Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC9944

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
R06/161HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC9944
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antillenzaak. Planschade; mogelijkheid tot veroordeling in de kosten van een door rechter gelast deskundigenonderzoek (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 447
RvdW 2008, 600
JWB 2008/265
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/161HR

mr. Keus

Zitting 18 april 2008

Conclusie inzake:

[Eiser], voor zichzelf en mede namens en ten behoeve van de naamloze vennootschappen:

(a) Land Acquisition & Development Company N.V.;

(b) New World Enterprises N.V.;

(c) Crown Jewel Realty N.V.;

(d) Caribbean Jewel Realty N.V.;

(e) Caribbean Crown Realty N.V.;

(f) Landhuis Rif Realty N.V.; en

(g) Reliant Realty N.V.

(hierna: [eiser])

eiser tot cassatie

tegen

het Eilandgebied Curaçao

(hierna: het Eilandgebied)

verweerder in cassatie

In deze Antilliaanse zaak, waarin [eiser] (mede) planschadevergoeding vordert, gaat het vooral om de vraag of een in hoger beroep ten laste van [eiser] uitgesproken proceskostenveroordeling, voor zover deze op de kosten van een door de rechter in eerste aanleg gelast deskundigenonderzoek tot vaststelling van het beweerdelijk door [eiser] ondervonden nadeel betrekking heeft, al dan niet stand houdt in het licht van de door het cassatiemiddel bedoelde regel dat de kosten van publieke taakuitoefening, zoals de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding, in beginsel niet ten laste van een individuele, bij die taak betrokken burger dienen te worden gebracht.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 In 1978 heeft [eiser] (c.q. Land Acquisition & Development Company N.V.) de plantage Rif St. Marie (hierna: de plantage), ter grootte van 645 ha, voor US$ 400.000,- gekocht. Zijn rechtsvoorgangster, WhitePost Development N.V., heeft eind jaren 60 in samenwerking met de Dienst Openbare Werken van het Eilandgebied een zogeheten masterplan opgesteld dat in de verkaveling van een deel van de plantage voorzag. Dat masterplan zelf is nooit door het bestuurscollege van het Eilandgebied (hierna: het BC) goedgekeurd, maar het BC heeft bij besluit van 24 maart 1972 wél het daarvan deel uitmakende verkavelingsplan Rif St. Marie (eerste fase) (hierna: het verkavelingsplan 1972) goedgekeurd. Die goedkeuring is afhankelijk gesteld van een aantal in het besluit vermelde voorwaarden. Aan het slot van het besluit, in voorwaarde 12, is vermeld dat indien niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, het plan moet worden geacht niet te zijn goedgekeurd. De Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting van het Eilandgebied (hierna: DROV) heeft [eiser] ten tijde van de koop van de plantage in 1978 door middel van de notaris laten weten dat het verkavelingsplan 1972 desgewenst nog zou kunnen worden aangepast. Ter zake van een door [eiser] gewenste verlegging van de geprojecteerde toegangsweg is het verkavelingsplan bij besluit van het BC van 3 april 1985 op dat punt gewijzigd. [Eiser] (c.q. Land Acquisition & Development Company N.V.) heeft in de periode van 1981 tot 1991 28 veelal aan zee gelegen kavels laten uitmeten en aan verschillende personen verkocht. Nadien heeft hij het merendeel van de plantage bij akte van 5 december 1991 in eigendom aan de in 1989 door hem opgerichte vennootschap Sea Shore Properties N.V. (hierna: Sea Shore) overgedragen.

1.2 Begin 1992 kwam [eiser] in contact met de Nederlandse vennootschap [A] B.V. (hierna: [A B.V.]). [A B.V.] bleek geïnteresseerd in de verdere ontwikkeling van de plantage en op 20 juli 1992 heeft zij een ontwikkelingsplan in de vorm van een "globale ideeënschets" namens Sea Shore aan het BC aangeboden. Kort daarop, op 22 juli 1992, werd het voorontwerp van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan, AB 1995 no. 36, (hierna: EOP) ter inzage gelegd. Daarin had het BC zijn voornemen kenbaar gemaakt de plantage tot conserveringsgebied te bestemmen.

1.3 In een aan [A B.V.] gerichte brief van 17 augustus 1992 heeft de DROV gerefereerd aan een bespreking ten kantore van de gedeputeerde Metry over het ontwikkelingsplan en om nadere informatie verzocht om de haalbaarheid ervan te kunnen onderzoeken, zulks in verband met een mogelijke wijziging van de voorgenomen bestemming van de plantage. De advocaat mr. Halley heeft bij brieven van 6 en 19 augustus 1992 namens [eiser] respectievelijk [A B.V.] bij het BC bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen bestemming van de plantage in het voorontwerp EOP.

1.4 In een aan [eiser] (c.q. Land Acquisition & Development Company N.V.) gerichte brief van 12 oktober 1992 refereert het BC aan de eerdere besprekingen en correspondentie over het alsnog uitvoeren van het verkavelingsplan 1972 en verklaart het ervan op de hoogte te zijn dat [A B.V.] een groot deel van de gronden van het verkavelingsplan 1972 van [eiser] wil kopen, alsmede een additioneel stuk grond dat deel uitmaakt van het in 1971 opgestelde - niet door het BC goedgekeurde - masterplan. Voorts houdt de brief in dat het BC [eiser] (dan wel zijn rechtsopvolgers) wil tegemoetkomen door hem tot uiterlijk 1 januari 1994 in de gelegenheid te stellen een aanvang te maken met de uitvoering van het verkavelingsplan 1972 en eerder genoemd additioneel stuk grond, overeenkomstig een nog door [eiser] of zijn rechtsopvolgers op te stellen "uitwerkingsplan", dat vooraf door het BC dient te worden vastgesteld. De uitvoering van het plan, zo vervolgt de brief, dient plaats te vinden volgens een vooraf door het BC goed te keuren "indikatief uitvoeringsschema" opdat het BC de wijze en de volgorde van de uitvoering "kan monitoren". De brief vermeldt ten slotte dat het gebied van Rif St. Marie (de plantage) "met uitzondering van de delen zoals aangegeven op de bijgevoegde tekening ADV nr. 92-132 in het voorontwerp EOP de bestemming conserveringsgebied zal behouden". Afgezien van een aan het BC gerichte brief van 13 oktober 1992 waarin [eiser] zijn ongenoegen erover uitspreekt dat aan de goedkeuring "allerlei voorwaarden" zijn verbonden, heeft [eiser] zich voor 1 januari 1994 niet meer expliciet jegens het BC uitgelaten over de gestelde voorwaarde dat voor die datum een aanvang moest zijn gemaakt met de uitvoering van het verkavelingsplan 1972, laat staan dat hij heeft uiteengezet wat zijn bezwaar daartegen precies was.

1.5 Op 8 mei 1993 hebben [eiser] en [A B.V.] een optieovereenkomst gesloten waarbij [A B.V.] een exclusieve koopoptie op de aandelen van [eiser] in Sea Shore verkreeg. Op 17 juni 1993 heeft [B] Architectuur (hierna: [B]) in reactie op de brief van het BC van 12 oktober 1992 namens Sea Shore een op 9 juni 1993 gedateerd masterplan voor de ontwikkeling van de plantage bij het BC ingediend, met vermelding van het tussen [eiser] en [A B.V.] gesloten optiecontract. In juni/juli 1993 heeft [A B.V.] zijn rechten uit de optieovereenkomst aan Rifview Resort N.V. (hierna: Rifview) overgedragen. Rifview heeft op 8 september 1993 het BC verzocht het op 17 juni 1993 ingediende plan goed te keuren. Inmiddels had Rifview aan [eiser] laten weten dat zij alleen belangstelling had voor de percelen van Sea Shore (meetbriefnummers) 223/93 en 672/93, met inbegrip van de percelen 280/94 en 281/94 (tezamen ongeveer 346 hectaren). De overige percelen (nummers 446/84 t/m 451/84, 414/87, 224/93, 225/93, 226/93, 299/93 en 599/93) moesten daarom vóór de uitoefening van het optierecht "uit Sea Shore Properties worden gehaald" aldus [eiser]. Die percelen zijn nadien overgedragen aan de verschillende aan [eiser] gelieerde vennootschappen die in dit geding naast [eiser] als procespartij optreden. Voor dit geding is niet relevant hoe de percelen precies over die vennootschappen zijn verdeeld.

1.6 Bij notariële akte van 4 mei 1994 heeft [eiser] ter uitvoering van voormelde optieovereenkomst 20 aandelen in Sea Shore aan Rifview overgedragen tegen betaling van NAF. 6.615.640,-. Daarbij heeft [eiser] zich verplicht gedurende een periode van twee jaren geen handel te zullen drijven in de percelen van het oorspronkelijke verkavelingsplan waarover hij de zeggenschap had behouden. In de optieovereenkomst van 8 mei 1993 was al een gelijksoortig beding opgenomen, zij het anders geformuleerd en voor een periode van drie jaren. Op 10 maart 1994 heeft het BC aan Rifview bericht goedkeuring te verlenen voor de ontwikkeling van het door [B] ingediende masterplan onder de voorwaarde dat met de daadwerkelijke uitvoering ervan voor 1 januari 1995 zou worden aangevangen.

1.7 Op 16 juni 1994 heeft Rifview een inrichtingsplan conform het op 10 maart 1994 door het BC goedgekeurde deel van het masterplan ter goedkeuring bij het BC ingediend. Bij besluit van 5 april 1995 heeft het BC aan Rifview bericht het ontwerp-plan Rif Sint Marie "Coral Estate" (hierna: ontwerpplan 1995) onder de in het besluit vermelde voorwaarden goed te keuren (hoewel Rifview inmiddels was omgedoopt tot Coral Estate (Rif St. Marie) N.V., is de betrokken vennootschap in het bestreden vonnis steeds als Rifview aangeduid). Bij voormelde brief is een beschrijving van het plan (no. ADV. 94-114) en een daarop betrekking hebbende inrichtingskaart gevoegd. De planbeschrijving vermeldt dat de belanghebbende het oorspronkelijke plan van 1972 niet meer als zodanig wenst uit te voeren en dat daarom een nieuw masterplan is opgesteld. De aan [eiser] toebehorende percelen (meetbriefnummers 226/93 en 565/90) maakten niet (meer) deel uit van het uiteindelijk door het BC goedgekeurde ontwerpplan.

1.8 Op 1 september 1994 heeft [eiser] voor zichzelf en voor de betrokken, met hem gelieerde vennootschappen bij het BC bezwaar gemaakt tegen het blijkens het ter inzage gelegde ontwerp EOP bestaande voornemen de onder zijn controle gebleven percelen van de plantage tot conserveringsgebied te bestemmen. Dat bezwaar is bij besluit van de eilandsraad van 25 augustus 1995 verworpen en het door [eiser] tegen dat besluit ingestelde beroep op de Gouverneur is bij Landsbesluit van 6 maart 1997 ongegrond verklaard. Op 23 mei 1997 is het EOP, onder meer waar het de plantage betreft, in werking getreden.

1.9 In een brief van [eiser] aan het BC van 26 april 1995 als ook in het aanvullend beroepschrift van [eiser] tegen het door het Eilandgebied op 25 augustus 1995 vastgestelde EOP maakt [eiser] ervan melding dat hem bij de overdracht van een deel van de plantage aan Rifview in 1994 een verbod is opgelegd om gedurende een periode van twee jaar, gerekend vanaf de datum van goedkeuring van het door Rifview in te dienen verkavelingsplan, het door hem behouden deel van de plantage te ontwikkelen of te verkopen. Volgens [eiser] was het hem daarom niet mogelijk aan de voorwaarden in de brief van 12 oktober 1992 tegemoet te komen.

1.10 Bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 25 september 2001, maar reeds op 21 september 2001 ingediend, heeft [eiser] het Eilandgebied in rechte betrokken. Na wijziging van eis heeft hij gevorderd dat het Gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao, (hierna: het Gerecht) het Eilandgebied op grond van onrechtmatige daad, althans op grond van art. 27 Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao (hierna: EROC), zal veroordelen:

- tot betaling aan [eiser] voor zich en mede namens en ten behoeve van de vennootschappen, in de kop van deze conclusie onder (a)-(g) genoemd, van een schadevergoeding van NAF. 15.694.025,-, althans een zodanig bedrag als het Gerecht in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met wettelijke rente;

- tot voldoening van alle aanslagen winst- en inkomstenbelasting die aan [eiser] en de genoemde vennootschappen in verband met de betaling van de gevorderde schadevergoeding zullen worden opgelegd/uitgereikt;

- een en ander met veroordeling van het Eilandgebied in de kosten van het geding.

[Eiser] heeft zijn vordering primair gebaseerd op de stelling dat het Eilandgebied onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door in het op 23 mei 1997 in werking getreden EOP zijn deel van de plantage tot conserveringsgebied (in plaats van tot stedelijk woon- en toeristisch gebied) te bestemmen. Volgens [eiser] heeft het Eilandgebied gehandeld in strijd met het Eerste Protocol van het EVRM, alsmede met de Landsverordening grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning, PB 1976 no. 195, en de EROC. Subsidiair heeft [eiser] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het Eilandgebied hem op grond van art. 27 EROC de door hem als gevolg van de bestemmingsvoorschriften geleden werkelijke schade die redelijkerwijs niet of niet geheel tot zijn last behoort te komen, dient te vergoeden.

Het Eilandgebied heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het heeft betwist dat het onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat het tot vergoeding van planschade zou zijn gehouden. In verband met dat laatste heeft het Eilandgebied onder meer aangevoerd dat [eiser] niet heeft voldaan aan het bepaalde in art. 28 EROC en dat de bestemming van een terrein tot conserveringsgebied een normaal maatschappelijk risico is, zodat de schade die [eiser] stelt als gevolg daarvan te hebben geleden (en waarvan de hoogte door het Eilandgebied is betwist) niet voor vergoeding in aanmerking komt.

1.11 Nadat bij tussenvonnis van 20 oktober 2003 een comparitie van partijen was gelast, welke comparitie op 17 december 2003 heeft plaatsgehad, heeft het Gerecht bij uitvoerig gemotiveerd tussenvonnis van 29 maart 2004 geoordeeld dat van onrechtmatig handelen van het Eilandgebied geen sprake is (rov. 5.14). Wel is naar het oordeel van het Gerecht sprake van een voor vergoeding in aanmerking komende waardevermindering van de gronden van [eiser] als gevolg van de bestemmingswijziging per 23 mei 1997 (rov. 5.15-5.19), over welke waardevermindering deskundigen zouden moeten rapporteren (rov. 5.20). Om met partijen te overleggen over de benoeming van de deskundigen, de aan hen te geven opdracht en de door hen te volgen werkwijze heeft het Gerecht een comparitie van partijen gelast, welke comparitie op 14 oktober 2004 (in de woorden van het tussenvonnis van 8 november 2004: ten dele virtueel) heeft plaatsgehad.

1.12 Bij tussenvonnis van 8 november 2004 heeft het Gerecht een drietal deskundigen benoemd en die deskundigen verzocht over te gaan tot vaststelling van de werkelijke schade die [eiser] als gevolg van de bestemmingswijziging per 23 mei 1997 heeft geleden.

1.13 Nadat de deskundigen op 10 juni 2005 hadden gerapporteerd, heeft het Gerecht bij eindvonnis van 28 november 2005 de vordering van [eiser] toegewezen tot het door de deskundigen vastgestelde bedrag van NAF. 1.013.915,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2001 tot de dag van voldoening. Voorts heeft het Gerecht het Eilandgebied bevolen aan de deskundigen te voldoen het bedrag van hun einddeclaratie ad NAF. 124.995,75, verminderd met het door het Eilandgebied reeds betaalde voorschot van NAF. 80.000,-, derhalve een bedrag van NAF. 44.995,75. Daartoe heeft het Gerecht in rov. 5 van het eindvonnis overwogen:

"(...) De kosten van de deskundigen komen voor rekening van het Eilandgebied, op de gronden als reeds in het vonnis van 8 november 2004 geformuleerd met betrekking tot het voorschot op de kosten. (...)"

De verwijzing naar het tussenvonnis van 8 november 2004 betreft de navolgende, daarin voorkomende rechtsoverweging:

"2.5. Uit het door [eiser] aangehaalde (recente) arrest van de Hoge Raad van 13 augustus 2004 (LJN AI0408, nr. 37.836) volgt onmiskenbaar dat de werkzaamheden ter vaststelling van de onderhavige planschade weliswaar rechtstreeks en in overheersende mate het individuele belang van de aanvrager, in casu [eiser], dienen, doch dat, nu een dergelijke schadevaststelling tevens betreft de publieke taakuitoefening van het Eilandgebied, er geen reden is om een uitzondering te maken op de regel dat de kosten van publieke taakuitoefening in beginsel niet ten laste van een individuele, bij die taak betrokken, burger kunnen worden gebracht. Waar dergelijke kosten derhalve in beginsel voor rekening van het Eilandgebied zullen moeten komen, ligt het voor de hand dat een voorschot op die kosten door dat zelfde Eilandgebied zal moeten worden betaald."

1.14 Bij een op 16 december 2005 ter griffie van het Gerecht ingediende akte is [eiser] bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het Hof) in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 28 november 2005. In een eveneens op 16 december 2005 ingekomen memorie van grieven heeft hij 14 grieven geformuleerd, welke grieven hij in een op 16 januari 2006 ter griffie van het Gerecht ingekomen aanvullende memorie van grieven met een vijftiende grief heeft aangevuld, en heeft hij geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 29 maart 2004, 8 november 2004 en 28 november 2005.

Zijnerzijds is het Eilandgebied bij een op 23 december 2005 ter griffie van het Gerecht ingediende akte bij het Hof in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 29 maart 2004 en het eindvonnis van 28 november 2005. In een op 23 januari 2006 ter griffie van het Gerecht ingekomen memorie van grieven heeft het Eilandgebied zeven grieven voorgesteld.

Partijen hebben de over en weer aangevoerde grieven gemotiveerd bestreden. Het Eilandgebied heeft daarbij incidenteel beroep tegen het eindvonnis ingesteld en nog een (achtste) grief aangevoerd. [Eiser] heeft van de door het Eilandgebied bestreden vonnissen (voorwaardelijk) incidenteel appel ingesteld, en voorts voeging van de beide appelzaken gevraagd. Ook in de over en weer ingestelde incidentele beroepen hebben partijen zich gemotiveerd verweerd.

Het Hof heeft de zaken gevoegd behandeld.

1.15 Bij vonnis van 22 augustus 2006 heeft het Hof de vonnissen van het Gerecht van 29 maart 2004, 8 november 2004 en 28 november 2005 vernietigd, de vordering van [eiser] alsnog afgewezen en [eiser] veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, met inbegrip van een bedrag van NAF. 124.995,75 ter zake van het door het Eilandgebied betaalde deskundigenrapport.

Evenals het Gerecht heeft het Hof de vordering van [eiser], voor zover gegrond op onrechtmatige daad, ongegrond geacht (rov. 5.12).

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat [eiser] de gestelde schade als gevolg van de bestemmingswijziging aan zichzelf heeft te wijten nu hij na de ontvangst van de brief van 12 oktober 1992 geen activiteiten heeft ontplooid ter zake van het uitvoeren dan wel uitwerken van het verkavelingsplan 1972, althans deze schade had kunnen voorkomen (rov. 5.13). Voorts heeft het Hof geoordeeld dat vóór de invoering van het EOP de door [eiser] behouden grond met het merendeel van het grondgebied van Curaçao gemeen had dat in beginsel elk soort gebruik mogelijk was. Onder die omstandigheden moet volgens het Hof worden aangenomen dat, evenals voor die andere gronden gold, de in het EOP opgenomen bestemming van de grond van [eiser] als conserveringsgebied een "normaal maatschappelijk risico" vormt, dat door de grondeigenaar in beginsel zelf moet worden gedragen. Naar het oordeel van het Hof is het Eilandgebied daarom niet gehouden enige planschadevergoeding aan [eiser] te betalen (rov. 5.14).

Met betrekking tot de voorziening in de kosten heeft het Hof in rov. 5.15 overwogen:

"(...) [Eiser] draagt als de in het ongelijk gestelde partij de op het geding in beide instanties gevallen kosten. Wat de kostenveroordeling in eerste aanleg betreft, gaat het Hof ervan uit dat het EGC (het Eilandgebied; LK) het nog resterende deel van de declaratie van de deskundigen heeft voldaan."

1.16 Bij cassatierekest, dat op 21 november 2006 (en dus tijdig) ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen, heeft [eiser] beroep in cassatie van het vonnis van het Hof van 22 augustus 2006 ingesteld. Het Eilandgebied heeft in cassatie geen verweer gevoerd. [Eiser] heeft van schriftelijke toelichting afgezien.

2. De door [eiser] vertegenwoordigde vennootschappen

Alvorens het cassatiemiddel te bespreken, wijs ik erop dat [eiser] in cassatie optreedt, "voor zichzelf en mede namens en ten behoeve van" de in de aanhef van het cassatierekest onder (a)-(g) genoemde naamloze vennootschappen. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is door [eiser] eenzelfde opzet gevolgd.

In eerste aanleg heeft het Eilandgebied bestreden dat de genoemde vennootschappen als separate eisers (materiële procespartijen) kunnen worden aangemerkt, waarbij het vraagtekens heeft geplaatst bij de door [eiser] overgelegde incasso- en procesvolmacht (zie rov. 4.1 van het tussenvonnis van 29 maart 2004). Het Gerecht is echter aan het desbetreffende verweer voorbijgegaan en heeft geoordeeld dat (ook) de genoemde vennootschappen als materiële eisers kunnen worden aangemerkt (rov. 5.1 van het tussenvonnis van 29 maart 2004).

In hoger beroep is de kwestie niet opnieuw aan de orde geweest. Het Hof heeft [eiser] en de door hem vertegenwoordigde vennootschappen als "oorspronkelijk eisers, thans appellanten in het door [eiser] ingestelde (principaal) appèl, geïntimeerden in zowel het door het EGC (het Eilandgebied; LK) ingestelde (principaal) appèl als in het door het EGC ingestelde incidenteel appèl, appellanten in het (voorwaardelijk) incidenteel appèl, tevens incidenteel verzoekers tot gevoegde behandeling" aangemerkt.

Bij die stand van zaken (en bij het ontbreken van een daarop gericht verweer van het Eilandgebied in cassatie) dient mijns inziens ervan te worden uitgegaan dat [eiser] naar behoren is gemachtigd de in het cassatierekest genoemde vennootschappen ook in cassatie te vertegenwoordigen. Daarbij wijs ik overigens op de tekst van de incasso- en procesvolmacht die als productie 1 bij de akte houdende overlegging producties en nadere uitlating van [eiser] van 13 november 2002 is overgelegd en die (onder d) onder meer inhoudt dat [eiser] door de verschillende vennootschappen wordt gemachtigd "om op eigen naam en/of mede namens en ten behoeve van Lastgevers de thans bij het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, onder AR nummer 1157/2002 (lees: 1157/2001; LK) aanhangige vordering tegen het Eilandgebied Curaçao in te stellen en te vervolgen, één en ander voor rekening en risico van Lastgevers en - zo nodig - deze vordering ook in hoger beroep of cassatie, eveneens voor rekening en risico van Lastgevers, te vervolgen."

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 [Eiser] heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel is gericht tegen de door Hof ten laste van [eiser] uitgesproken kostenveroordeling, die mede de kosten van het in eerste aanleg uitgebrachte deskundigenrapport omvat.

Het middel klaagt dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven, waar het heeft miskend dat de kosten van publieke taakuitoefening, zoals de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding, in beginsel niet ten laste van een individuele bij die taak betrokken burger dienen te worden gebracht. Daarvoor verwijst het middel naar HR 13 augustus 2004 (Jacobswoude), BR 2004, p. 871-875, m.nt. J.W. van Zundert. Voor het geval het Hof zulks niet zou hebben miskend, maar zou hebben bedoeld te beslissen dat in het gegeven geval een uitzondering op de in het genoemde arrest vervatte regel moet worden gemaakt, bestrijdt het middel het oordeel van het Hof als onvoldoende gemotiveerd.

Het middel wijst voorts op grief 13 van [eiser], gericht tegen rov. 2.5 van het tussenvonnis van het Gerecht van 8 november 2004, waarin het Gerecht (naar de letter en in afwijking van het genoemde arrest van de Hoge Raad) heeft overwogen dat de werkzaamheden ter vaststelling van planschade rechtstreeks en in overheersende mate het individuele belang van de aanvrager zouden dienen. Het Hof heeft de genoemde grief onbesproken gelaten, waartegen het middel een zelfstandige motiveringsklacht richt.

3.2 Het door het middel bedoelde arrest van de Hoge Raad betreft de vraag of een gemeentelijke legesverordening die mede voorziet in leges voor het in behandeling nemen van een verzoek om toekenning van planschadevergoeding (welke leges in geval van toekenning van een planschadevergoeding worden gerestitueerd), op art. 229 lid 1 onder b Gemeentewet kan steunen. Art. 229 Gemeentewet bepaalt:

"1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:

(...)

b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

(...).

2. Voor de toepassing van deze paragraaf en de eerste en vierde paragraaf van dit hoofdstuk worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen."

3.3 In de door de Hoge Raad besliste zaak spitste de discussie zich toe op het begrip "diensten", zoals vervat in art. 229 lid 1 onder b. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak herinnerde de Hoge Raad eraan dat "door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden als een dienst kunnen worden aangemerkt indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang" (rov. 3.2). Het in behandeling nemen van een verzoek om vergoeding van planschade kan volgens de Hoge Raad niet als een dienst in die zin worden gekwalificeerd:

"3.3. De redengeving van het hof voor zijn oordeel dat in dit geval sprake is van een dienst in deze zin, komt erop neer dat de door of vanwege het gemeentebestuur in verband met de aanvraag van belanghebbende te verrichten werkzaamheden niet de publieke taakuitoefening betreffen, maar erop gericht zijn te onderzoeken of er gronden zijn om aan belanghebbende de door hem verzochte schadevergoeding toe te kennen en aldus rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met het individualiseerbare belang van de aanvrager bij schadevergoeding.

3.4. Hoewel de werkzaamheden van een gemeentebestuur bij de beoordeling van een verzoek tot planschadevergoeding een individualiseerbaar belang betreffen, namelijk dat van de aanvrager, is dat belang niet overheersend. Voorop staat immers dat de gemeente bij het nemen van een besluit dat aanleiding kan geven tot planschadevergoeding - hierna ook: een besluit tot bestemmingswijziging - het algemene belang, te weten dat van de ruimtelijke ordening, behartigt en aldus haar publieke taak uitoefent, zodat het hier gaat om schade die een belanghebbende lijdt als rechtstreeks gevolg van de publieke taakuitoefening door de gemeente. Bij het nemen van een besluit tot bestemmingswijziging c.q. het daarop vooruitlopend verlenen van een vrijstelling, dient de gemeente de mogelijke gevolgen daarvan, waaronder het ontstaan van planschade, in haar afwegingen te betrekken; ook de kosten van het beoordelen of zich in een bepaald geval planschade voordoet, zijn zo'n gevolg. Dit is niet anders indien die beoordeling geschiedt op een daartoe strekkend verzoek van degene die stelt planschade te lijden. Derhalve gaat het bij de desbetreffende werkzaamheden rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang.

Opmerking verdient dat het bij planschade gaat om schade van de aanvrager die naar luid van art. 49 WRO "redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven" en derhalve volgens de wet in beginsel voor rekening van de overheid dient te komen. Met de beoordeling of en in hoeverre in een concreet geval uit deze rechtsregel voor de gemeente verplichtingen voortvloeien, is niet minder het belang van de gemeente gediend dan dat van de aanvrager. Er is dan ook geen reden om - op de grond dat de werkzaamheden van het gemeentebestuur bij de beoordeling van verzoeken tot planschadevergoeding rechtstreeks en in overheersende mate het individuele belang van de aanvrager zouden dienen - hier een uitzondering te maken op de regel dat de kosten van publieke taakuitoefening in beginsel niet ten laste van een individuele bij die taak betrokken burger kunnen worden gebracht.

3.5. Aan het vorenstaande doet niet af dat, naar het hof heeft overwogen, het sectorhoofd onweersproken heeft gesteld dat een primaire beoordeling van een aanvraag tot planschadevergoeding ongeveer f 7500 (exclusief omzetbelasting) kost, evenmin als het bestaan van een restitutiemogelijkheid van de betaalde leges ingeval planschadevergoeding wordt toegekend. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de gemeentelijke wetgever met deze legesheffing een drempel heeft willen opwerpen tegen het lichtvaardig indienen van aanvragen om toekenning van planschadevergoeding."

3.4 In het onderhavige geval gaat het niet om een (tot retributies voor daadwerkelijk aan de individuele burger verstrekte diensten beperkte) heffingsbevoegdheid van de overheid. Een heffingsbevoegdheid van de overheid (het Eilandgebied) en de wettelijke grondslag daarvoor zijn, anders dan in het door [eiser] ingeroepen arrest, in de onderhavige zaak überhaupt niet aan de orde. Aan de orde is slechts een op de wet (art. 60 RvNA) gebaseerde veroordeling van de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van haar wederpartij opgekomen proceskosten, met inbegrip van de kosten van het door de rechter in eerste aanleg gelaste deskundigenrapport (zie ook art. 61, aanhef en onder e, RvNA, dat als onderdeel van een veroordeling in de kosten uitdrukkelijk mede de kosten van deskundigen noemt). Al om die reden meen ik dat het middel het Hof ten onrechte verwijt van een onjuiste, van het genoemde arrest afwijkende rechtsopvatting te hebben blijk gegeven.

3.5 Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad in het genoemde arrest van een ruime gelding van "de regel dat de kosten van publieke taakuitoefening in beginsel niet ten laste van een individuele bij die taak betrokken burger kunnen worden gebracht" lijkt te zijn uitgegaan. Aan die regel, wat daarvan buiten de context van art. 229 lid 1 onder b Gemeentewet overigens zij, komt in elk geval niet de betekenis toe dat zij de wetgever zou binden, óók niet ter zake van in verband met aanvragen om planschadevergoeding te heffen rechten. Ik wijs erop dat art. 49 lid 3 van de (Nederlandse) Wet op de Ruimtelijke Ordening inmiddels (sedert de inwerkingtreding van de Wet van 8 juni 2005, Stb. 305, op 1 september 2005) in een van de aanvrager om vergoeding van planschade te heffen recht voorziet(2). A fortiori kan de regel niet in de weg staan aan (toepassing van) een andere wettelijke regeling die in een vergoeding van kosten voorziet, zoals die welke een door de rechter uit te spreken kostenveroordeling ten laste van de in het ongelijk gestelde partij mogelijk maakt.

3.6 Overigens kan in de context van het onderhavige geding bezwaarlijk worden volgehouden dat de op het deskundigenrapport betrekking hebbende proceskosten waarin [eiser] is veroordeeld, materieel aan kosten van een publieke taakuitoefening zoals door de Hoge Raad in het ingeroepen arrest bedoeld, kunnen worden gelijkgesteld.

[Eiser] heeft in het onderhavige geding primair ingezet op schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en subsidiair op vergoeding van planschade, dat laatste overigens zonder de daarvoor door de toepasselijke (Antilliaanse) regelgeving aangewezen weg te hebben bewandeld (zie in verband met dit laatste rov. 5.14 van het tussenvonnis van het Gerecht van 29 maart 2004: "Weliswaar is de in artikel 28 EROC genoemde procedure niet strikt gevolgd (er is door [eiser] en de vennootschappen bij het Bestuurscollege van het Eilandgebied niet zo spoedig mogelijk een verzoekschrift ingediend, zoals in de bepaling voorgeschreven) (...)"). Het Eilandgebied heeft beide grondslagen van de vordering van [eiser] bestreden, wat de vordering van planschadevergoeding betreft, (mede) op gronden die niet tot een nader onderzoek naar de omvang van de door [eiser] gestelde schade noopten. Het Gerecht heeft een nader onderzoek in verband met de tweede grondslag (planschadevergoeding) niettemin noodzakelijk geoordeeld, maar is daarin niet door het Hof bijgevallen. Met het (in zoverre door het middel niet bestreden) vonnis van het Hof is komen vast te staan dat, ongeacht de omvang van de door [eiser] gestelde schade, van een gehoudenheid van het Eilandgebied tot planschadevergoeding geen sprake is en dat daarom in werkelijkheid iedere noodzaak voor een (rechtstreeks in het publiek belang te verrichten) onderzoek naar de omvang van de gestelde schade ontbrak.

3.7 Het middel kan niet tot cassatie leiden, ook niet voor zover het over het passeren van grief 13 van [eiser] klaagt. Met die grief stelde [eiser] op zichzelf terecht aan de orde, dat het Gerecht, waar het kennelijk in overeenstemming met het genoemde arrest van de Hoge Raad wilde oordelen, in rov. 2.5 van het tussenvonnis van 8 november 2004 juist het tegengestelde van wat uit dat arrest voortvloeit, overwoog: anders dan het Gerecht overwoog, is met de vaststelling van een bepaalde planschade in de gedachtegang van de Hoge Raad het individuele belang van aanvrager juist niet in overheersende mate aan de orde (zie rov. 3.4, eerste volzin, van het genoemde arrest). Nog daargelaten of hier niet van een kennelijke verschrijving in het vonnis van het Gerecht sprake is, miste [eiser] bij zijn grief in elk geval belang, nu (i) het Gerecht de door de Hoge Raad bedoelde regel, ondanks een mogelijk misverstand over de gronden voor toepassing daarvan, daadwerkelijk heeft toegepast en (ii) het Hof kennelijk van oordeel was dat die regel, wat overigens van de gronden voor toepassing daarvan zij, niet aan een ten laste van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij uit te spreken kostenveroordeling in de weg kon staan, zodat de grief het Hof hoe dan ook niet tot een ander oordeel had kunnen leiden.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 4 van het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 22 augustus 2006, in samenhang met de (in hoger beroep goeddeels onbestreden) rov. 2.1-2.12 van het tussenvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 29 maart 2004.

2 Vgl. in dit verband ook het in het Voorontwerp van de Studiegroep Schadevergoeding bij rechtmatige en onrechtmatige overheidsdaad - mei 2007 in art. I onder A voorgestelde art. 4.5.3 Awb, op grond waarvan bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat van de aanvrager (van nadeelcompensatie) een recht kan worden geheven.