Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC9532

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
01754/07
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4219
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC9532
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 187d (oud) Sv. Het Hof heeft het verzoek van de verdediging om de R-C als getuige te doen horen kennelijk – en niet onbegrijpelijk – aldus opgevat, dat het ertoe strekte van de R-C te vernemen wat de betrokken getuigen tegenover hem hebben verklaard m.b.t. gegevens waaromtrent door hem ex art. 187d Sv was beslist dat deze niet ter kennis van de OvJ, verdachte en diens raadsman dienden te komen. Door inwilliging van dit verzoek zou die, aan de R-C voorbehouden, beslissing worden tenietgedaan. Daardoor zou het wettelijk stelsel van strafvorderlijke bevoegdheden op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. ’s Hofs oordeel, dat erop neerkomt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat i.c. voor het doen horen van de R-C als getuige in het wettelijk stelsel geen plaats is, is derhalve juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 491
NJ 2008, 361
RvdW 2008, 665
NJB 2008, 1457
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01754/07

Mr. Knigge

Zitting: 15 april 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 8 december 2006 voor 1. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod", 2a. "Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd", en 2b. "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. In het eerste middel wordt geklaagd over de afwijzing van het Hof om de Rechter-commissaris als getuige ter terechtzitting te horen.

5. De raadsman van verdachte heeft, nadat de Advocaat-Generaal bij het Hof de oproeping van deze bij schriftuur door de raadsman opgegeven getuige had geweigerd, hetzelfde verzoek aan het Hof gedaan. Hij heeft zijn verzoek volgens het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 24 november 2006 als volgt toegelicht, voor zover van belang:

"De rechter-commissaris heeft een beslissing ex artikel 187d van het wetboek van Strafvordering genomen. Toepassing van dit artikel komt mijns inziens niet vaak voor in de strafrechtspleging. Ik ben van mening dat uw hof als zittingsrechter moet weten wat er zich in deze zaak heeft afgespeeld. De start van het onderzoek in deze zaak is onhelder. Alleen de rechter-commissaris weet door zijn genomen beslissing ex artikel 187d van het Wetboek van Strafvordering exact wat er zich heeft afgespeeld. Zo draagt de rechter-commissaris kennis van de wijze waarop de inzet van peilbakens in deze zaak heeft plaatsgevonden. De verdediging wil hier ook graag kennis van nemen. Kortom, ik persisteer bij mijn verzoek. Indien de officier van justitie in zijn getuigenverklaring duidelijkheid verschaft over de start van het onderzoek dan ben ik natuurlijk bereid om mijn verzoek in te trekken."

6. Vervolgens is ter terechtzitting de officier van justitie als getuige gehoord. Na zijn verhoor, dat grotendeels over de start van het onderzoek en de peilbakens gaat, welke vragen deels niet door de officier van justitie zijn beantwoord met een beroep op het zwaarwegend opsporingsbelang - deelt de raadman van verdachte mede:

"U, voorzitter, vraagt of ik mijn verzoek handhaaf. Ik kan in deze zaak niets anders dan mijn verzoek tot het oproepen van de rechter-commissaris [betrokkene] als getuige handhaven."

7. Het Hof heeft het verzoek van de raadsman als volgt afgewezen:

"overwegende dat alvorens wordt getoetst aan de maatstaf voor het oproepen van de getuige de vraag aan de orde komt of dit verzoek een beslissing is waar het hof over kan oordelen;

Overwegende dat het horen van een rechter-commissaris, expliciet over diens genomen rechterlijke beslissing niet past in het gesloten stelsel van toedeling van bevoegdheden en rechtsmiddelen;

Overwegende dat het gerechtshof niet buiten het gesloten stelsel zal treden;

Wijst af het verzoek tot het horen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Breda."

8. Volgens de steller van het middel berust de opvatting van het Hof dat het Hof het verzoek niet hoeft te toetsen aan de maatstaf voor het oproepen van getuigen, van een onjuiste rechtsopvatting. Voor een deel gaat het bij die klacht om een kwestie van woorden. De toe te passen maatstaf is in casu of de verdachte door het niet oproepen van de rechter-commissaris als getuige redelijkerwijs in zijn verdediging wordt geschaad. Als het Hof gelijk heeft dat het horen van de rechter-commissaris niet past in het strafvorderlijke stelsel, dan staat daarmee ook vast dat de verdachte door het niet oproepen van deze getuige redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het heeft immers geen zin een getuige op te roepen die niet kan worden gehoord.

9. Dan nu de vraag of het Hof gelijk heeft. Ik merk allereerst op dat het uitsluiten van bepaalde "functionarissen" als getuige niet haaks staat op ons strafprocesrecht. Ik wijs in het bijzonder op de jurisprudentie inzake de officier van justitie als getuige. Het horen als getuige van een officier van justitie die in de strafzaak als procespartij is opgetreden, past volgens de Hoge Raad niet in het Nederlandse stelsel van Strafvordering.(1) Dat sluit de zittingsofficier als getuige uit, maar bijvoorbeeld ook de officier van justitie die een gerechtelijk vooronderzoek in de zaak vorderde.(2) Daar is in het Zwolsmanarrest(3) een uitzondering op gemaakt. In bijzondere gevallen kan de officier van justitie als getuige ter terechtzitting worden gehoord, als dit verhoor gericht is op hetgeen hij kan verklaren over hetgeen hij zelf heeft waargenomen of ondervonden tijdens het aan de vervolging voorafgaande opsporingsonderzoek.

10. In HR 12 november 1985, NJ 1986, 409 werd overwogen dat geen rechtsregel belet dat de rechter zijn bewezenverklaring mede doet steunen op een verklaring als getuige ter terechtzitting van de rechter-commissaris die het betrokken vooronderzoek heeft verricht. Dat lijkt te impliceren dat ook geen rechtsregel zich verzet tegen het horen van de rechter-commissaris ter terechtzitting als getuige.HR Dat het iets genuanceerder ligt, blijkt uit HR 18 mei 1999, NJ 2000, 108 m.nt. Schalken. In deze zaak had het Hof het verzoek om de rechters-commissarissen te horen afgewezen op de grond dat de verdediging de rechters-commissarissen verantwoording wilde doen laten afleggen van door hen genomen beslissingen, en niet over wat door hen is waargenomen of ondervonden. De Hoge Raad begreep daarbij het oordeel van het Hof aldus, dat voor het afleggen van een dergelijke verantwoording ter zitting in beginsel geen plaats is.(4)

11. Het Hof heeft overwogen dat de verdediging de rechter-commissaris wilde horen over diens genomen rechterlijke beslissing. Daartegen voert de steller van het middel aan dat in casu van een ter verantwoording roepen van de rechter-commissaris geen sprake was en dat de verdediging de rechter-commissaris juist wilde horen teneinde hem te doen verklaren omtrent hetgeen door hem is waargenomen en ondervonden. Inderdaad meen ik dat het verzoek om de rechter-commissaris als getuige te horen bezwaarlijk anders dan in deze zin kan worden verstaan. En dat is precies de reden waarom het Hof het verzoek slechts had kunnen afwijzen. Het ging er immers om dat de rechter-commissaris zou meedelen wat hij van de door hem gehoorde getuigen had vernomen tijdens een verhoor dat met toepassing van art. 187d Sv had plaatsgevonden. Door die mededeling zou hij zijn eigen beslissing - die meebracht dat wat deze getuigen verklaarden niet ter kennis van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman kwam - ontkrachten. Dat zou inderdaad het strafvorderlijke stelsel van bevoegdheden doorkruisen hetgeen meebrengt dat voor een verhoor van de rechter-commissaris dat daarop gericht is, in dat stelsel geen plaats is. Dat is kennelijk wat het Hof bedoelde tot uitdrukking te brengen. Zijn in deze zin verstane oordeel is juist.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel richt zich tegen de kwalificatie van het onder 2 tenlastegelegde. De steller van het middel is van oordeel dat deze kwalificatie niet voldoet aan de eisen. Hij beroept zich daarbij op de toelichtingen in Tekst en Commentaar. Achter de thans door het Hof onder 2a gegeven kwalificatie zou nog "strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie" moeten worden vermeld, en achter de gegeven kwalificatie van 2b zou nog moeten worden vermeld: "terwijl het feit wordt gepleegd met betrekking tot munitie van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie".

14. Met de kwalificatie geeft de rechter aan "welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert" (art. 350 Sv). Die kwalificatie dient op grond van art. 415 jo. 358 lid 2 Sv in het arrest te worden opgenomen. De vermelding van het wetsartikel waarbij het feit is strafbaar gesteld, behoort niet tot de kwalificatie. Daarvoor is art. 358 lid 4 Sv geschreven. In casu heeft het Hof art. 55 WWM als toepasselijk wetsartikel aangehaald. Daarmee is aan de eis der wet voldaan. Op de aanbevolen kwalificaties in Tekst en Commentaar kan dus in cassatie niet met vrucht een beroep worden gedaan.

15. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden.

16. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

17. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Na het instellen van het cassatieberoep op 18 december 2006 zal drie dagen na het nemen van deze conclusie meer dan zestien maanden(5) verstreken zijn. Daarmee is verdachtes recht op berechting binnen een redelijke termijn geschonden. Gelet op de hoogte en de aard van de opgelegde straf en gelet op de mate waarin de redelijke termijn is geschonden, dient dit te leiden tot strafvermindering. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 februari 1981, NJ 1981, 536 m.nt. Myer. Zie ook OM: de praktijk, getuigen in het strafproces 2005, 3e herziene druk, p.141 ev.

2 HR 9 oktober 1990, NJ 1991, 98.

3 HR 19 december 1995, NJ 1996, 249, rov. 12.3.

4 Rov. 3.3.

5 Het betreft hier een gedetineerde.