Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC9225

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
C06/293HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC9225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW voor uitglijden werknemer op natte vloer; terbeschikkingstelling veiligheidsschoenen niet afdoende wegens mogelijkheid van neerleggen rubber matten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/146
JA 2008/78
NJ 2008, 465
JOL 2008, 298
RvdW 2008, 416
RAR 2008, 76
RAV 2008, 59
JAR 2008, 146
VR 2009, 68
NJB 2008, 972
JWB 2008/181

Conclusie

Rolnr. C06/293HR

mr. J. Spier

Zitting 23 november 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

1) VENDRIG-IJSSELSTEIN

2) DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.

(hierna gezamenlijk Vendrig c.s. en afzonderlijk respectievelijk Vendrig en Delta Lloyd)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld door de Rechtbank Utrecht in haar vonnis van 21 april 2004 onder 1 (a tot en met h). Ook het Hof Amsterdam heeft - blijkens rov. 2 van zijn in cassatie bestreden arrest - deze feiten tot uitgangspunt genomen.

1.2 Vendrig drijft een chemische wasserij.

1.3 [Eiser] is op 1 december 1991 via een uitzendbureau bij Vendrig komen werken. Op 1 mei 1992 is hij als wasserijmedewerker bij haar in dienst getreden. Per 1 december 2000 is hij aangesteld als technisch medewerker (in opleiding)/hulpmonteur.

1.4 Op 10 september 2001 is [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden op een bordes in het bedrijf van Vendrig uitgegleden in een plas water en ten val gekomen. Dit bordes is een zoldertje in de bedrijfshal waarop vloeistoftanks staan. [Eiser] droeg op dat moment veiligheidsschoenen.

1.5 [Eiser] heeft ernstig letsel opgelopen aan zijn rechterhand als gevolg waarvan hij blijvend "arbeidsgehandicapt" is geraakt (rov. 3.1 onder g van 's Hofs arrest).

1.6 Vendrig is tegen aansprakelijkheid verzekerd bij Delta Lloyd.

2. Procesverloop

2.1.1 Bij exploot van 1 november 2004 heeft [eiser] Vendrig c.s. doen dagvaarden voor de Rechtbank Utrecht, sector kanton. Hij heeft gevorderd - onder meer - Vendrig danwel haar verzekeraar te veroordelen tot vergoeding van zijn schade ten gevolge van het onder 1.4 genoemde ongeval.

2.1.2 [Eiser] heeft - voor zover thans nog van belang - naast de onder 1 genoemde feiten aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Vendrig de op haar rustende zorgplicht ex art. 7:658 BW heeft geschonden. Volgens 's Hofs in zoverre niet bestreden oordeel (rov. 3.3) heeft [eiser] deze stelling als volgt uitgewerkt: Vendrig had ervoor moeten zorgen dat er geen plas water op het bordes lag en had in elk geval het gevaar kunnen beperken door daar rubberen matten neer te leggen; na het ongeval heeft zij dat trouwens gedaan. Het was niet gebruikelijk dat er op die plek een plas water lag zodat hij er niet op bedacht had behoeven te zijn.

2.2.1 Vendrig c.s. hebben de vordering bestreden. Zij hebben -samengevat en voor zover thans nog van belang - betoogd dat [eiser] op weg naar de werkzaamheden door de bewuste plas water is gelopen zodat hij wist dat deze er lag. Het risico van uitglijden in een waterplas is een risico van algemene bekendheid waartegen niet behoeft te worden gewaarschuwd. Vendrig heeft voorts veiligheidsschoenen aan [eiser] ter beschikking gesteld.

2.2.2 Vendrig stelt bovendien wél te hebben gewaarschuwd. [Eiser] was opgedragen de oorzaak van een lekkage te onderzoeken en deze eventueel te repareren. [Eiser] had dergelijke klussen vaker uitgevoerd.

2.2.3 Het bordes mag, nog steeds volgens Vendrig, alleen worden betreden als er reparaties dienen plaats te vinden. Het komt "wel eens" voor dat er in verband met een storing water op de grond ligt (cva onder 8).

2.2.4 In casu heeft Vendrig [eiser] gewezen op de plas water (cvd onder 2 en mva onder 15). Bij een wasserij is onvermijdelijk dat er "soms water" op de grond ligt. Van "een wasserij kan niet gevergd worden dat dergelijke waterplassen worden voorkomen" (mva onder 20); in casu ging het om "waterplassen" (mva onder 46). Met het oog op het water dat "zo nu en dan" op de vloer lag, werden veiligheidsschoenen verstrekt (onder 46).

2.2.5 Na het ongeval bleek dat de "werkomstandigheden nog konden worden geoptimaliseerd" door het aanbrengen van matten (mva 18), zij het dan ook dat de toen aangebrachte matten "niet overal op het bordes" en met name niet "op de plaats waar [eiser] zijn werkzaamheden in verband met de lekkage moest verrichten en daar vlak omheen" (onder 26).

2.3 De Rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen. Dat lot treft haar zowel in de lezing van Vendrig als in die van [eiser] (rov. 5.2 en 5.3). Uitgaande van de eerste lezing kan niet van Vendrig worden gevergd "dat zij het voorkomen van water op de vloer onder alle omstandigheden voorkomt" (rov. 5.2). Vertrekkend van [eiser]'s lezing behoefde Vendrig niet te waarschuwen voor de aanwezigheid van de plas nu hij wist dat deze er lag. De zorgverplichting van Vendrig gaat niet zo ver dat zij [eiser] moest waarschuwen voor het feit dat hij in die plas zou kunnen uitglijden nu dat een feit van algemene bekendheid is en in niets afwijkt van "de gevaren waarmee men in het leven van alledag regelmatig wordt geconfronteerd". Vendrig heeft in dit geval aan haar zorgverplichting voldaan door [eiser] veiligheidsschoenen ter beschikking te stellen.

2.4 [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld. Vendrig c.s. hebben het bestreden vonnis verdedigd.

2.5.1 Het Hof heeft, bij arrest van 6 juli 2006, het bestreden vonnis bekrachtigd.

2.5.2 Volgens het Hof is [eiser] "op de heenweg naar zijn te verrichten werkzaamheden" door "de plas water" gelopen en is hij daarin pas op de terugweg uitgegleden. Hij wist dus, vóór de val, dat die plas daar lag. Het is een feit van algemene bekendheid en geen "specifiek arbeidsgerelateerd verschijnsel" dat "het door water lopen een verhoogd risico op uitglijden meebrengt." Daarom kan in het midden blijven of [eiser] is gewaarschuwd (rov. 3.5).

2.5.3 De enkele omstandigheid dat op het bordes een plas water lag, brengt niet mee dat Vendrig in haar zorgplicht tekort is geschoten (rov. 3.6).

2.5.4 Het Hof vervolgt dan zijn gedachtegang:

"3.7 [Eiser] heeft voorts onvoldoende gemotiveerd betwist dat de door Vendrig aan hem ter beschikking gestelde veiligheidsschoenen die hij ten tijde van het ongeval droeg er (mede) toe dienden om uitglijden te voorkomen. (...) Er bestaat geen reden om aan te nemen dat Vendrig er niet op had mogen vertrouwen dat de veiligheidsschoenen een in de gegeven omstandigheden afdoende middel tegen het risico van uitglijden zouden bieden, zodat haar niet kan worden verweten dat zij ten tijde van het ongeval geen rubberen matten op het bordes had geplaatst."

2.6 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Vendrig c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. [Eiser] heeft nog gerepliceerd.

3. De ontvankelijkheid van het beroep voor zover gericht tegen Delta Lloyd

3.1 Bij mva onder II wordt aangevoerd dat [eiser] niet in zijn appèl, voor zover gericht tegen Delta Lloyd, kan worden ontvangen.

3.2 Dit verweer lijkt mij juist. Delta Lloyd is door [eiser] in rechte betrokken vóór de inwerkingtreding van het thans geldende verzekeringsrecht (en met name art. 7:954 BW). Hij heeft niet aangegeven waarop deze vordering steunt. Zonder nadere toelichting is dat ook niet in te zien.

3.3 Dit brengt mee dat de tegen haar gerichte vordering geen kans van slagen heeft.(1) In zoverre mist [eiser] dan ook belang bij zijn cassatieberoep en kan hij daarin niet worden ontvangen.

4. Juridisch kader

4.1 Volgens vaste rechtspraak houdt de verplichting van art. 7:658 BW een zorgplicht in; van een absolute waarborg voor de werknemer is geen sprake.(2) De verplichting voor de werkgever vindt haar grens in wat 'redelijkerwijs nodig' is.(3) De werkgever dient hierbij een hoge mate van zorg te betrachten.(4)

4.2 Welke verplichtingen in een concrete situatie op de werkgever rusten, is mede afhankelijk van de omstandigheden van het geval.(5)

4.3.1 In het arrest Bayar/[...](6) heeft Uw Raad overwogen:

"3.3.2 (...) Van de werkgever moet dan ook worden verwacht dat hij onderzoekt of afdoende preventieve maatregelen mogelijk zijn dan wel of een veiliger werking van de machine mogelijk is, en, zo dat niet het geval is, of op een voldoende effectieve wijze voor het gevaar kan worden gewaarschuwd. In dat kader is van belang met welke mate van waarschijnlijkheid de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen onstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. (...) Wanneer blijkt dat effectievere maatregelen ter voorkoming van een ongeval zoals zich dit heeft voorgedaan, mogelijk waren, dan moet worden onderzocht waarom niettemin het aanbrengen van deze voorziening destijds niet van de werkgever kon worden gevergd, waarbij naast de hiervoor genoemde factoren van belang is in hoeverre het treffen van een dergelijke veiligheidsmaatregel reeds voor het ongeval zich had voorgedaan voor de werkgever of voor deskundigen waarover hij in zijn bedrijf beschikt voor de hand lag (vgl. HR 14 april 1978, nr 11223, NJ 1979, 245).

4.3.2 Het arrest is geplaatst in de sleutel van de aloude kelderluikcriteria en sluit naadloos aan bij de elders in het aansprakelijkheidsrecht gevolgde benadering.(7)

4.3.3 Dat voor het werken met machines, waarvan in dit arrest sprake is, strenge regels worden geformuleerd, houdt ongetwijfeld verband met de omstandigheid dat zij een relevante bron zijn van arbeidsongevallen.(8) Datzelfde geldt trouwens voor vallen.(9) Daarom ligt voor de hand om ook in dat kader acht te slaan op de onder 4.3.1 geciteerde maatstaf. Eens temeer nu de werkgever ook in casu had kunnen kiezen uit verschillende maatregelen,(10) zoals het leggen van matten of het beschikbaar stellen van veiligheidsschoenen met een zwaarder profiel; zie nader onder 5.4.2.

5. Behandeling van de klachten

5.1 Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, aangenomen:

a. dat in casu sprake was van "een verhoogd risico op uitglijden" (rov. 3.5);

b. dat ter plaatse waar het ongeval zich heeft voorgedaan "een plas water" lag (zie onder 1.4);

c. dat [eiser] veiligheidsschoenen droeg (rov. 3.7).

5.2.1 Door [eiser] is gesteld en Vendrig c.s. hebben beaamd dat na het ongeval matten zijn neergelegd (zie onder 2.1.2 en 2.2.5).

5.2.2 Daaraan doet niet af de intrigerende bewering van Vendrig c.s. dat de matten niet op de plaats van het ongeval zijn neergelegd. Deze stelling roept vragen op omdat juist op die plaats, naar hun eigen stellingen, een lekkage was ontstaan die [eiser] moest repareren, terwijl op de litigieuze zolder vloeistoftanks staan (cva onder 4). Als de hier bedoelde stelling juist zou zijn, lijkt dat erop te wijzen dat de werkgever welbewust heeft nagelaten post facto geëigende maatregelen ter voorkoming van nieuwe ongevallen te voorkomen.(11)

5.3 Vendrig c.s. hebben in het vage gelaten hoeveel water ter plaatse lag en eveneens hoe vaak dat voorkwam; zie onder 2.2.2 - en 2.2.4.

5.4.1 Vendrig, op wier weg dat primair had gelegen, heeft niets (concreets) aangevoerd over de vloer, het materiaal waaruit deze bestond of de kans op ongevallen.(12) Een kans die allicht afhangt van factoren zoals daar zijn de ruwheid van de vloer, de hoeveelheid water die daarop in voorkomende gevallen stond en de vraag of de litigieuze veiligheidsschoenen daartegen voldoende bescherming boden. Het Hof heeft daaromtrent (evenmin) iets vastgesteld.

5.4.2 Met betrekking tot de schoenen zijn Vendrig c.s. - voor het eerst bij mva - blijven steken in de stelling dat het ging om schoenen "gelijkwaardig aan" "Uniwork Safety Shoes", classificatie S2.(13) Een classificatie die geldt voor "plaatsen waar wel vochtige werkomstandigheden verwacht kunnen worden"(14) en die dus niet (laat staan zonder meer) geëigend zijn voor plaatsen waar "plassen" water liggen.

5.5 Vendrig zag de situatie ter plaatse klaarblijkelijk zelf, de ter beschikking gestelde veiligheidsschoenen ten spijt,(15) als onvoldoende veilig. Dat valt af te leiden uit:

a) de omstandigheid dat zij stelt te hebben gewaarschuwd (hetgeen door het Hof in het midden is gelaten); zie onder 2.2.1;

b) het achteraf "ter optimalisering van de werkomstandigheden" plaatsen van matten; zie onder 2.2.5.

5.6.1 In een situatie die wordt gekenmerkt door de onder 5.1-5.5 genoemde feiten en omstandigheden, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom, of rechtens onjuist dat Vendrig niet is tekortgeschoten in de op haar rustende veiligheidsverplichtingen.

5.6.2 Onbegrijpelijk is met name ook dat Vendrig in de gegeven omstandigheden erop mocht vertrouwen dat de veiligheidsschoenen een afdoende middel waren ter voorkoming van uitglijden. Immers noemt het Hof zelfs niet één relevante omstandigheid waaruit dat valt af te leiden.

5.7 Het middel behelst, in zijn geheel en in onderlinge samenhang gelezen, hierop toegespitste klachten. Deze slagen. Behandeling van de afzonderlijke klachten is daarmee overbodig.

5.8 Volledigheidshalve en ter vermijding van mogelijk misverstand: ik zeg niet en bedoel evenmin dat het na een ongeval treffen van maatregelen steeds en zonder meer wijst op een anterieur tekortschieten. Dat kán zo zijn, maar dat is zeker geen wet van meden en perzen.(16) Maar het is daarmee niet irrelevant. De vraag dringt zich immers op of de werkgever dat niet eerder had kunnen en moeten bedenken. Als een daarop toegespitste stelling is betrokken, zal de rechter daarop in moeten gaan, zoals valt af te leiden uit het onder 4.3.1 geciteerde arrest Bayar/[...].

5.9.1 Voor zover 's Hofs arrest is gebaseerd op de stelling dat [eiser] bekend was met de litigieuze plas omdat hij deze op de heenweg reeds had opgemerkt, kan zij 's Hofs oordeel (zonder nadere toelichting) niet dragen reeds omdat:

a. de verstrekte schoenen klaarblijkelijk ontoereikende veiligheid tegen die situatie boden. In zo'n situatie ligt het op de weg van de werkgever om de nodige veiligheidsmaatregelen te treffen; zie onder 4.(17) Een tegengestelde benadering zou er in feite op neerkomen dat het door de wet afgesneden eigen schuld-verweer(18) via de achterdeur wordt geïntroduceerd;

b. de enkele omstandigheid dat een werknemer, objectief bezien, van een bepaalde (in 's Hofs visie gevaarlijke)(19) situatie op de hoogte was geenszins zonder meer betekent dat hij zich daarvan onder alle omstandigheden ook later bewust is. Laat staan dat hij, mede in verband met de dagelijkse sleur van de werkzaamheden, steeds alle wenselijke voorzichtigheid in acht zal nemen.(20) Dat geldt ook voor ervaren werknemers.(21)

5.9.2 Onderdeel c wijst hierop met juistheid.

5.10.1 Vendrig c.s. hebben mij nog de eer aangedaan door in drie instanties uit een eerdere conclusie van mijn hand te citeren. Zij hebben daaruit een tegengestelde opvatting afgeleid dan die welke hiervoor werd verdedigd. Daarom lijkt goed op hun betoog in te gaan.

5.10.2 Het gaat om de conclusie voor het arrest [...]/[...].(22) Daarin bespreek ik de hypothetische casus dat werknemers zich over het bedrijfsterrein verplaatsen van het ene gebouw naar het andere. Na een hevige regenbui komt een werknemer in een (niet abnormale) plas ten val. In zo'n situatie achtte ik een waarschuwingsplicht voor de werkgever onnodig.

5.10.3 Tussen de zojuist genoemde casus en de onderhavige bestaan evenwel relevante verschillen. Waarschuwen tegen de gevolgen van regen op een buitenterrein lijkt - tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals een glad wegdek en/of de aanwezigheid daarop van bijvoorbeeld olie - niet bijster zinvol. In casu gaat het om plassen waarmee de werknemer (volgens Vendrig c.s. een reparateur van lekken) binnen uit de aard der werkzaamheden met enige regelmaat wordt geconfronteerd, was sprake van "een verhoogd risico" en was de situatie zodanig dat de werkomstandigheden post facto moesten worden "geoptimaliseerd".

5.11 Om dezelfde reden gaat, met alle respect, de parallel met het arrest van de Arubaanse schoonmaakster(23) mank.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot:

* niet ontvankelijkverklaring van [eiser] voor zover het beroep is gericht tegen Delta Lloyd;

* vernietiging van 's Hofs arrest voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Uit rov. 3.9 vloeit voort dat ook het Hof dat zo zag.

2 Zie o.m. HR 12 september 2003, NJ 2004, 177 GHvH rov. 3.4; HR 4 oktober 2002, NJ 2004, 175 rov. 3.5, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak; HR 9 juli 2004, NJ 2005, 260 rov. 3.3; HR 27 april 2007, JAR 2007, 128 rov. 3.4.1.

3 HR 9 juli 2004, NJ 2005, 260 rov. 3.3 en 3.6; HR 11 november 2005, JAR 2005, 287 rov. 3.3.1; HR 27 april 2007, JAR 2007, 128 rov. 3.4.1; S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten (2000) blz. 38-40;

4 Lindenberg, a.w. blz. 29; C.J.Loonstra & W.A. Zondag, Arbeidsrechtelijke themata (2006) blz. 248/9.

5 HR 9 juli 2004, NJ 2005, 260 rov. 3.11; HR 11 november 2005, JAR 2005, 287 rov. 3.3.1; HR 27 april 2007, JAR 2007, 128 rov. 3.4.1.

6 HR 11 november 2005, JAR 2005/287.

7 Zie nader Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (Van Maanen) nr 47.

8 L.C. Lanting e.a., Arbeidsongevallen, Omvang van het probleem, Nationaal kompas Volksgezondheid, www.nationaalkompas.nl.

9 Idem.

10 In die zin ook Loonstra/Zondag, a.w. blz. 250.

11 Hetgeen onder 5.2.2 is vermeld, is niet dragend voor mijn oordeel. Het is wel een illustratie (niet meer, maar ook niet minder) dat niet al te gemakkelijk kan worden aangenomen dat Vendrig aan haar verplichtingen heeft voldaan.

12 Vgl. HR 25 mei 2007, RvdW 2007, 503 rov. 3.4.3.

13 Mva onder 11.

14 Ontleend aan de prod. bij mva.

15 Zoals vermeld onder 5.4.2 is dat oordeel heel begrijpelijk.

16 In zoverre onderschrijf ik graag het betoog van W.H. van Boom, JA 2006, 11 blz. 117 e.v.

17 Vgl. HR 13 juli 2007, JA 2007, 143 J. Quakkelaar rov. 3.4 in fine.

18 Zie art. 7:658 lid 2 BW.

19 Zie rov. 3.5.

20 Vaste rechtspraak; zie o.m. HR 13 juli 2007, RvdW 2007, 689.

21 HR 13 juli 2007, JA 2007, 173 rov. 3.4; zie ook de noot van J. Quakkelaar onder 12.

22 HR 9 juli 2004, NJ 2005, 260.

23 HR 2 maart 2007, NJ 2007, 143; JAR 2007/91; zie s.t. mr Sagel sub 13.