Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC9347

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
08/00953
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC9347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Gevaar (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 380
RvdW 2008, 524
JWB 2008/216
BJ 2008/27
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/00953HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 21 maart 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

In deze zaak is een voorlopige machtiging verleend. De motiveringsklacht heeft betrekking op het gevaarscriterium.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 27 november 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Bij het verzoek is een geneeskundige verklaring d.d. 23 november 2007 overgelegd, opgemaakt door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1], die betrokkene heeft onderzocht.

1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 3 december 2007. Zij heeft betrokkene en zijn raadsman en de behandelend psychiater [betrokkene 2] gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend. De rechtbank overwoog, voor zover thans van belang, dat betrokkene:

"(...) door een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie van het gedesorganiseerde type, een antisociale persoonlijkheidstoornis en middelenmisbruik, gevaar veroorzaakt, welk gevaar, met name gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde zal gaan, niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis."

1.3. Namens betrokkene is - tijdig(1) - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het middel bestrijdt - terecht - niet dat het door de rechtbank aanwezig geachte gevaar, te weten het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat, een gevaar is als bedoeld in art. 1 lid 1 en art. 2 Wet Bopz. Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan het gevaarscriterium onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd. Ter toelichting wordt aangevoerd dat dezelfde rechtbank een jaar eerder, op 30 november 2006, een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging heeft afgewezen op de grond dat het gestelde gevaar, dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat, onvoldoende duidelijk was en onvoldoende onderbouwd. Volgens de klacht heeft de rechtbank in de thans bestreden beschikking, ondanks een hierop gericht verweer, niet duidelijk gemaakt waarom nu wel sprake is van dit gevaar.

2.2. In de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, is het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat als het belangrijkste gevaar genoemd. Dit is in de geneeskundige verklaring toegelicht als volgt:

"Betrokkene bagatelliseert resp. ontkent problemen met middelengebruik. Tevens ontkent hij de ernstige psychiatrische aandoening waaraan hij lijdt. Een behandelrelatie is alleen hierom feitelijk niet op te bouwen. Als gevolg hiervan valt te verwachten dat hij snel na invrijheidstelling zal vervallen tot het gedrag dat in de brief DDT 6 juli wordt genoemd en in de ketenkaart. Daarmee bestaat de aanzienlijke kans op het plegen van overlast en delicten en maatschappelijke teloorgang."(2)

2.3. Ter zitting in eerste aanleg is - blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal - betrekkelijk uitvoerig over de geneeskundige verklaring en de toestand van betrokkene gesproken. Betrokkene heeft het gestelde gevaar betwist. De behandelend psychiater heeft ter zitting een verklaring afgelegd, die in de beschikking is weergegeven. Ook het verweer van de raadsman is in de beschikking vermeld. Daartoe behoort het standpunt van de raadsman dat de situatie sinds de (afwijzende) beschikking van 30 november 2006 nauwelijks veranderd is.

2.4. Voor zover de motiveringsklacht bedoelt te klagen over innerlijke tegenstrijdigheid tussen de beschikking van 30 november 2006 en die van 3 december 2007, gaat die klacht niet op. In de eerstgenoemde beschikking is de toestand op die datum beoordeeld; in de thans bestreden beschikking de toestand op 3 december 2007(3). Niet alleen kan de psychiatrische toestand van de betrokkene in de periode tussen beide beschikkingen gewijzigd zijn, maar ook kan ten tijde van de eerste beschikking nog de hoop hebben bestaan dat met een bepaalde behandeling of onder bepaalde omstandigheden een gunstig resultaat zou (kunnen) worden verkregen waarmee het gevaar kan worden afgewend, terwijl ten tijde van de tweede beschikking die hoop niet langer bestaat. In dat geval is verklaarbaar dat de tweede beschikking anders luidt dan de eerste. Daarnaast verdient opmerking dat de beschikbare informatie niet dezelfde is. Op 30 november 2006 werd het verzoek tot verlening van een machtiging door de rechtbank beschouwd als onvoldoende onderbouwd. De rechter die de thans bestreden beschikking gaf, had de beschikking over - en heeft de beslissing gebaseerd op - een geneeskundige verklaring en informatie die op 30 november 2006 niet voorhanden waren.

2.5. Niet kan worden volgehouden dat de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is. De rechtbank heeft, ter motivering van het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde zal gaan, in de beschikking verwezen naar de geneeskundige verklaring en naar hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Gelet op hetgeen in de beschikking daaraan vooraf gaat, houdt dit oordeel in dat de rechtbank zich verenigt met de inhoud van de geneeskundige verklaring en de aanvullende informatie op dit punt van de behandelend psychiater en het verweer van de zijde van betrokkene verwerpt. Een dergelijke wijze van motivering is toegestaan indien de uit de verklaring(en) naar voren komende gegevens voldoende sprekend zijn om, zonder nadere uitleg, duidelijk te maken wat de rechtbank heeft bedoeld. In dit geval is voor de lezer zonder nadere motivering kenbaar wat de rechtbank hierbij voor ogen heeft gehad.

2.6. Voor het overige gaat het om een waardering van de feiten, die aan de rechtbank is voorbehouden. Het wettelijke begrip `maatschappelijk te gronde gaan' is één van de vormen van gevaar voor de betrokken patiënt zelf. Bij `maatschappelijk te gronde gaan' pleegt te worden gedacht aan de patiënt die als gevolg van de stoornis van zijn geestvermogens zijn maatschappelijke positie (bijvoorbeeld: zijn werkkring, woning, vermogen) en/of zijn sociale relaties (waaronder: zijn gezin of contacten met familie, buren en vrienden) verliest en ongewenst in een maatschappelijk isolement raakt. Bij patiënten die niet over een werkkring, woning, vermogen en gezin beschikken kan in dit verband worden gedacht aan het vermogen om contacten met anderen te onderhouden en het dreigend verlies van de contacten met vrienden of hulpverleners die de betrokkene in staat stellen zich zelfstandig in de maatschappij staande te houden. Ook indien een maatschappelijk te gronde gaan dreigt, moet steeds een afweging plaatsvinden of de kans dat het gevreesde onheil zich verwezenlijkt zo groot is, respectievelijk of de gevolgen van het gevreesde onheil zo ernstig zijn, dat een vrijheidsbeneming voor (in dit geval) zes maanden gerechtvaardigd is(4).

2.7. In de verklaring van de behandelend psychiater ter zitting komen zowel het onvermogen van betrokkene tot het onderhouden van sociale contacten naar voren als de gevolgen daarvan voor betrokkene. Vlak voordat betrokkene werd gedetineerd was sprake van verwardheid en zelfverwaarlozing. Door zijn gedrag kwam hij snel in conflict met anderen. Vanwege de ernst van de gedragsproblemen werd klinische behandeling noodzakelijk geacht. Betrokkene is veelvuldig opgenomen geweest in psychiatrische ziekenhuizen, maar steeds ontslagen vanwege zijn onhandelbaar gedrag en drugsgebruik. Waar de rechtbank deze inlichtingen onderschrijft en het verweer verwerpt, is duidelijk wat de rechtbank in dit geval voor ogen heeft gehad bij het gevreesde maatschappelijke tenondergaan. Voorts volgt hieruit dat de rechtbank een afweging heeft gemaakt of de kans op onheil zo groot is, respectievelijk de gevolgen van het gevreesde onheil voor betrokkene zo ernstig zijn, dat een vrijheidsbeneming voor (in dit geval) zes maanden gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft, naar aanleiding van het subsidiaire verweer, zich uitdrukkelijk gebogen over de mogelijkheid van een machtiging voor een kortere duur dan zes maanden, maar deze mogelijkheid verworpen.

2.8. Het middel noopt m.i. niet tot de behandeling van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het cassatierekest is op 3 maart 2008 per faxbericht ter griffie ontvangen. Het originele rekest met bijlagen, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, is een dag later ter griffie ingekomen.

2 Rubriek 5.a. Naar is aanneem, is met de brief DDT bedoeld: de brief van de psychiater en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige van Mentrum Polikliniek d.d. 6 juli 2007; de "ketenkaart veelplegers" (kennelijk opgemaakt in het kader van onderzoek naar mogelijke toepassing van art. 38m e.v. Sr) is in kopie bij de gedingstukken gevoegd.

3 Dat de rechter telkens de actuele toestand beoordeelt volgt uit de wettekst, maar bijv. ook uit HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125 m.nt. JdB.

4 Vgl. De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, aant. 3.4.3 op art. 2 (W. Dijkers); Rb Haarlem 13 mei 2003, BJ 2004, 1 met annotaties vanuit verschillende disciplines.