Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC9446

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
00778/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC9446
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Het Hof overweegt in de strafmotering onder verwijzing naar een Uittreksel Justitiële Documentatie dat verdachte eerder t.z.v. misdrijven “waaronder Opiumwetdelicten” is veroordeeld.. Op bedoeld Uittreksel is onder “Gegevens betreffende afgedane rechtbankzaken” geen veroordeling voor een Ow-delict opgenomen. De genoemde overweging van het Hof is daarom onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte niet onherroepelijk veroordeeld was voor Ow-delicten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 311
RvdW 2008, 471

Conclusie

Nr. 00778/07

Mr. Bleichrodt

Zitting 19 februari 2008

(bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte op 12 december 2005 ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. subsidiair "medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden.

2. Mr. R.I. Takens, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2 Namens de verdachte is op 14 december 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn, blijkens de daarop geplaatste stempel, pas op 8 maart 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn, die immers niet meer dan acht maanden mag bedragen(1), met bijna zeven maanden is overschrede.

Compensatie door een voortvarende behandeling is niet meer mogelijk. Daarbij komt nog dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dus terecht voorgesteld.

De schending van de redelijke termijn moet leiden tot strafvermindering.

Om de overschrijding van de redelijke termijn nog zoveel mogelijk te beperken wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.

3.3 Voorzover de steller van het middel aanvoert dat het in de rede ligt om de zaak - gelet op de in de cassatiefase ontstane vertraging - voor wat betreft de strafoplegging terug te wijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, merk ik het volgende op. Gelet op art. 6, eerste lid, EVRM dient de berechting van een verdachte plaats te vinden binnen een redelijke termijn. Achterliggende gedachte daarbij is dat moet worden voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is moet leven onder de dreiging van een strafvervolging of - na het instellen van een rechtsmiddel - de voortzetting van de vervolging. Ik kan, gelet daarop, dit verzoek tot verwijzing of terugwijzing van de zaak in plaats van een afdoening door de Hoge Raad niet goed rijmen met de cassatieklacht met betrekking tot de redelijke termijn. Immers door een zodanige beslissing zou de onzekerheid waaronder de verdachte geacht moet worden te hebben geleden en te lijden en in verband waarmee in het middel een beroep is gedaan op de schending van de redelijke termijn, nog langer duren.

Mits de zaak niet op andere gronden wordt verwezen dan wel teruggewezen, pleegt de Hoge Raad aan hand van de mate van de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase zelf de mate van strafvermindering te bepalen.(2) Ik zie geen grond om hier een andere koers te varen.

4.1 Het tweede middel richt zich tegen de strafmotivering. In de toelichting wordt daartoe aangevoerd dat de strafoplegging niet in stand kan blijven, nu het Hof bij de bepaling van de op te leggen straf ten nadele van verdachte rekening heeft gehouden met feiten (Opiumwetdelicten) ter zake waarvan de verdachte nog niet onherroepelijk was veroordeeld,

4.2 Het Hof heeft aan verdachte de onder 1 vermelde straf opgelegd. Die strafoplegging heeft het als volgt gemotiveerd:

"De politierechter in de rechtbank te Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door te handelen als bewezengeacht heeft de verdachte uit louter winstbejag gehandeld in strijd met de Opiumwet.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 oktober 2005 is verdachte eerder ter zake van misdrijven, waaronder Opiumwetdelicten, veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden."

4.3 Bedoeld uittreksel uit het justitieel documentatieregister bevindt zich bij de stukken van het geding. Dit uittreksel vermeldt onder het hoofd "Gegevens betreffende afgedane rechtbankzaken" geen onherroepelijk geworden veroordeling betreffende Opiumwetdelicten. Dit uittreksel houdt weliswaar in dat verdachte, behalve voor de onderhavige feiten die zijn gepleegd in de periode van 1 november 2003 tot 11 mei 2004, óók strafrechtelijk werd vervolgd voor een op 5 december 2001 aangetroffen hennepplantage, maar uit dit stuk kan niet volgen dat verdachte op het moment van wijzen van het bestreden arrest voor dat feit al was berecht.

De stand van zaken betreffende bedoelde strafzaak (met parketnummer 15-050868-01) is wel ter terechtzitting van de Politierechter aan de orde geweest. Het van het onderzoek ter terechtzitting opgemaakte proces-verbaal van 3 mei 2005 houdt in dat verdachte daar heeft verklaard dat de zaak (uit 2001) waarin hij door de Haarlemse rechtbank was veroordeeld voor onder meer overtreding van art. 3 van de Opiumwet, door het Hof was teruggewezen; daarmee was die zaak dus kennelijk terug bij "af".

Ik teken hierbij nog aan dat de verdachte volgens dat proces-verbaal van de terechtzitting van 3 mei 2005 ook heeft verklaard dat het klopt dat er op 6 (bedoeld is blijkbaar: 5; C.B.) december 2001 op beide adressen - kennelijk dezelfde adressen als in deze zaak aan de orde zijn(3) - een hennepkwekerij is aangetroffen. De raadsman heeft er toen ook op gewezen dat de zaak uit 2001 nog niet onherroepelijk was. De Politierechter heeft een gevangenisstraf van zeven maanden opgelegd en daarbij in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten.

4.4 Teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen betreffende de status van de zaak uit 2001 heb ik een nieuw Uittreksel Justitiële Documentatie doen opvragen. Uit dit uittreksel van 11 februari 2008 volgt dat verdachte in die zaak (met parketnummer 15-050868-01) bij vonnis van de Politierechter te Haarlem van 6 februari 2004 onder meer voor het telen van hennep is veroordeeld tot één maand voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en dat dat vonnis nog niet onherroepelijk is.

Wel is op 31 mei 2006, dus enkele maanden na het bestreden arrest, onherroepelijk geworden een vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage van 16 mei 2006 (parketnummer 09-753216-05), waarbij de verdachte terzake van verschillende overtredingen van art. 3 Opiumwet (hennepteelt) en overtredingen van de Wet wapens en munitie is veroordeeld tot 87 dagen gevangenisstraf, maar de desbetreffende feiten zijn begaan na de feiten die in deze zaak aan de orde zijn. Alleen het vonnis van de Politierechter van 6 februari 2004 zou dus theoretisch in aanmerking kunnen komen.

4.5 Het middel stelt terecht dat uit het door het Hof in beschouwing genomen uittreksel uit het Justitiële documentatieregister niet kan volgen dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een Opiumwetdelict. Het voert onder verwijzing naar HR 28 maart 2006, LJN AU9356, NJ 2006, 235 en HR 21 oktober 2003 LJN AL 3530 aan dat dit tot nietigheid, in ieder geval voor wat betreft de strafoplegging, dient te leiden.(4)

4.6 Het Hof heeft, zoals blijkt uit de strafmotivering, behalve op de ernst van de uit winstbejag begane feiten, gelet op de door verdachte gepleegde misdrijven zoals vermeld op genoemd uittreksel van 21 oktober 2005. Uit die zeven pagina's omvattende justitiële documentatie blijkt dat verdachte weliswaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet, zoals het Hof in een tussenzin opmerkt, maar wel dat hij voor een groot aantal andere strafbare feiten, in het bijzonder vermogensdelicten zoals diefstallen met geweld en afpersingen, waaronder overvallen op geldinstellingen, onherroepelijk is veroordeeld tot aanzienlijke gevangenisstraffen tot een totaal van bijna vijftien jaren; dat zijn uiteraard ook delicten waarbij het winstbejag voorop staat. In het licht van een en ander kan - even aangenomen dat het Hof naar genoemd niet onherroepelijk vonnis van de Politierechter van 6 februari 2004 heeft willen verwijzen, wat echter gelet op de inhoud van de hem ter beschikking staande documentatie niet mogelijk is - die veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf mijns inziens naast de andere door het Hof genoemde omstandigheden redelijkerwijze niet of nauwelijks gewicht in de schaal kan hebben gelegd.

4.7 Ik meen dat, in aanmerking genomen de inhoud van het door het Hof genoemde uittreksel uit de justitiële documentatie, de in de strafmotivering voorkomende passage betreffende verdachtes eerdere veroordeling ter zake van Opiumwetdelicten moet worden beschouwd als een kennelijke verschrijving en dat de strafmotivering verbeterd kan en behoort te worden gelezen.(5)

De nadruk in de strafmotivering ligt, zoals gezegd, behalve op de ernst van de feiten(6), op de (vele) misdrijven waaraan de kennelijk voortdurend op onrechtmatige verruiming van zijn financiële mogelijkheden gericht zijnde verdachte zich in het verleden heeft schuldig gemaakt. Daarbij heeft het Hof dus klaarblijkelijk per abuis vermeld dat een van die vele veroordelingen een Opiumwetdelict betrof.

Ik attendeer er in dit verband nogmaals op dat het aan het Hof ter beschikking staande en door hem genoemde uittreksel alleen een openstaande Opiumwetzaak vermeldt, zodat het in ieder geval niet zo kan zijn dat het Hof ten aanzien van een veroordeling in eerste aanleg over het hoofd heeft gezien dat deze nog niet onherroepelijk was. Verder zijn, naar uit het proces-verbaal van de Politierechter kan worden afgeleid, de afzonderlijk vervolgde feiten uit 2001 blijkbaar in confesso, gelijk ik hiervoor onder 4.3 al heb aangegeven.

4.8. Door een dergelijke verbeterde lezing met dien verstande dat de gewraakte woorden "waaronder Opiumwetdelicten" worden geëlimineerd, wordt, gelet op wat hiervoor is opgemerkt, in wezen geen afbreuk gedaan aan de ernst en het gewicht van de factoren die bij de oplegging van de straf in aanmerking zijn genomen en door het Hof in zijn strafmotivering zijn vermeld.

Hier kan in zekere zin een parallel worden getrokken met de gevallen waarin de Hoge Raad een bewezenverklaring verbeterd leest in die zin dat bepaalde, niet door bewijsmiddelen gedekte, gedeelten daarvan komen te vervallen. Dan wordt het criterium gehanteerd dat door die verbeterde lezing geen afbreuk wordt gedaan aan de aard en de ernst van het bewezen verklaarde in zijn geheel.(7) Op overeenkomstige wijze moet mijns inziens in een gaval als dit, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het geval, de strafmotivering in haar geheel worden bezien, meer in het bijzonder het samenstel van factoren en het daaraan toegekende gewicht dat het Hof in zijn beschouwingen heeft betrokken. Daaraan wordt in dit geval door een verbeterde lezing als hiervoor aangegeven, mijns inziens geen wezenlijke afbreuk gedaan.

Door de verbeterde lezing als hiervoor genoemd, komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

5. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Nu het eerste middel terecht is voorgesteld, strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, dat de Hoge Raad de duur van de straf zal verminderen in de mate waarin hem dat passend voorkomt en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.3.

2 HR 3 oktober 2000, 721, rov. 3.2 t/m 3.6.

3 Zie bewijsmiddel V uit het vonnis van de Politierechter in deze zaak.

4 In de eerstgenoemde zaak was overigens helemaal niet sprake van een voorafgaande veroordeling doch van sepots, en werd niettemin een beroep gedaan op de betreffende feiten (beter gezegd: de bestaan hebbende verdenkingen) ter motivering van een zwaardere straf dan was gevorderd. In het tweede arrest, waarin de gewraakte overweging overigens betrekking had op feiten die nadien zouden hebben plaatsgevonden, is mede betekenis toegekend aan de omstandigheid dat verdachte zich niet ter terechtzitting over die feiten had uitgelaten; dat heeft verdachte hier bij de Politierechter wel gedaan. Zie ook nog HR 7 februari 2006, LJN AU8894, waarin de verdachte echter was vrijgesproken van het door het Hof bedoelde feit. Idem (alsnog vrijgesproken) HR 4 september 2004, LJN BA4940.

5 Vgl. de conclusie van de A-G Knigge bij HR 8 mei 2007, nr. 02896/06. In die zaak was ook ten onrechte in de strafmotivering gerefereerd aan een eerdere veroordeling "voor het plegen van een soortgelijk feit". In de conclusie wordt de desbetreffende passage aangemerkt als een kennelijke misslag. De Hoge Raad deed de zaak af met toepassing van art. 81 RO.

6 Verdachte was betrokken bij twee hennepplantages met in totaal bijna 1400 hennepplanten.

7 Vgl. bijvoorbeeld HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548, HR 16 september 2003, NJ 2003, 143, HR 16 september 2003, NJ 2004, 587 en HR 19 april 2005, LJN AS 8464. In die gevallen valt een deel van het bewezen verklaarde strafrechtelijke verwijt weg.