Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC9107

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
23-05-2008
Zaaknummer
C06/344HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3980
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC9107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige perspublicatie (openbaarmaking reservering grafrechten ouders nabij graf kind). Botsing van grondrechten; recht van vrije nieuwsgaring en publicatie tegenover recht op privacy.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 398
NJ 2008, 520 met annotatie van E.A. Alkema
RvdW 2008, 532
NJB 2008, 1227
JWB 2008/232
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer: C06/344HR

Mr. Wuisman

Rolzitting: 4 april 2008

CONCLUSIE inzake:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

eisers tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

tegen

1. de besloten vennootschap Uitgeversmaatschappij De Telegraaf B.V.,

2. [Verweerder 2],

3. [Verweerder 3],

4. [Verweerder 4],

verweerders in cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen.

1. Inleiding

1.1 Eiser tot cassatie sub 1 (hierna: [eiser 1]) en eiseres tot cassatie sub 2 (hierna: [eiseres 2]) hebben tegen verweerders in cassatie (hierna te samen: De Telegraaf c.s.) in januari 2004 een procedure bij de rechtbank Amsterdam aangespannen naar aanleiding van op 3 en 4 oktober en 15 november 2003 in het dagblad De Telegraaf gepubliceerde artikelen((1)). Het laatste artikel draagt als opschrift: "Het ware gezicht van [Eiser 1]". De artikelen gaan voornamelijk over, kort gezegd, de wijze waarop [eiser 1] zekerheden aan enige banken heeft verstrekt in verband met financiële verplichtingen van hem jegens die banken, hoe [eiser 1] met de nakoming van die verplichtingen in de problemen is geraakt, hoe hij in verband daarmee tegenover de banken is opgetreden en met hen tot een regeling voor de schulden is gekomen, over de behandeling door een bank van een aanvraag van [eiser 1] van een persoonlijk krediet en - in het artikel van 15 november 2003 - onder meer ook nog over het onttrekken door [eiser 1] van goederen aan beslag en over een geschil van [eiser 1] en [eiseres 2] met de Joodse Gemeente te Bussum met betrekking tot de reservering van twee begraafplaatsen naast het graf van hun in 1991 aan de gevolgen van een eerder ongeval overleden zoon [betrokkene 1]. De teneur van de artikelen is vooral dat [eiser 1] zich tegenover schuldeisers van hem schuldig heeft gemaakt aan frauduleus handelen, naar deze schuldeisers fel is opgetreden en daarmee van hen niet gebruikelijke regelingen voor zijn schulden heeft weten te verkrijgen, daar zij vreesden voor reputatieschade door zijn toedoen.

In de procedure vorderen [eiser 1] en [eiseres 2], wederom kort weergegeven, een veroordeling van De Telegraaf c.s. tot rectificatie en schadevergoeding.

1.2 Bij vonnis d.d. 23 februari 2005 wijst de rechtbank de vorderingen af. Het hof Amsterdam bekrachtigt bij arrest d.d. 10 augustus 2006 dit vonnis.

In zijn arrest stelt het hof in rov. 4.5 voorop, dat bij de beantwoording van de onrechtmatigheidsvraag twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen en fundamentele rechten tegenover elkaar staan, te weten het fundamentele belang/recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer enerzijds en het fundamentele belang/recht van persvrijheid anderzijds. Verder overweegt het hof dat tot de beantwoording van de onrechtmatigheidsvraag moet worden gekomen door deze belangen/rechten tegen elkaar af te wegen met inachtneming van alle in onderling verband te beschouwen, van belang zijnde omstandigheden van dit geval((2)). In de rov. 4.6 tot 4.18 volgt de belangenafweging, op grond waarvan het hof in rov. 4.19 concludeert dat de publicaties niet onrechtmatig jegens [eiser 1] (en [eiseres 2]) zijn. In de gemaakte afweging ligt besloten, aldus het hof, dat het recht van [eiser 1] (en [eiseres 2]) op bescherming van hun privé-leven niet voldoende zwaarwegend is om de vrijheid van meningsuiting van De Telegraaf c.s. te beperken.

1.3 Van het arrest van het hof zijn [eiser 1] en [eiseres 2] bij op 9 november 2006 uitgebracht exploot - dus tijdig - in cassatie gekomen. Na de conclusie van antwoord van De Telegraaf c.s. tot verwerping van het cassatieberoep, hebben beide partijen hun standpunt in cassatie schriftelijk doen toelichten. Van de zijde van [eiser 1] en [eiseres 2] is nog gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Met het voorgedragen cassatiemiddel wordt alleen de publicatie van het geschil met de Joodse Gemeente te Bussum over de grafreserveringen aan de orde gesteld en dat overigens nog slechts in beperkte mate.

2.2 De passage over het geschil met de Joodse Gemeente te Bussum over de grafreservering in het artikel van 15 november 2003 luidt:

"Zo'n twee jaar geleden, tien jaar na de dramatische dood van [betrokkene 1], wilde de professor twee graven reserveren naast de laatste rustplaats van zijn zoon. Met de Joodse Gemeente in Bussum sloot hij een contract af dat voorzag in de betaling van zo'n zesduizend euro. 'Het geld kwam echter nooit binnen', vertelt ex-secretaris [betrokkene 2]. [Eiser 1] voerde principiële bezwaren aan en liet weten dat het contract niet rechtsgeldig was. De zaak zou worden voorgelegd aan een joodse rechtbank met geleerde rabbijnen uit het buitenland, want alleen die zouden onafhankelijk zijn. Zover is het nooit gekomen door voortdurende onenigheid over de samenstelling van de rechtbank. Uiteindelijk is de zaak afgelopen zomer in der minne geschikt na bemiddeling door de voorganger van de Joodse Gemeente in Amsterdam. [Eiser 1] betaalt nu een bedrag dat niet veel afwijkt van de oorspronkelijk afgesproken prijs. Een bestuurslid van de Joodse Gemeente in Bussum zegt deze week: '[Eiser 1] dacht natuurlijk: als ik een grote waffel opzet, binden ze wel in. Maar wij hebben de handschoen opgepakt en gezegd dat we de zaak zouden uitvechten'."

2.3 Het verwijt dat het hof in het cassatiemiddel wordt gemaakt, komt, gelet op de met elkaar samenhangende en daarom ook in onderling verband te beschouwen onderdelen van het middel, in de kern genomen hierop neer dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het fundamentele recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan de zijde van [eiser 1] en [eiseres 2] minder zwaar weegt dan het fundamentele recht van persvrijheid van De Telegraaf c.s., in ieder geval voor zover het gaat om het vermelden in het artikel van 15 november 2003 en het zo in brede kring verspreiden van bijzonderheden betreffende het overlijden van zoon [betrokkene 1] en de wens van [eiser 1] en zijn echtgenote om naast hun zoon begraven te worden teneinde zich zo in de dood symbolisch met hun zoon herenigd te weten. In onderdeel 4 wordt weliswaar meer in het algemeen gesproken van 'de publicatie m.b.t. de grafrechten', maar uit de onderdelen 2 en 3 valt af te leiden dat het blote feit dat het geschil over de grafrechten in het artikel van 15 november 2003 is genoemd, niet de aanleiding voor het opvoeren van de cassatieklachten is geweest. Immers, daar wordt opgemerkt dat ten aanzien van de grafrechten met een soberder relaas had kunnen worden volstaan, bijvoorbeeld een relaas waarin het betreffende geschil wordt genoemd maar onder weglating van 'de hoogstpersoonlijke omstandigheden'. Het zijn derhalve 'de hoogstpersoonlijke omstandigheden' die de grond/aanleiding voor de cassatieklachten vormen. Met de 'hoogstpersoonlijke omstandigheden' worden niet bedoeld de in de publicatie vermelde omstandigheden dat bij het geschil een financieel probleem speelde en dat dit probleem na onenigheid over de samenstelling van een rechtbank uiteindelijk in der minne is opgelost, en ook niet datgene wat een bestuurslid van de Joodse Gemeente in verband met het geschil over [eiser 1] heeft opgemerkt. Als voorbeeld van 'hoogstpersoonlijke bijzonderheden' wordt immers genoemd: "dat het ging om grafrechten in de onmiddellijke nabijheid van het graf van [eiser 1]'s overleden zoon, hetgeen immers geen (of althans: nauwelijks) nader licht (kon) werpen op de opstelling van [eiser 1] in financiële zaken (....)." Dit laatste doen de zojuist genoemde omstandigheden (dat bij het geschil een financieel probleem speelde etc.) wel. Een en ander vindt bevestiging in hetgeen in de Schriftelijke Toelichting van Mr. Staden ten Brink onder 4.3 wordt opgemerkt.

2.4 Het is op zichzelf juist dat het hof bij de beantwoording van de onrechtmatigheidsvraag niet met zoveel woorden en nadrukkelijk stilstaat bij het in brede kring verspreiden van bijzonderheden over het overlijden van zoon [betrokkene 1] en van bijzonderheden over de in geschil zijnde grafreservering, nl. dat het ging om reservering van graven nabij het graf van de zoon in verband met de wens van [eiser 1] en zijn echtgenote om zich op deze wijze in de dood symbolisch met hun zoon herenigd te weten. De vraag is echter of het hof wel apart en met zoveel woorden aan deze punten aandacht had moeten schenken. Naar het voorkomt, dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. In de hierboven in 2.2 geciteerde passage, en meer in het bijzonder in de eerste zin daarvan, komen geen bijzonderheden over het overlijden van zoon [betrokkene 1] voor, behalve dan wellicht dat gesproken wordt van een 'dramatische' dood, en evenmin wordt gesproken over een wens van [eiser 1] en diens echtgenote om naast hun zoon te worden begraven opdat zij zich in de dood symbolisch met hem herenigd weten. Verder wordt ook op de plaatsen in de processtukken waarnaar aan het slot van onderdeel 4 van het cassatiemiddel wordt verwezen, niet gerept van bijzonderheden als zojuist genoemd. Voor het hof bestond er derhalve geen aanleiding om een nadere motivering in verband met deze bijzonderheden te geven.

2.5 Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt. Op zichzelf zou voor dat wat met het artikel van 15 november 2003 werd beoogd, het vermelden van de dood van de zoon van [eiser 1] en zijn echtgenote en van het feit dat het geschil met de Joodse Gemeente te Bussum ging over de reservering van graven naast dat van hun zoon, niet nodig zijn geweest. Het valt echter niet goed in te zien dat reeds in de vermelding van de zojuist genoemde feiten aanleiding zou kunnen worden gevonden om de vrijheid van meningsuiting te laten wijken voor het recht op bescherming van het privé-leven. Ten processe is gebleken dat [eiser 1] zelf eerder met journalisten over het overlijden van zijn zoon heeft gesproken((3)), terwijl het verlangen en een regeling om in de nabijheid van een naaste te worden begraven verre van ongewoon zijn en het vermelden daarvan op zichzelf niets opmerkelijks, laat staan negatiefs in zich bergt. Ook de verwoording van de vermelding is niet grievend of aanstootgevend te noemen.

2.6 Het voorgaande voert tot de slotsom dat het hof niet tekort is geschoten in het motiveren van zijn arrest als hem wordt verweten. Het voorgedragen cassatiemiddel treft dan ook geen doel.

3. Conclusie

Geconcludeerd wordt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Er was nog een vijfde persoon gedagvaard, in verband met in het artikel van 15 november 2003 opgenomen uitlatingen van hem, maar deze persoon is niet in de cassatieprocedure betrokken.

2. Deze aanpak strookt met HR 18 januari 2008, RvdW 2008, 104, JOl 2008, 25 en Rechtspraak.nl: LJN BB3210; zie in het bijzonder rov. 3.4.1.

3. Zie de conclusie van antwoord van De Telegraaf c.s. in eerste aanleg, onder 8.5 en de conclusie van repliek van [eiser 1] en [eiseres 2], onder 83 en 84.