Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC9412

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
03433/06 E
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1065
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC9412
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijs opzettelijk medeplegen. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander (A B.V.) opzettelijk in strijd met een viertal voorschriften van een aan zijn medepleger verleende vergunning heeft gedragen. Daaruit volgt dat i.c. ook het opzet van verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm op het overtreden van die vergunningsvoorschriften gericht moet zijn geweest. Dat opzet kan echter niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, terwijl de door het Hof in de nadere bewijsoverweging genoemde omstandigheid dat verdachte “zich had moeten vergewissen dat haar handelen bleef binnen hetgeen A B.V. overeenkomstig de vergunning, met bijbehorende voorschriften, was vergund” het oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, evenmin kan dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 312
RvdW 2008, 476
Milieurecht Totaal 2008/3640

Conclusie

Nr. 03433/06

Zitting: 19 februari 2008

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 2000,--.

2. Namens verdachte hebben mrs. F.G.L. van Ardenne en M.L. Groeneveld, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is op 4 april 2007 in persoon betekend aan de bestuurder van [verdachte] In de brief aan de raadsman, mr. Van Ardenne, van 10 april 2007 staat vermeld dat de aanzegging ex. art. 435 lid 1 Sv op 10 april 2007(1) is betekend (en dat binnen zestig dagen na die datum een schriftuur moet zijn ingediend). De vermelding van de datum van 10 april 2007 in de brief aan de raadsman is dus kennelijk een vergissing. Nu de raadsman als gevolg van namens de griffier van de Hoge Raad verstrekte onjuiste informatie van een onjuiste datum van betekening van de aanzegging is uitgegaan, dient de schriftuur als tijdig ingediend te worden aangemerkt.(2)

4. Het middel houdt dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

5. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"zij op 21 augustus 2003 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, terwijl aan [A] B.V. door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Helmond bij besluit van 24 november 1998 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente op het perceel [a-straat 1], kadastraal bekend [plaats], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in Categorie 7 van bijlage 1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich, opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- werden, terwijl zich een onvoorziene gebeurtenis had voorgedaan waardoor hinderveroorzakende stoffen buiten de inrichting waren gekomen, niet onmiddellijk maatregelen getroffen om zoveel mogelijk de gevolgen te beperken en werd hiervan niet terstond kennis gegeven aan het bevoegd gezag en de gemeentelijke brandweer en

- werden mankementen en lekkages welke schade of hinder voor de omgeving tot gevolg hadden, niet zo snel mogelijk ongedaan gemaakt en

- geschiedde het pompen van producten in of uit een tank niet zoveel mogelijk zonder lekken of morsen en werd gemorst product niet direct verwijderd en opgeslagen in een afgesloten vat of container, immers werd product overgepompt middels een slang welke lekte waardoor product in een put terecht kwam en

- werden in het openbaar riool voor de afvoer van hemelwater (schoonwaterriool) andere afvalwaterstromen gebracht dan vergund, immers werd in het openbaar riool voor de afvoer van hemelwater meststof gebracht."

6. Met betrekking tot het bewijs van het medeplegen overwoog het Hof in antwoord op van de zijde van de verdachte gevoerde verweren:

"B5

Ten aanzien van het (mede-)plegen van het bewezen verklaard feit overweegt het hof als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn in zijn algemeenheid de navolgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

- op 18 augustus 2003 hebben personeelsleden van [A] B.V. geconstateerd dat twee op het perceel [a-straat 1] te [plaats] staande opslagsilo's, genaamd [003] en [001] en in eigendom bij [A] B.V. bruine vloeistof zijn gaan lekken, op een manier die wordt omschreven als "zweten" van de silo's;

- [betrokkene 2], de directeur van [A] B.V., heeft hierop diezelfde dag contact opgenomen met [betrokkene 3], vertegenwoordiger van verdachte, om te melden dat (ondermeer) de opslagsilo [001], in verhuur bij verdachte, vloeistof lekte;

- verdachte noch diens medeverdachte [A] B.V. heeft dit als ongewoon voorval bij de gemeente of de brandweer gemeld;

personeel van verdachte is/zijn op diezelfde dag, 18 augustus 2003, met een bedrijfsvoertuig van verdachte naar het terrein van [A] B.V., en met medeweten van de directeur van [A] B.V., op het perceel [a-straat 1] te [plaats] gegaan om de bruine vloeistof over te pompen van de lekkende opslagsilo's naar een andere opslagsilo;

- de overpompwerkzaamheden door het personeel van verdachte hebben (overdag) meerdere dagen geduurd;

- op 21 augustus 2003 zijn [getuige 1], als vertegenwoordiger van de gemeente op eigen initiatief en op zoek naar de oorzaak van de stankoverlast, die al vanaf 21 augustus 2003 de omgeving hinderde, in het bijzijn van politieambtenaar [verbalisant 1], de gemeentelijke brandweer en [betrokkene 1], beëdigd monsternemer bij het Waterschap de Aa, het terrein van [A] BV. op het perceel [a-straat 1] te [plaats] opgegaan;

- verbalisant [verbalisant 1] heeft de putdeksel bij de hoofdafsluiter van het riool geopend en zag toen dat een gekleurde en stinkende vloeistof door het riool stroomde en dat deze het bedrijfsriool verliet richting gemeentelijk riool waarmee de vermoedelijke oorzaak bekend was;

- na deze constatering van verbalisant [verbalisant 1] is door hem de hoofdafsluiter van het terrein afgesloten;

- de verbalisanten hebben geconstateerd dat twee opslagsilo's lekten en dat er vloeistof in het riool liep;

- de verbalisant [verbalisant 1] heeft gezien dat er twee slangen aan de opslagsilo [001] waren gekoppeld en dat deze slangen liepen naar een bedrijfsvoertuig van verdachte naar een daaraan gekoppelde pomp;

- de verbalisant [verbalisant 1] heeft gezien dat er vanaf de pomp een blauwe slang liep richting een andere silo, opslagsilo [003];

- de verbalisant [verbalisant 1] heeft gezien dat de blauwe slang, waar druk op stond, op een put lag en dat de blauwe slang bol stond;

de verbalisant [verbalisant 1] heeft gezien dat de blauwe slang lek was, in die zin dat hij de slang heeft vastgepakt en hij heeft gezien dat er twee kleine gaatjes in de blauwe slang zaten die bruine vloeistof lekte/spoot in de rioolput, precies op het punt waar de blauwe slang op de put lag;

- nadien, op 22 augustus 2003 is er begonnen met het schoonspoelen van het bedrijfsriool, waarbij het bedrijfsriool in de nabijheid van de betreffende lekkende opslagsilo's is gecompartimenteerd middels ballonnen.

Meer specifiek is ten aanzien van het aandeel van verdachte het navolgende gebleken.

* in de periode van 18 augustus 2003 tot en met 21 augustus 2003 huurde verdachte twee opslagsilo's van [A] B.V.;

- het terrein waarop de opslagsilo's zich bevinden is - blijkens de huurovereenkomst - voor huurder toegankelijk (tijdens werkdagen van 07.00 uur tot 17.00 uur);

- [betrokkene 2], de directeur van [A] B.V., heeft op 18 augustus 2003 contact heeft opgenomen met de vertegenwoordiger van verdachte, om te melden dat een opslagsilo lekte, waarna verdachte diezelfde dag op het terrein van [A] B.V. en met medeweten van [betrokkene 2], directeur van [A] B.V., is begonnen met overpompen;

- verdachte heeft naar eigen zeggen overpompwerkzaamheden verricht in de uren waarop het haar was toegestaan om het terrein van [A] B.V. te betreden;

- verdachte heeft naast het overpompen gedurende de uren op werkdagen van 07.00 uur tot 17.00 uur geen andere maatregelen getroffen om de ontstane situatie te verhelpen.

B6

Uit de hiervoor onder B5 gerelateerde feiten en omstandigheden, waaronder in het bijzonder de feitelijke werkzaamheden die verdachte heeft verricht nadat zij op de hoogte was gestald van het feit dat de bij verdachte in huur zijnde opslagsilo's lekten, in onderlinge samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van het hof afdoende dat verdachte zich op 21 augustus 2003 tezamen en in vereniging met [A] B.V. opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan de aan [A] B.V. verleende milieuvergunning, waarbij het hof voorop stelt dat het strafrechtelijk verwijt dat verdachte wordt gemaakt niet ziet op het ontstaan van de lekkage, doch op - kort samengevat - het niet treffen van adequate maatregelen nadat de lekkage is ontstaan.

B7

In dit verband overweegt het hof voorts dat het exploiteren van een onderneming met een omvang als die van verdachte in de regel gepaard gaat met het opslaan en vervoeren van (soms zeer) grote hoeveelheden meststoffen. Onder die omstandigheden had verdachte als professionele speler in de meststoffenbranche een verantwoordelijkheid voor de meststoffen, waarover overigens geen discussie bestaat dat deze aan verdachte toebehoorde, teneinde deze meststoffen op een voor het milieu veilige wijze op te slaan en in de inrichting opgeslagen te houden. In die hoedanigheid had verdachte zich ook moeten vergewissen dat haar handelen bleef binnen hetgeen [A] B.V. overeenkomstig de vergunning, met de bijbehorende voorschriften, was vergund, inclusief de meldingsplicht van een ongewoon voorval aan de bevoegde autoriteiten."

In de aanvulling op verkorte arrest overwoog het Hof voorts:

Nadere overwegingen omtrent het bewijs

a. (...)

b. Een onvoorziene gebeurtenis en het treffen van maatregelen

Het hof is van oordeel dat er, gelet op de aard, ernst en de omvang van de lekkages, sprake was een een "onvoorziene gebeurtenis" in de zin van voorschrift 1.1.12 verbonden aan de vergunning van 24 november 1998. Naar het oordeel van het hof heeft noch verdachte, noch haar medeverdachte toen onmiddellijk (adequate) maatregelen getroffen om zoveel mogelijk de gevolgen ervan, waaronder stankoverlast, te beperken. Zo heeft noch verdachte, noch haar medeverdachte onmiddellijk de hoofdafsluiter dicht doen draaien en heeft zij, noch haar medeverdachte, onmiddellijk het bedrijfsriool in de nabijheid van de lekkende opslagsilo's gecompartimenteerd middels ballonnen.

c. Een onvoorziene gebeurtenis en het terstond kennisgeven ervan aan het bevoegd gezag en de gemeentelijke brandweer

Uit de feiten en omstandigheden waaruit onder meer blijkt dat het bevoegd gezag (eerst) naar aanleiding van een melding van stankoverlast op zoek is gegaan naar de oorzaak van de stankoverlast en toen op 21 augustus 2003 uitkwam bij de locatie [a-straat 1] te [plaats], waar de onvoorziene gebeurtenis, zoals bedoeld onder b, enige dagen hiervoor d.d. 18 augustus 2003 had plaatsgevonden, leidt het hof af dat verdachte, noch haar medeverdachte terstond kennis heeft gegeven aan het bevoegde gezag van deze onvoorziene gebeurtenis. Uit het feit dat toen pas ook de brandweer ter plaatse kwam leidt het hof af dat ook de brandweer hiervan niet terstond in kennis is gesteld.

d. Zo snel mogelijk ongedaan maken van mankementen en lekkages

Het hof stelt vast dat er door verdachte niet zo snel als mogelijk de Gevakal van de lekkende silo's overgepompt naar een niet lekkende opslagsilo. Uit de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat er op 21 augustus 2003 in de avond niemand op het terrein [a-straat 1] aanwezig was en dat de pomp was uitgeschakeld. De getuige [getuige 1] die eerder, aan het einde van de middag, op het terrein aanwezig was, heeft geconstateerd dat de poort open was, maar dat hij niemand heeft gezien. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat verdachte en/of haar medeverdachte zo snel mogelijk de mankementen en lekkages, welke schade of hinder voor de omgeving tot gevolg hadden, ongedaan heeft gemaakt."

7. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard het medeplegen van het opzettelijk gedragen in strijd met de voorschriften van een aan verdachtes medeverdachte [A] B.V. verstrekte vergunning, doch uit de bewijsmiddelen verdachtes opzet op handelen in strijd met die voorschriften niet kan worden afgeleid, in het bijzonder niet omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de inhoud van die voorschriften.

8. Voor deelneming aan doleuze delicten zoals het onderhavige (art. 18.18 Wmb jo. 2 lid 1 WED) wordt in zijn algemeenheid geëist dat het opzet van de deelnemer is gericht op die bestanddelen waarop volgens de wet het opzet van de pleger moet zijn gericht.(3) Voor medeplegen is dat niet anders.(4) In de onderhavige bewezenverklaring komt dat ook tot uitdrukking. Daarin wordt immers van de verdachte gezegd dat zij zich "opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning".(5) Daarin verschilt de bewezenverklaring van die in HR 2 februari 1999, NJ 1999, 554, waarin juist uit de omstandigheid dat het opzet van de medepleger niet was gericht op de bewezenverklaarde gedraging voortvloeide dat er geen sprake was van een misdrijf en het opzet van de verdachte op de bewezenverklaarde gedraging niet uit de gebezigde bewijsmiddelen behoefde te kunnen worden afgeleid.

9. Het Hof overweegt dat in het bijzonder uit de feitelijke werkzaamheden die de verdachte heeft verricht nadat zij op de hoogte was gesteld van de lekkage, volgt dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met [A] B.V. opzettelijk heeft gedragen in strijd met bedoelde voorschriften. Uit die feitelijke werkzaamheden - kort gezegd bestaande in het (doen) overpompen van mest van een lekkende silo naar een andere silo - kan echter verdachtes bekendheid met die voorschriften niet worden afgeleid. Waaruit het Hof die bekendheid heeft afgeleid laat het Hof in het midden. Is het dan zo dat uit die werkzaamheden kan worden afgeleid dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij handelde in strijd met de voorschriften van de aan haar medeverdachte verleende vergunning ? Het Hof lijkt die redenering niet te hebben gevolgd. Volgens het Hof bestaat het jegens de verdachte te maken strafrechtelijk verwijt hierin dat de verdachte geen adequate maatregelen heeft getroffen toen zij op de hoogte was gesteld van de lekkage. Daarbij heeft het Hof er kennelijk het oog op dat de autoriteiten niet van de situatie op de hoogte zijn gesteld, het overpompen gepaard ging met lekkage van meststoffen en niet werd voorkomen dat deze in het openbare riool stroomden. Het Hof ziet het aan de verdachte te maken strafrechtelijk verwijt niet hierin dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de door haar genomen maatregelen niet voldeden aan de voorschriften die waren verbonden aan de aan haar medeverdachte [A] krachtens de Wet milieubeheer verstrekte vergunning. Dat verwijt ligt ook niet in het door het Hof geformuleerde strafrechtelijk verwijt besloten omdat in de formulering van het Hof de aan de vergunning verbonden voorschriften in het geheel niet aan bod komen. Op dit punt lijkt het Hof eerder aan een verwijt in de culpose sfeer te denken: het Hof overweegt dat de verdacht zich had moeten vergewissen dat haar handelen bleef binnen hetgeen [A] B.V. overeenkomstig de vergunningen en de daarbij behorende voorschriften was vergund.

10. Het middel klaagt dus terecht dat het voor medeplegen vereiste opzet op de bewezenverklaarde gedraging, het zich gedragen in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dit betekent dat uit de gebezigde bewijsmiddelen ook niet kan worden afgeleid bewuste samenwerking op het zich opzettelijk gedragen in strijd met die voorschriften en dus ook niet medeplegen daarvan.(6)

11. Het middel slaagt.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit is de datum van dagtekening van de brief.

2 Anders HR 26 maart 2002, NJ 2002, 367, maar daarin was - anders dan hier - een herstelbrief verstuurd.

3 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2006, derde druk, p. 412, 413.

4 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 47, aant. 24 (suppl. 140, oktober 2007), G. Knigge, Het opzet van de deelnemer, in Glijdende schalen. Liber amicorum J. de Hullu, onder redactie van M.S. Groenhuijsen en J.B.H.M. Simmelink, Wolf Legal Publishers 2003, p. 291-321, in het bijzonder p. 313-315, HR 6 december 2005, LJN AU2246.

5 De vraag van het boos opzet - zie onlangs nog HR 24 april 2007, LJN AZ8783, NJ 2007, 544, m. nt. YB - is hier niet aan de orde. Het gaat hier immers niet om handelen in strijd met wettelijke voorschriften, maar aan de vergunning verbonden voorschriften.

6 Vgl. HR 6 december 2005, LJN AU2246.