Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BD0509

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
C06/336HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD0509
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Wissel- en chequerecht; verhouding tussen wisselovereenkomst en onderliggende rechtsverhouding; betalingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/204 met annotatie van mr. J.M. Blanco Fernández
JOL 2008, 360
NJ 2008, 261
RvdW 2008, 484
NJB 2008, 1080
JOR 2008/204 met annotatie van mr. J.M. Blanco Fernández

Conclusie

Rolnr. C06/336HR

mr. L. Timmerman

Zitting 8 februari 2008

Conclusie inzake:

de rechtspersoon naar Frans recht Société Moderne de Textiles Somotex S.A. (hierna: Somotex)

Eiseres tot cassatie

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wiener International SI B.V. (hierna: Wiener)

Verweerster in cassatie

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1. Somotex heeft in februari /maart 1991 van Wiener gekocht Trilobal sportpakken voor een totaalbedrag van NLG. 1.130.839,--. Op deze overeenkomst zijn Nederlands recht en de algemene voorwaarden van Wiener van toepassing die onder meer inhouden dat betaald moet worden ten laatste 90 dagen na factuurdatum. Met betrekking tot deze overeenkomst heeft Wiener zeven facturen gestuurd naar Somotex. Deze laatste heeft daarop in totaal NLG. 1.117.323,-- betaald via wissels die vervaldata hadden die na de betalingstermijn van de desbetreffende facturen lagen.

1.2 In het onderhavige geding heeft Wiener onder meer een bedrag van NLG. 21.043,-- gevorderd aan rente wegens te late betaling van de bovengenoemde facturen door Somotex. Daarnaast heeft Wiener ontbinding van de overeenkomsten met Somotex gevorderd en schadevergoeding voor verschillende schadeposten. De rechtbank te Maastricht heeft bij vonnis van 23 september 1999 de rentevordering van Wiener afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Wiener haar recht op de vordering van rente wegens te late betaling van de facturen verwerkt omdat zij niet meteen bezwaar heeft gemaakt tegen de in de wissels aangegeven vervaldata (rov. 3.13).

1.3 Wiener heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 september 1999. Wiener heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat Somotex haar rente verschuldigd is omdat de in het geding zijnde facturen pas betaald zijn door Somotex nadat de overeengekomen betalingstermijn van 90 dagen na factuurdatum verstreken was. Somotex heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat Wiener met betrekking tot de desbetreffende facturen wissels heeft genomen(2) met daarop een vervaldatum van na de 90-dagen termijn zodat hiermee de overeengekomen betalingstermijn buiten toepassing is gesteld. Subsidiair heeft Somotex zich op het standpunt gesteld dat zij slechts rente verschuldigd is tot de vervaldag van de wissels omdat het in de macht van Wiener lag op die dag betaling te verkrijgen door de wissels bij de bank aan te bieden. Het hof heeft (in het tussenarrest van 2 april 2002) de primaire stelling van Somotex verworpen omdat, naar het oordeel van het hof, het enkele feit van het nemen van wissels met vervaldata van na de overeengekomen betalingstermijn onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat de overeengekomen betalingstermijn buiten toepassing is gesteld. De subsidiaire stelling van Somotex heeft het hof gehonoreerd omdat, zo overwoog het hof, de betaling op of na de vervaldag van de wissels volledig in de macht van Wiener lag, zodat de vertraging in de betaling van na de vervaldag niet het gevolg is van een tekortkoming die aan Somotex kan worden toegerekend (rov. 4.6).

1.4 Somotex heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen het oordeel van het hof in rov. 4.6 van het tussenarrest van 2 april 2002.(3)

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel richt zich met zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.6 van het bestreden tussenarrest) dat het enkele feit van het nemen van wissels met een vervaldatum van na de overeengekomen betalingstermijn onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat de overeengekomen betalingstermijn buiten toepassing is gesteld. Betoogd wordt dat deze overweging van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat, behoudens bijzondere omstandigheden die het hof niet heeft genoemd, geldt dat de schuldeiser, na de acceptatie van een wissel de onderliggende verbintenis voor de vervaldag van deze wissel niet kan vorderen (verwezen wordt naar HR 16 januari 1903, W 7869(4)). Het onderdeel betoogt dat dit impliceert dat geen rente verschuldigd is over de periode voor de vervaldag van de wissel en het hof ten onrechte deze rente verschuldigd heeft geacht. Verder betoogt het onderdeel dat voor zover het hof in rov. 4.6 wel van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, dit oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is.

2.2 Naar mijn mening missen de klachten in het cassatiemiddel feitelijke grondslag voor zover het middel betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 4.6 miskent dat na het nemen van een wissel de opeisbaarheid van een vordering wordt geschorst tot de vervaldatum van de wissel. Naar mijn mening kan uit de overweging van het hof: "dat het enkele feit van acceptatie van wissels met een vervaldatum van na de overeengekomen betalingstermijn onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat de overeengekomen betalingstermijn buiten toepassing is gesteld " niet opgemaakt worden dat het hof heeft miskend dat het nemen van de wissel de opeisbaarheid van de vordering tot betaling van de koopprijs schorst tot de vervaldatum van de wissel.

2.3 Uit deze overweging is naar mijn mening slechts op te maken dat het hof van oordeel is dat ondanks de (van rechtswege) schorsende werking ten aanzien van de opeisbaarheid van de vordering tot betaling van de koopsom die uitgaat van het nemen van de wissel, dit feit alleen onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat partijen hiermee ook zijn overeengekomen dat de contractuele betalingstermijn buiten toepassing is gesteld met als gevolg dat Somotex tot aan de vervaldatum van de wissels (van rechtswege) ook geen contractuele rente verschuldigd zou zijn over de verlate betaling van de koopsom.

2.4 Door het nemen van de wissel is een betalingsovereenkomst tot stand gekomen tussen partijen, dit is echter slechts een hulpovereenkomst die afhankelijk is van de onderliggende rechtsverhouding en voortbouwt op deze rechtsverhouding. De onderliggende rechtsverhouding, in casu de koopovereenkomst met daarin de overeengekomen betalingstermijn, wordt niet van rechtswege vervangen door de nieuwe betalingsovereenkomst maar slechts aangevuld met een door partijen overeengekomen nadere betalingsregeling (de wissels)(5). Hoewel door de betalingsovereenkomst een nieuwe verbintenis (ten aanzien van de wissels) ontstaat gaat hiermee de oorspronkelijke verbintenis niet van rechtswege teniet. Uit het arrest van de Hoge Raad waar het cassatiemiddel naar verwijst (HR 16 januari 1903, W7869) is op te maken dat het nemen van de wissel de opeisbaarheid van de vordering tot betaling van de koopsom schorst zodat de koper niet tweemaal aangesproken kan worden voor hetzelfde bedrag, uit het arrest is niet op te maken dat de contractuele betalingstermijn ook wordt geschorst in het kader van eventuele verschuldigde rente. De door partijen in de koopovereenkomst van februari/maart 1991 overeengekomen betalingstermijn blijft daarom van toepassing en bij overschrijding van deze termijn is Somotex rente verschuldigd aan Wiener. Zonder nadere afspraken tussen partijen vervangt de vervaldatum van de wissels immers niet zonder meer de door partijen overeengekomen betalingstermijn. Het hof heeft dan ook in rov. 4.6 terecht overwogen dat het nemen van de wissels door Wiener op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de door partijen overeengekomen betalingstermijn buiten toepassing is gesteld. Indien partijen ten tijde van het tot stand komen van de nadere betalingsregeling (door middel van het afgeven van de wissel) de bedoeling hadden om ook de contractuele betalingstermijn te schorsen zodat Somotex geen rente verschuldigd zou zijn aan Wiener voor de vervaldatum van de wissels dan hadden zij hierover (naar het oordeel van het hof) nadere afspraken dienen te maken. Naar mijn mening getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.5 Aan het bovenstaande oordeel van het hof doet niet af dat door het nemen van de wissels de opeisbaarheid van de vordering tot betaling van de koopsom van rechtswege is geschorst tot de vervaldatum van de wissels. Het nemen van de wissels heeft immers niet tot gevolg dat, in het kader van de verschuldigde rente, de contractuele betalingstermijn wordt geschorst of buiten toepassing wordt gesteld. Voorzover het cassatiemiddel uitgaat van de veronderstelling dat Somotex geen (wettelijke) rente verschuldigd zou zijn in de periode voor de vervaldatum van de wissels omdat in deze periode de opeisbaarheid van de koopsom geschorst is en Somotex dus niet in verzuim kan zijn in het kader van art. 6:119 dan wel 6:119a BW mist het ook feitelijke grondslag. De contractuele betalingstermijn in de koopovereenkomst tussen partijen is een fatale termijn in de zin van art. 6:83 jo. 6:119a lid 1 BW zodat Somotex bij overschrijding van de betalingstermijn van rechtswege rente verschuldigd is aan Wiener tot aan het tijdstip van betaling ook al is zij niet in gebreke gesteld door Wiener. De schorsing van de opeisbaarheid van de onderliggende vordering uit de koopovereenkomst (de koopsom) gedurende de looptijd van de wissel doet dus niet af aan de verschuldigdheid van de contractuele rente over de periode tussen het verstrijken van de betalingstermijn en de vervaldatum van de wissel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zoals vastgesteld door het hof te den Bosch in rov. 4.1 van het arrest d.d. 2 april 2002.

2 Het hof spreekt over het accepteren van wissels. Ik meen dat juister is om gelet op wisselrechtelijke terminologie over het nemen van een wissel te spreken.

3 Het eindarrest in deze zaak is van 18 juli 2006 terwijl de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 18 oktober 2006.

4 In dit arrest was de Hoge Raad van oordeel dat door de uitgifte van een wissel de opeisbaarheid van een onderliggende vordering wordt geschorst.

5 Zie bijv. Asser-Hartkamp 4-I, 2004, nr. 518, Rank, 'Geld, geldschuld en betaling', Kluwer, 1996, p. 151 e.v. en Scheltema/ Meijer, 'Wissel- en chequerecht', Samsom HD Tjeenk Willink, 1993, p. 63 e.v.