Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8979

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
R07/083HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8979
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Afwijzing van als nevenvoorziening in echtscheidingsprocedure door de man gedaan verzoek tot teruggave door de vrouw van bij de aanvang van het huwelijk door haar ontvangen sieraden en gouden riem; gebrek aan belang bij verzoek van de man nu deze stelt dat over de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap nog afzonderlijk moet worden beslist; geen gebondenheid van de rechter die over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap moet beslissen aan het ter motivering van de afwijzing van de gevraagde nevenvoorziening gegeven oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 574
RvdW 2008, 741
NJB 2008, 1634
JWB 2008/308
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R07/083HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 4 april 2008

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze echtscheidingsprocedure heeft thans verzoeker tot cassatie, hierna: de man, een verzoek gedaan tot het treffen van een nevenvoorziening als bedoeld in art. 827 lid 1, aanhef en onder b, Rv.

2. De verzochte nevenvoorziening betrof - naar het hof kennelijk heeft begrepen - mede veroordeling van thans verweerster in cassatie, hierna: de vrouw, om aan de man terug te geven een riem en sieraden die in het kader van het huwelijk aan de vrouw zijn geschonken. De man heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de vrouw - met toepassing van het Marokkaans recht op het huwelijksvermogensregime - de riem en de sieraden aan de man dient terug te geven.

3. De vrouw heeft het verzoek bestreden. Zij heeft gesteld dat zij de riem en de sieraden van een neef van de man geschonken heeft gekregen.

4. Het hof heeft bij beschikking van 25 januari 2007 het verzoek van de man afgewezen. Het hof overwoog dat op grond van art. 4 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (Verdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130) Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (r.o. 4.17) en dat niet is gebleken van tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden (r.o. 4.18). Voorts overwoog het hof dat de riem en de sieraden als verknocht aan de vrouw kunnen worden beschouwd, aangezien deze aan haar cadeau zijn gedaan. Deze zaken maken derhalve geen deel uit van de huwelijksgemeenschap tussen partijen, maar zijn privé-eigendom van de vrouw. Het verzoek van de man tot teruggave moet dan ook worden afgewezen, aldus het hof (r.o. 4.19).

5. De man is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

6. Het middel is met een rechtsklacht en subsidiair een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.19 - dat de riem en de sieraden als aan de vrouw verknocht zijn aan te merken, aangezien deze aan haar cadeau zijn gegegeven, en dat deze zaken derhalve geen deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap.

7. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Het hof heeft - onbestreden in cassatie - geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Ook indien - anders dan het hof heeft geoordeeld - zou moet worden aangenomen dat de riem en de sieraden niet als aan de vrouw verknocht zijn aan te merken, en dat deze zaken derhalve ingevolge de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW deel uitmaken van de algehele gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd, brengt geen regel van Nederlands recht mee dat de vrouw gehouden is de riem en de sieraden aan de man terug te geven. Het oordeel van het hof dat het verzoek van de man niet kan worden toegewezen, is derhalve - wat er ook zijn van de gronden waarop het hof tot zijn oordeel is gekomen - juist.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,