...) nodig was (...) nog steeds actueel is". Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

3.10 Voor zover het middel betoogt dat de inhouding van een paspoort, welke maatregel wel een beperking van één of meer grondrechten impliceert, het vluchten van een gefailleerde niet kan voorkomen nu ook met een identiteitskaart, waarover [verzoeker] beschikt en die niet kan worden ingenomen, naar veel landen kan worden gereisd(19), geldt het volgende. Art. 46a Paspoortwet bepaalt dat een Nederlandse identiteitskaart niet kan worden geweigerd of vervallen verklaard. De strekking hiervan is "(...) degenen die niet beschikken over een paspoort of rijbewijs, in staat te stellen aan hun verplichtingen te voldoen in de situaties waarin de wet het gebruik van een officieel identiteitsbewijs voorschrijft. Door (...) artikel 46a van de Paspoortwet wordt bereikt dat in geval van weigering van een paspoort (hetzelfde geldt mijns inziens voor de vervallenverklaring van een paspoort; LK) toch te allen tijde de (...) identiteitskaart voor betrokkene beschikbaar blijft."(20) Anders dan het middel stelt, heeft dit echter niet tot gevolg dat betrokkenen niet meer aan hun verplichtingen (bijvoorbeeld uit een faillissement) kunnen worden gehouden, omdat zij zonder veel moeite Nederland kunnen verlaten om zich binnen de EG te begeven en zo te trachten zich aan hun verplichtingen te onttrekken. Bij de parlementaire behandeling van de bepaling is erop gewezen dat betrokkenen die in het bezit zijn van een identiteitskaart binnen Europa ook weer beter traceerbaar zijn. Bovendien worden juist met het oog op het wegvallen van de personencontrole aan de binnengrenzen tussen lidstaten van de Europese Unie over potentiële samenwerking en onderlinge informatieverstrekking afspraken gemaakt. Voorts bestaan binnen Europa diverse verdragen en EG-verordeningen op grond waarvan betrokkenen tot nakoming van hun verplichtingen kunnen worden gedwongen; daarbij kan, in verband met de onderhavige zaak, naast de in de Kamerstukken(21) reeds genoemde verdragen, in het bijzonder worden gewezen op de per 31 mei 2002 in werking getreden Verordening (EG) Nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, Pb EG L 160 van 30 juni 2000, p. 1-18 (EG-Insolventieverordening). Dat met de introductie van de identiteitskaart een vacuüm zou zijn ontstaan, is dan ook niet juist. Bij dit alles komt dat de Nederlandse identiteitskaart slechts in een beperkt aantal landen geldig is, te weten de lidstaten van de Europese Unie, alsmede Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland(22). Voor reizen naar andere dan de hiervoor genoemde landen zal de gefailleerde moeten beschikken over een geldig paspoort. Dat inhouding en vervallenverklaring van een paspoort niet langer een effectief middel zouden zijn om te voorkomen dat een gefailleerde zich aan zijn verplichtingen onttrekt, kan dan ook niet worden aanvaard.

3.11 Het derde middel betoogt dat de rechtbank het in verdragen vastgelegde grondrecht van [verzoeker] om te reizen naar en van landen die hij verkiest, heeft geschonden, terwijl art. 19 Paspoortwet niet een voldoende in de nationale wet voorziene beperking inhoudt.

3.12 Allereerst betoogt het middel (derde alinea) dat ingevolge art. 19 Paspoortwet de bevoegdheid van de rechter-commissaris ten aanzien van gefailleerde natuurlijke personen op grond van de wettekst veel ruimer lijkt dan waar het gaat om bestuurders of commissarissen van gefailleerde rechtspersonen. Volgens het middel kan blijkens art. 106 Fw, waarnaar art. 19 Paspoortwet verwijst, een verzoek tot weigering of vervallenverklaring van een paspoort door de rechter-commissaris alleen worden gedaan als de bestuurders of commissarissen hun inlichtingenplicht schenden of handelen in strijd met de art. 87-91 Fw. Een zodanige beperking is in art. 19 Paspoortwet voor natuurlijke personen niet opgenomen. Ten aanzien van natuurlijke personen bepaalt art. 19 Paspoortwet slechts dat de rechter-commissaris een verzoek tot weigering of vervallenverklaring van het paspoort kan doen "indien de betrokken persoon in staat van faillissement verkeert". Volgens het middel betekent dit, dat ook een in staat van faillissement verkerende natuurlijke persoon die zijn inlichtingenplicht stipt nakomt en verder geen enkele verplichting schendt die bij of krachtens de Faillissementswet op hem rust, naar de letter van art. 19 Fw met een verzoek van de rechter-commissaris tot weigering of vervallenverklaring van zijn paspoort kan worden geconfronteerd.

3.13 Het middel suggereert dat de voor bestuurders en commissarissen van gefailleerde vennootschappen geldende wettelijke regeling ter zake van weigering en vervallenverklaring van reisdocumenten van de voor gefailleerde natuurlijke personen geldende regeling zou verschillen, en wel in die zin dat de wet weigering en vervallenverklaring slechts met betrekking tot bestuurders en commissarissen van de niet-nakoming van welbepaalde, uit de Faillissementswet voortvloeiende verplichtingen afhankelijk zou stellen. Die suggestie is onjuist. Weliswaar verwijst art. 19 Paspoortwet naar art. 106 Fw ("indien de betrokken persoon in staat van faillissement verkeert dan wel op hem het bepaalde in artikel 106 van de Faillissementswet (...) van toepassing is"), maar die verwijzing heeft geen andere betekenis dan de bestuurders en commissarissen van gefailleerde vennootschappen (op wie art. 106 Fw in algemene zin de art. 87-91 en/of 105 Fw van toepassing verklaart) aan te duiden.

Voorts is onjuist dat, zoals het middel eveneens suggereert, art. 19 Paspoortwet ten aanzien van gefailleerde natuurlijke personen tot een volstrekt willekeurige weigering of vervallenverklaring van het paspoort zou kunnen leiden. Nog daargelaten dat de door het middel bedoelde situatie (te weten die van een gefailleerde die zijn inlichtingenplicht nakomt en verder geen enkele ingevolge de Faillissementswet op hem rustende verplichting schendt) zich volgens de vaststellingen van de rechtbank in het onderhavige geval niet voordoet, hangt art. 19 Paspoortwet, zoals eerder opgemerkt, zowel ten aanzien van gefailleerde natuurlijke personen als ten aanzien van bestuurders van gefailleerde rechtspersonen(23) nauw samen met art. 91 Fw, waarin is bepaald dat de gefailleerde gedurende het faillissement zijn woonplaats (en het land) niet zonder toestemming van de rechter-commissaris mag verlaten. Art. 19 Paspoortwet zorgt ervoor dat de vrijheidsbeperkende maatregel van art. 91 Fw in de praktijk ook effectief is:

"Het doel van artikel 19 is dat het de gefailleerde aan wie door de rechter-commissaris het verbod is opgelegd om de woonplaats of het land te verlaten, ook daadwerkelijk onmogelijk wordt gemaakt om het land te verlaten door hem een reisdocument te onthouden. De ratio hiervan is te voorkomen dat de gefailleerde zich onttrekt aan de faillissementsprocedure, of zelfs goederen of gelden onttrekt aan het faillissement."(24)

Een verzoek van de rechter-commissaris tot weigering of vervallenverklaring zal minst genomen moeten correleren met een voor de gefailleerde geldend verbod het land te verlaten, terwijl er voorts althans enige aanleiding zal moeten zijn de naleving van dat verbod door de gefailleerde zeker te stellen. Overigens leidt een dergelijk verzoek niet zonder meer tot inhouding en vervallenverklaring van het paspoort. De minister zal het verzoek moeten toetsen alvorens dit tot een paspoortsignalering leidt, terwijl slechts de daartoe bevoegde autoriteit over de vervallenverklaring beslist; tegen de in dat traject te nemen besluiten staan bezwaar en beroep ingevolge de Awb open.

3.14 Voorts betoogt het middel (vierde alinea e.v.) dat art. 19 Paspoortwet niet in overeenstemming is met het in art. 12 lid 3 IVBPR en art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM neergelegde vereiste dat de beperking van het recht op bewegingsvrijheid van personen bij wet moet zijn voorzien. Aan die voorwaarde is pas inhoudelijk voldaan als de beperking van het grondrecht voldoende kenbaar is en de desbetreffende norm met voldoende precisie is geformuleerd, zodat de betrokkene zich daarnaar kan richten(25). Wat betreft bestuurders en commissarissen omschrijft art. 19 Paspoortwet volgens het middel voldoende duidelijk wat de norm is waaraan de betrokken bestuurder of commissaris zich moet houden. In art. 19 Paspoortwet wordt art. 106 Fw uitdrukkelijk genoemd, welke bepaling volgens het middel duidelijk maakt om welke verplichtingen het gaat. Naar het middel betoogt, ligt dat anders voor natuurlijke personen die in staat van faillissement verkeren, omdat art. 19 Paspoortwet voor deze categorie niet verwijst naar enige specifieke bepaling van de Faillissementswet, zelfs niet naar art. 105 Fw. Dit betekent dat art. 19 Paspoortwet voor natuurlijke personen die in staat van faillissement verkeren geen (duidelijke) norm bevat waaraan de failliet moet voldoen opdat hij niet het risico loopt dat de rechter-commissaris weigering of vervallenverklaring van zijn paspoort verzoekt. Aan dit een en ander verbindt het middel de conclusie dat voor natuurlijke personen die in staat van faillissement verkeren niet bij wet is voorzien in welk geval de bewegingsvrijheid kan worden beperkt.

3.15 Ook in zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden. Nog daargelaten dat het middel voortbouwt op een verondersteld maar in werkelijkheid niet bestaand verschil in de toepassingsvoorwaarden van art. 19 Paspoortwet voor gefailleerde natuurlijke personen enerzijds en bestuurders en commissarissen van een gefailleerde rechtspersoon anderzijds, geldt dat althans voor gefailleerde natuurlijke personen en de bestuurders van een gefailleerde rechtspersoon(26) de beperking op het bedoelde grondrecht niet voortvloeit uit art. 19 Paspoortwet, maar uit art. (106 jo) 91 Fw, dat de betrokkene verbiedt zijn woonplaats (en het land) zonder toestemming van de rechter-commissaris te verlaten. Art. 19 Paspoortwet strekt slechts ertoe het (wettelijk) verbod van art. 91 Fw (waarvan de verbindendheid niet door het middel ter discussie wordt gesteld) te effectueren. Overigens meen ik dat het voor een gefailleerde geldende wettelijke verbod om zijn woonplaats (en het land) zonder toestemming van de rechter-commissaris te verlaten en de daarmee samenhangende mogelijkheid van een verzoek van de rechter-commissaris tot weigering of vervallenverklaring, in hun onderling verband bezien, wel degelijk aan de voorwaarden van art. 12 lid 3 IVBPR en art. 2 lid 3 Vierde Protocol bij het EVRM voldoen.

3.16 Het vierde middel betoogt dat het beroep tegen de beslissing van december 2007 (kennelijk is bedoeld: december 2005) door de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Ook dat beroep had gegrond moeten worden verklaard op een van de in de andere middelen genoemde gronden. Het enkele feit dat [verzoeker] pas op 4 juli 2007 van die beslissing heeft kennisgenomen is - anders dan in HR 15 juli 1988, NJ 1989, 31, waarnaar de bestreden beschikking verwijst - niet een persoonlijke omstandigheid die [verzoeker] betreft. In genoemde zaak was de beslissing wel verzonden, maar (te) laat door de betrokkene afgehaald. In het onderhavige geval is de beslissing nimmer ter kennis gebracht van [verzoeker]; evenmin is daartoe een poging gedaan. Het arrest van 15 juli 1988 (in het middel, laatste pagina, ten onrechte aangehaald als het arrest van 15 juli 1989) maakt duidelijk dat "persoonlijke omstandigheden" de termijn van beroep niet kunnen oprekken. In het onderhavige geval bestaan andere dan persoonlijke omstandigheden. Er is (in 2005 en daarna) gehandeld in strijd met de norm dat van de rechter-commissaris mag worden gevergd dat hij erop toeziet dat zijn beschikking onverwijld ter kennis wordt gebracht van een hem bekende belanghebbende, aldus het middel(27).

3.17 Het middel kan niet tot cassatie leiden, omdat de rechtbank [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep tegen het verzoek van de rechter-commissaris van 29 november (of 1 december) 2005. Wat overigens zij van de door de rechtbank bedoelde overschrijding van de door art. 67 Fw gestelde termijn(28), een door de rechter-commissaris ingevolge art. 19 Paspoortwet gedaan verzoek kan niet gelden als een beschikking in de zin van art. 67 lid 1 Fw, dat wil zeggen als een beschikking op een verzoek dat voor behandeling en beslissing door de rechter-commissaris in aanmerking komt(29).

3.18 Het vijfde middel betoogt dat rov. 2.6, eerste volzin ("Dit een en ander bevestigt het oordeel van de rechter-commissaris van destijds dat het verval van het recht op een paspoort op de onder 1.1 vermelde gronden nodig was en tevens dat dit oordeel thans nog steeds actueel is.") onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd, omdat geen inzicht is of wordt gegeven in de gronden van de beslissing van (december) 2005. In ieder geval kan het volgens het middel niet gaan om feiten die na (december) 2005 zijn voorgevallen, terwijl de rechtbank door het gebruik van de woorden "een en ander" juist wel lijkt te doelen op het feitencomplex van na (december) 2005. Volgens het middel is de conclusie van de rechtbank dat het oordeel van de rechter-commissaris van december 2005 "nog steeds actueel is", tegen deze achtergrond onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, terwijl bovendien van het bestaan van een beslissing van december 2005 niet eens is gebleken.

3.19 Anders dan [verzoeker] kennelijk veronderstelt, strekt de bestreden volzin niet tot onderbouwing van het oordeel van de rechtbank over het verzoek van 29 november (of 1 december) 2005 (in het beroep tegen dat verzoek heeft de rechtbank [verzoeker] - terecht - niet-ontvankelijk verklaard, zodat de rechtbank over de merites van dat verzoek überhaupt niet meer behoefde te oordelen), maar tot motivering van haar oordeel over de beslissing van de rechter-commissaris van 6 juli 2007. Rov. 2.6 vervolgt immers met de volzin: "De beslissing van 6 juli 2007 van de rechter-commissaris is dus terecht genomen." Aan haar oordeel over de beslissing van 6 juli 2007 kon de rechtbank wel degelijk feiten die zich na het verzoek van de rechter-commissaris van november/december 2005 hadden voorgedaan, ten grondslag leggen. Die feiten bevestigden naar het oordeel van de rechtbank dat het verval van het recht op een paspoort, beoordeeld naar de situatie zoals die zich in juli/augustus 2007 voordeed, nodig was, en dat in die zin de door de rechter-commissaris in zijn (hiervóór onder 1.3 reeds geciteerde) verzoek van november/december 2005 vermelde gronden nog steeds opgeld deden. Dat [verzoeker] althans ten tijde van de behandeling van zijn hoger beroep geen inzicht zou hebben gehad in de bedoelde gronden, kan ten slotte niet worden aangenomen, nu dat verzoek onderdeel vormt van het door [verzoeker] in cassatie overgelegde procesdossier.

3.20 Het zesde middel keert zich tegen rov. 2.7, waarin de rechtbank onder meer heeft geoordeeld dat het feit dat het faillissement al jaren loopt nog niet meebrengt dat reeds daarom de reisbeperkende maatregel jegens [verzoeker] thans als disproportioneel moet worden beschouwd. Het middel betoogt dat de duur van de reisbeperkende maatregel wel een rol speelt, zeker nu het een grondrecht betreft. Verder betoogt het middel dat, gelet op hetgeen door [verzoeker] is aangevoerd, de rechtbank in rov. 2.7 onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het hier om een gecompliceerde faillissementsprocedure gaat. [Verzoeker] heeft aangevoerd dat de curatoren niets doen en dat de situatie allesbehalve ingewikkeld is. Evenmin wordt door de rechtbank uitgelegd met welke faillissementen van rechtspersonen, waarvan [verzoeker] bestuurder is, het faillissement van [verzoeker] te maken heeft. Zodanige faillissementen zijn er niet en dat geldt ook voor een mogelijk actief in het buitenland (Spanje).

3.21 Ook de klachten van het zesde middel falen, reeds omdat rov. 2.7 niet dragend is voor de beslissing van de rechtbank om het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 6 juli 2007 af te wijzen. Uit rov. 2.6, laatste volzin volgt dat de rechtbank het beroep van [verzoeker] reeds om de aldaar vermelde reden heeft afgewezen.

Ten overvloede merk ik nog op dat, anders dan het middel lijkt te suggereren, de rechtbank in rov. 2.7 niet heeft geoordeeld dat de duur van het faillissement bij een beslissing over (het opleggen en instandhouden van) een reisbeperkende maatregel van geen enkele betekenis is. De rechtbank heeft slechts erop gewezen dat het feit dat het faillissement van [verzoeker] al jaren loopt, nog niet meebrengt "dat reeds daarom de reisbeperkende maatregel jegens [verzoeker] thans als disproportioneel moet worden beschouwd" (onderstreping toegevoegd; LK). Voorts merk ik nog op dat de rechtbank, tegenover de stellingen van curatoren, de stellingen van [verzoeker] over het al dan niet gecompliceerd zijn van diens faillissement en over het al dan niet aanwezig zijn van actief in Spanje niet behoefde te laten prevaleren, en dat de rechtbank in rov. 2.7 kennelijk vooral van belang heeft geacht dat de bereidheid van [verzoeker] tot volledige en loyale medewerking aan gerede twijfel onderhevig is.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 augustus 2007, onder "1. Inleiding".

2 Rijkswet van 26 september 1991, Stb. 498, in werking getreden op 1 januari 1992 (Stb. 1991, 564), nadien gewijzigd.

3 Zie art. 4 jo 1 lid 1 onder v Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, Stcrt. 2001, 186 (nadien gewijzigd).

4 Kennelijk vermeldt rov. 1.1 van de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 augustus 2007 om die reden dat de rechter-commissaris in "december 2005" om vervallenverklaring van het recht op een paspoort heeft verzocht.

5 Zie middel 1.

6 Het verzoek is bij brief van 5 juli 2007 door de raadsman van [verzoeker] herhaald.

7 Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

8 De rechtbank verwijst hiervoor naar HR 15 juli 1988, NJ 1989, 31.

9 Tegen de beschikking van de rechtbank staat beroep in cassatie open; de termijn voor het instellen van cassatieberoep is het dubbele van de termijn die voor het hoger beroep is bepaald (art. 426 leden 1 en 2 Rv), in dit geval dus 10 dagen. Vgl. Losbladige Faillissementswet, art. 67, aant. 2-4 (F.M.J. Verstijlen).

10 In die zin ook Kamerstukken II 1999-2000, 26 977 (R1644), nr. 3, p. 17, hierna nog te citeren.

11 Kamerstukken II 1999-2000, 26 977 (R1644), nr. 3, p. 17.

12 Prod. 2 bij het beroepschrift.

13 Vgl. HR 23 december 1983, NJ 1985, 170, m.nt. G en EAA.

14 Polak-Wessels, deel IV (2001), par. 4338-4339. Vgl. Losbladige Faillissementswet, art. 91, aant. 1 (F.M.J. Verstijlen).

15 Volgens Polak-Pannevis, Faillissementsrecht (2005), p. 188, wordt aan art. 91 Fw in de praktijk niet streng de hand gehouden.

16 Zie Kamerstukken 2005/06, 29 942, nr. 7, p. 10: "Het invorderen van een paspoort in faillissementen wordt zelden toegepast en er lijkt dan ook weinig behoefte om die bevoegdheid tot schuldsaneringen uit te breiden." Vgl. echter Polak-Pannevis, Faillissementsrecht (2005), p. 188, waar erop wordt gewezen dat "bij on- en kwaadwillige gefailleerden het paspoort (wordt) ingenomen."

17 Kamerstukken II 1987/88, 20 393 (R 1343), nr. 3, p. 40 (MvT).

18 Proces-verbaal van de zitting van 18 juli 2007, p. 1/2.

19 Zie voor hetzelfde argument ook het derde middel, voorlaatste alinea.

20 Kamerstukken II 1992/93, 22 973 (R 1456), nr. 3, p. 4.

21 Kamerstukken II 1992/93, 22 973 (R 1456), nr. 3, p. 4/5.

22 Art. 10 lid 2 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, 7 september 2001, Stcrt. 2001, 186 (nadien gewijzigd).

23 De commissaris van een gefailleerde rechtspersoon neemt een enigszins afwijkende positie in, nu de bepaling van art. 91 Fw niet mede voor hem geldt en ingevolge art. 106 Fw op hem slechts art. 105, eerste lid, Fw van toepassing is.

24 Kamerstukken II 1987/88, 20 393 (R 1343), nr. 3, p. 40. Vgl. Rb. Roermond 19 juli 1984, NJ 1985, 588: "De Rb. overweegt tevens dat het risico dat de gefailleerde de verplichting als bedoeld in art. 91 Fw opzettelijk niet nakomt, vergroot kan worden door het feit dat de gefailleerde in het bezit blijft van zijn paspoort (...)."

25 Het middel wijst hiervoor op EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146, m.nt. E.A. Alkema en ArRvS 10 januari 1980, AB 1983, 306, m.nt. P.J. Boon.

26 Op de wat afwijkende positie van de commissaris, op wie art. 91 Fw niet van toepassing is, werd hiervóór (in voetnoot 23) al gewezen.

27 Het middel wijst hiervoor o.a. op HR 10 januari 1992, NJ 1992, 195.

28 Blijkens zijn beschikking van 10 januari 1992, NJ 1992, 195, laat de Hoge Raad geen ruimte voor de opvatting dat die termijn eerst zou aanvangen op de dag waarop betrokkene van de beschikking heeft kennisgenomen, althans redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen. In het licht van HR 28 november 2003, NJ 2005, 465, m.nt. DA, moet daarop echter een uitzondering worden aanvaard, ingeval degene die beroep instelt, ten gevolge van een door de rechter-commissaris (of de griffie) begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs niet kon weten dat de rechter-commissaris een beschikking had gegeven en de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep is toegezonden of verstrekt. Mijns inziens is minst genomen voor discussie vatbaar of de rechter-commissaris was gehouden [verzoeker] van zijn verzoek in kennis te stellen en of, aldus beschouwd, van een fout of verzuim sprake was. Voorts rijst de vraag of het beroep van [verzoeker] is ingesteld binnen de door de Hoge Raad in de beschikking van 28 november 2003 gestelde termijn ("In een zodanig geval moet de beroepstermijn verlengd worden met een termijn van veertien dagen - of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn - na de dag van verstrekking of verzending van de beschikking"). Als [verzoeker] op 4 juli 2007 met het verzoek bekend zou zijn geworden, zou indiening van het beroepschrift op 10 juli 2007 (zie de aanhef van de bestreden beschikking) ook in het licht van HR 28 november 2003, NJ 2005, 465, m.nt. DA, te laat zijn.

29 Vgl. HR 20 februari 2004, NJ 2004, 253, in het bijzonder rov. 3.2.