Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8969

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
C07/026HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8969
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Verjaring vordering tot schadevergoeding (art. 3:310 lid 1 BW); bekendheid van de schade bij de aansprakelijke persoon. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 433
RvdW 2008, 577
JWB 2008/242
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C07/026HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 4 april 2008

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiser 2]

3. [Eiser 3]

4. [Eiser 4]

tegen:

Stichting Rechtsbijstand

1. Inleiding

1.1. Deze zaak komt m.i. in aanmerking voor een verkorte bespreking van de cassatieklachten.

1.2. Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] c.s. respectievelijk de Stichting. Eisers afzonderlijk worden ook aangeduid als respectievelijk [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4].

1.3. Het gaat in deze zaak om de vraag of een vordering uit wanprestatie of onrechtmatige daad van [eiser] c.s. tegen de Stichting (gelieerd met rechtsbijstandverzekeraar Interpolis) is verjaard. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat dat het geval is. Eisers in cassatie kunnen zich niet verenigen met het oordeel van het hof over de datum, waarop de verjaring is gaan lopen. Voorts is er een klacht over de weigering van het toelaten van een DVD als gedingstuk.

1.4. Voor zover [eiser 1]'s cassatieklachten al voldoen aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv daaraan te stellen eisen, kunnen zij m.i. niet tot cassatie leiden. Vragen, die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen, in de zin van art. 81 RO heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten(1)

2.1. [Eiser] c.s. zijn tuinders, die zich bedrijfsmatig bezig hebben gehouden met het kweken van tomaten. Bij de teelt hebben zij champignonmest (zogenoemde champost) gebruikt als grondverbeteraar. In de eerste helft van 1982 is op de kwekerijen van [eiser] c.s. schade ontstaan in die zin, dat de aanwezige tomatenplanten groeistoornissen en vervormingen vertoonden. Op het bedrijf van [eiser 2] en [eiser 3] wilde sedertdien geen enkel gewas meer groeien.

2.2. Naar aanleiding hiervan hebben [eiser] c.s. zich - ieder voor zich - in de loop van 1982 tot de Stichting gewend, zulks op basis van een bij NV Interpolis Schade (hierna: Interpolis) afgesloten rechtsbijstandsverzekering.

2.3. In het kader van de rechtsbijstandverlening hebben de agrarisch deskundigen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de bedrijven van de kwekers bezocht en op enkele kwekerijen, waaronder op die van [eiser 4], monsters genomen van een tomatenplant, van de kluit van een tomatenplant en van de aanwezige champost. Voorts is [betrokkene 5], een in agrarisch recht gespecialiseerd advocaat, aangezocht om ten behoeve van [eiser] c.s. de schadeverhaalsmogelijkheden in kaart te brengen.

2.4. De bij [eiser 4] genomen monsters zijn onderzocht door TNO. Het onderzoek wees op een aanwezigheid van pentachloorfenol in de kluit (0,08 mg pentachloorfenol per kg monster) en in de champost (1,8 mg pentachloorfenol per kg monster).

2.5. [Eiser 2] en [eiser 3] hebben enige tijd na het ontstaan van de schade zelf monsters genomen van de grond in hun bedrijf en deze monsters voor onderzoek toegezonden aan TNO. Dit onderzoek duidde op de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid pentachloorfenol in de grond.

2.6. Op het bedrijf van [eiser 1] zijn geen monsters genomen.

2.7. In de jaren na het ontstaan van de schade is door diverse (wetenschappelijke) instanties onderzoek verricht naar de aanwezigheid van glyfosaat en pentachloorfenol in champost en/of naar de invloed van deze stoffen op de teelt van tomaten.

2.8. Bij wijze van proefproces is op naam van [eiser 2] en [eiser 3] een civiele procedure aanhangig gemaakt tegen Internationaal Transportbedrijf en Handelsonderneming [A] BV (hierna: [bedrijf A]), het bedrijf dat voorafgaande aan het intreden van de schade champost aan [eiser 2] en [eiser 3] had geleverd.

2.9. Bij vonnis van 1 juli 1986 heeft de rechtbank te Roermond de vordering van [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft deze afwijzing bij arrest van 21 oktober 1988 (prod. 2 bij CvA) bekrachtigd, daartoe overwegende:

'5. (...) niet geheel [is] uitgesloten te achten, dat enig verband bestaat tussen het gebruik door [eiser 2 en eiser 3] van champost (...) en het opgetreden zijn van de door hen gestelde groeistoornissen (...) en/of tussen het gebruik door [eiser 2 en eiser 3] van champost (...) en het aangetroffen zijn van pentachloorfenol in bodemmonsters en/of tussen de aanwezigheid van pentachloorfenol in de grond van de kassen en het opgetreden zijn van de gestelde groeistoornissen.

6. Op geen enkele wijze is echter komen vast te staan, dat (...) het voorkomen van pentachloorfenol in de grond van die kassen het gevolg is van het gebruik van de door [bedrijf A] verkochte en geleverde champost en niet het gevolg is van gebruik (...) van champost in voorgaande jaren en/of het gebruik van andere stoffen, gebezigd ter verbetering van de grond en/of gewas.

7. Tegenover het vermoeden, dat zou kunnen rijzen uit het voorkomen van groeischade na gebruik van door [bedrijf A] verkochte en geleverde champost en uit het aantreffen nadien in de grond van de kassen van pentachloorfenol, staat een dermate groot aantal aanwijzingen, ontleend aan rapportage van instanties, die geacht mogen worden met deskundigheid terzake te kunnen verklaren, dat een verband tussen het gebruik van champost casu quo het voorkomen in de grond van de kassen van pentachloorfenol en het optreden van groeischade niet aantoonbaar is, dat een vermoeden, dat zulk een verband wel aanwezig is, van te gering gewicht moet worden geacht om daarop een aansprakelijkheid van [bedrijf A] voor die schade te kunnen baseren.

(...)

10. Ter processe staat (...) dus niet vast en zal (...) ook niet komen vast te staan, niet alleen dat de door [bedrijf A] aan [eiser 2 en eiser 3] verkochte en geleverde champost niet gestoomd was, doch evenmin dat, indien al die champost niet gestoomd zou zijn geweest, oorzakelijk verband bestaat tussen het gebruik door [eiser 2 en eiser 3] van die champost - al dan niet door de invloed van zich daarin bevindende pentachloorfenol of een daarmee verwante stof - en het opgetreden zijn van de door hen gestelde schade. (...)'

2.10. Op 26 september 1989 heeft er een gesprek plaatsgevonden, waarbij onder meer vertegenwoordigers van de Tuindersvakbond NCB en één van [eiser 2 en eiser 3], als vertegenwoordiger van de betrokken tuinders, aanwezig waren. Een van 27 september 1989 daterende notitie (prod. 19 bij CvA), welke is opgesteld door de secretaris van de Tuindersvakbond NCB, vermeldt over dit gesprek:

'(...) Door [eiser 2] werd in dat gesprek gesteld dat de gedupeerden toentertijd als één bloc kozen om de publiciteit niet te zoeken omreden van: (...) de procedure, die opgestart was, werd afgewacht. (...) [Eiser 2] uitte kritiek op Interpolis, die naar zijn zeggen onvoldoende gedaan heeft om in de procedure succes te hebben. (...)'

2.11. [Eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] hebben zich op 6 september 1991 bij de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf beklaagd over de wijze van rechtsbijstandverlening door de Stichting (prod. 8 bij CvA). Bij uitspraak van 30 maart 1992 (prod. 10 bij CvA) heeft de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf de klacht ongegrond verklaard. De uitspraak vermeldt onder meer:

'De Klacht.

De door verzekeraar verleende rechtsbijstand alsook de rechtsbijstand door de krachtens de rechtsbijstandverzekering ingeschakelde advocaat is ver beneden de maat geweest. De door verzekeraar gezonden agrarisch inspecteur weigerde op 7 april 1982 bij één van de klagers grondmonsters te nemen (...) op 21 april 1982 weigerde de agrarisch inspecteur wederom om een grondmonster te nemen. Op 22 april 1982 heeft de Plantenziektenkundige Dienst een monster van de champignonmest en het plantmateriaal meegenomen voor onderzoek. De uitslag van het onderzoek van de mest is klagers nog steeds niet bekend. (...) De civiele procedure werd verloren bij gebrek aan bewijs en was dus bij voorbaat zinloos. Klagers hebben de overtuiging dat verzekeraar in de procedure bewilligd heeft teneinde hen zoet te houden. De verzekeraar heeft nagelaten het onderzoek te doen dat het bewijs had kunnen leveren. Na het verliezen van de civiele procedure heeft verzekeraar niets gedaan om de kwestie voor klagers - die uit collegialiteit met de champignonkwekers deze niet in de openbaarheid hadden gebracht - alsnog op een bevredigende wijze op te lossen. (...)

Klagers hebben, kennis genomen hebbend van het verweer van verzekeraar, hun klacht gehandhaafd en uitgebreid toegelicht. (...)'

2.12. Bij brief van 12 februari 1993 (prod. 20 bij CvA) heeft [eiser 2] aan de hoofddirectie van Interpolis bericht:

'(...) 30 augustus 1990 is er een bijeenkomst geweest (...). Nadien zijn er duidelijk aantoonbare feiten naar boven gekomen, waaruit blijkt dat de rechtsbijstand, waarop wij ons beroept hebben, zeer nalatig is geweest, er mag zelfs over wanprestatie worden gesproken. (...)'

2.13. Bij brief van 26 februari 1996 (prod. 22 bij de dagvaarding) heeft [eiser 4] aan het hoofdbestuur van Interpolis zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over de wijze waarop de zaak door de Stichting is aangepakt. [Eiser 4] schrijft onder meer:

'(...) Waarom heeft Interpolis ons van het begin niet (mondeling dan wel schriftelijk) op de hoogte gesteld van de onderzoeken, die door uw deskundige gedaan zijn? (...) Mijn collega's wisten van niets op het moment, door de deskundige van Interpolis werd geen onderzoek nodig geacht, werd er gezegd (...) [Betrokkene 5] heeft duidelijk gesteld dat voor goed bewijsmateriaal een proef opgezet moest worden met dezelfde concentratie, die gevonden was. (...) Zoals wij vernomen hebben, denkt u er niet aan om voor de kosten op te komen (...) U behoort in te zien, waarom het fout is gegaan gedurende de beginperiode van deze zaak, onder leiding van Interpolis. Het is uw verantwoordelijkheid om deze zaak alsnog tot een goed einde voor alle betrokkenen te brengen (...)'

2.14. [Eiser 4] en [betrokkene 4] (geen partij in deze procedure) hebben bij de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten een klacht ingediend tegen [betrokkene 5], welke de volgende passage bevatte (zie pagina 5 van prod. 23 bij de dagvaarding en van prod. 10 bij CvA):

'Tenslotte willen wij erop wijzen dat de opstelling van de standsorganisaties en de rechtsbijstandsverzekering het achterhalen van de schadeoorzaak ten behoeve van de procedure heeft bemoeilijkt zo niet onmogelijk heeft gemaakt!'

Nadat [betrokkene 5] op 28 juni 1996 verweer had gevoerd (prod. 23 bij de dagvaarding en prod. 10 bij CvA) heeft de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten de klacht ongegrond verklaard.

2.15. Begin 1999 hebben [eiser] c.s. zich - via tussenkomst van de Landelijke Stichting Evenwicht - tot mr. Marcus-Daniëls gewend met het verzoek om te bezien of er reële mogelijkheden bestaan om de Stichting en/of [betrokkene 5] aansprakelijk te stellen voor hun handelen/nalaten. Bij brief van 2 maart 1999 (prod. 15 bij CvA) heeft mr. Marcus-Daniëls voorlopig advies uitgebracht. Na verkrijging van een vollediger dossier heeft zij op 11 mei 2001 (prod. 16 bij CvA) definitief geadviseerd.

2.16. Bij brief van 29 oktober 2001 (prod. 18 bij CvA) heeft mr. Marcus-Daniëls namens [eiser] c.s. de Stichting aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] c.s. geleden hebben, lijden en nog zullen lijden doordat de Stichting tekort is geschoten in een juiste behartiging van hun belangen bij het verhalen van de door hen geleden schade.

3. Procesverloop

3.1. Bij inleidende dagvaarding van 16 september 2003 hebben [eiser] c.s. een verklaring voor recht gevorderd dat de Stichting onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Tevens vorderen zij schadevergoeding, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met kosten van rechtsbijstand en wettelijke rente.

3.2. De Stichting heeft de vordering weersproken en een beroep gedaan op verjaring.

3.3. De rechtbank Breda heeft bij vonnis van 3 november 2004 het beroep van de Stichting op verjaring van de vorderingen van [eiser] c.s. gegrond verklaard, de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten.

3.4. Bij memorie van grieven hebben [eiser] c.s. drie producties overgelegd, vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het uitvoerbaar bij voorraad alsnog toewijzen van hun vorderingen, met veroordeling van de Stichting in de kosten van beide instanties.

3.5. Bij memorie van antwoord heeft de Stichting onder overlegging van één productie de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van beide instanties, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

3.6. [Eiser] c.s. hebben vervolgens een akte genomen, voorzien van een tiental producties. De Stichting heeft een antwoordakte genomen.

3.7. Partijen hebben vervolgens de zaak ter zitting van het hof van 16 maart 2006 doen bepleiten.

3.8. Bij arrest van 29 augustus 2006 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.9. Tegen dit arrest hebben [eiser] c.s. - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De Stichting heeft zich verweerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, gevolgd door repliek (met producties) en dupliek.

4. Beoordeling van het cassatiemiddel

4.1. Onderdeel 1 faalt m.i. reeds, omdat het niet aangeeft op welke rechtsoverweging het betrekking heeft. Het onderdeel voldoet daarom niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen.(2) Voor zover ik de klachten van het onderdeel kan duiden, zal ik er niettemin een korte bespreking aan wijden.

4.2. Het onderdeel klaagt dat er sprake is van schending van het recht en/of verzuim van vormen nu het gerechtshof een DVD niet heeft toegelaten als processtuk en derhalve niet bij de beoordeling heeft betrokken. Eisers tot cassatie zijn van mening, dat de inhoud van de DVD van wezenlijk belang is voor een juiste beoordeling van de gehele zaak.

4.3. De klacht heeft kennelijk betrekking op rov. 2.4, waar het hof overwoog:

'(...) Het hof heeft ter zitting geconstateerd dat zich bij het door mr. Daniëls ten behoeve van het pleidooi overgelegde dossier een DVD bevond, die geen deel uitmaakte van de stukken van de eerste aanleg en die ook niet als zodanig ter griffie van het hof is gedeponeerd. Daarop heeft mr. Daniëls verzocht alsnog ter zitting een akte [te] mogen nemen teneinde de DVD in het geding te brengen. Daartegen heeft mr. Ouled Ali bezwaar gemaakt, stellende dat hij onkundig was van de inhoud van de DVD en dat deze hem niet op voorhand was toegezonden. Gelet op het tijdstip van aanbieden van de DVD en de onbekende aard en omvang van de informatie op die DVD, heeft het hof het alsnog in het geding brengen van de DVD geweigerd zodat de DVD geen deel uitmaakt van de gedingstukken.'

4.4. [Eiser] c.s. voeren aan dat de inhoud van de DVD gelijk is aan die van een in eerste instantie via depot ter griffie van de rechtbank in het geding gebrachte video. Het hof heeft evenwel - in cassatie op zichzelf onbestreden - geconstateerd dat de t.b.v. het pleidooi in appèl overgelegde DVD geen deel uitmaakte van de stukken van de eerste aanleg en ook niet als zodanig ter griffie van het hof is gedeponeerd. Daarom - of omdat nader onderzoek nodig zou zijn naar de identiteit van de informatie op de DVD respectievelijk de videoband - kon het hof, gelet op art. 85 leden 3 en 4 Rv, de DVD buiten beoordeling laten.

4.5. De onderdelen 2 tot en met 5 falen m.i. reeds, omdat ze niet aangeven op welke rechtsoverweging(en) de klachten betrekking hebben.

Waar het middel (in onderdelen 2 en 3) klaagt over schending van het recht, wordt ook niet aangegeven welke rechtsregel is geschonden. In onderdeel 4 wordt wél gewezen op een uitspraak van uw Raad, maar in dit onderdeel lees ik geen rechtsklacht.

Voor zover de onderdelen motiveringsklachten bevatten, moeten deze met bepaaldheid en precisie aangeven welke beslissing of overweging gebrekkig is gemotiveerd en waarom. Dat is in het onderhavige middel niet het geval.(3)

Voor de klachten geldt dat zij qua formulering, inhoud en strekking beogen het feitelijke debat voort te zetten of te heropenen. Daarvoor is in cassatie geen ruimte. Zo de onderdelen 2 tot en met 5 al voldoen aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen, kunnen zij (ook) daarom niet tot cassatie leiden(4).

Niettemin zal ik aan de klachten nog een zeer korte bespreking wijden.

4.6. De - ook overigens falende - klachten richten zich kennelijk tegen rov. 4.4, 4.4.1 en 4.4.2 waar het hof oordeelt over de voor het ingangstijdstip van verjaring ingevolge art. 3:310 BW lid 1 in aanmerking te nemen bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon, en rov. 4.5 waar het hof oordeelt over een ingeroepen uitzonderingssituatie op het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn. Het hof zou niet in zijn gegaan op daar bedoelde stellingen van eisers (er wordt, zoals reeds opgemerkt, niet aangegeven waar die in de processtukken zijn aangevoerd) en zodoende zou geen sprake zijn van een deugdelijke reactie van het hof.

4.7. Het middel - ik behandel de onderdelen 2 tot en met 5 gezamenlijk - kan niet tot cassatie leiden nu het hof voldoende duidelijk en begrijpelijk heeft geoordeeld waarom in onderhavig geval het door de Stichting gedane beroep op verjaring slaagt en daarbij de juiste maatstaf heeft toegepast. Ik licht dit hieronder nader toe.

4.8. Vooropgesteld moet worden dat het bij 'bekendheid' in de zin van art. 3:310 lid 1 BW aankomt op subjectieve bekendheid, aldus ook het hof in rov. 4.4. De korte verjaringstermijn (vijf jaren) van art. 3:310 lid 1 BW begint, gelet op de strekking van deze bepaling, dus te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van zijn schade in te stellen.(5)

4.9. Het hof oordeelde in rov. 4.4 dat het door de Stichting gedane beroep op verjaring (alleen) kan slagen indien aangenomen moet worden dat bij [eiser] c.s. - ieder - in de periode van vijf jaar voorafgaand aan 29 oktober 2001 (de datum waarop de (nieuwe) advocate van [eiser] c.s. de Stichting aansprakelijk heeft gesteld voor de door [eiser] c.s. geleden schade), bekendheid met de schade en met de Stichting als aansprakelijke persoon bestond. Anders dan waarvan het middel kennelijk uitgaat, betekent dit niet dat bij [eiser] c.s. ook (absolute) zekerheid omtrent de oorzaak van de schade diende te bestaan, wil de verjaringstermijn een aanvang nemen.(6) [Eiser] c.s. behoefden dus niet tot in detail met de schadeoorzaak bekend te zijn, alvorens de verjaringstermijn gaat lopen. Op grond van de feiten en omstandigheden van het geval oordeelde het hof in rov. 4.4.1 begrijpelijk en gemotiveerd dat ten aanzien van [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] bekendheid met de schade en met de Stichting als aansprakelijke persoon bestond. In rov. 4.4.2 oordeelde het hof op grond van de omstandigheden van het geval begrijpelijk en gemotiveerd dat ook ten aanzien van [eiser 4] het beroep op verjaring slaagt.

4.10. In rov. 4.5 beoordeelde het hof of in het onderhavige geval sprake is van een uitzonderingssituatie, dat het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het hof oordeelde voldoende duidelijk en begrijpelijk dat de door [eiser] c.s. aangevoerde omstandigheden niet verhinderden dat de vorderingen eerder konden worden ingesteld.

4.11. De rechtsoverwegingen waartegen het middel zich kennelijk, maar zonder succes richt, brengen mee dat de dag waarop [eiser] c.s. daadwerkelijk in staat waren een rechtsvordering tot vergoeding van hun schade in te stellen, lag voor de datum van 29 oktober 2001, en dat er zodoende sprake is van verjaring. Alle klachten uit de onderdelen 2 tot en met 5, voor zover begrijpelijk, stuiten daarop af.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan de - in cassatie onbestreden - rov. 4.1 t/m 4.1.3 van het arrest, en aan rov. 3.1 sub a t/m p van het vonnis van de rechtbank Breda van 3 november 2004, waarnaar het hof verwijst.

2 Zie HR 6 juni 2003, NJ 2003, 707, m.nt. DA en HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82, rov. 3.4.

3 Vgl. HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82, rov. 3.4.

4 Vgl. HR 25 november 2005, nr. C04/182, LJN AT8782 (Eternit/Erven H.), rov. 3.4.

5 Zie het ook door het hof genoemde standaardarrest HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 112 m.nt. C.E. du Perron, rov. 3.4, en HR 6 april 2001, NJ 2002, 383, m.nt. HJS onder NJ 2002, 384, rov. 3.4.2.

6 HR 20 februari 2004, NJ 2006, 113, rov. 3.9.