Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8669

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
01638/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8669
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Aanwezigheidsrecht. 2. Redelijke termijn, ontvankelijkheid. Ad 1. HR herhaalt toepasselijke regels uit LJN AD5163. Uit de stukken kan niet blijken dat de appeldagvaarding is toegezonden aan het in de appelakte vermelde adres. Ad 2. HR herhaalt toepasselijke regels uit LJN AA7309. Bij het onderzoek naar de naleving van art. 435.1 Sv heeft de HR vastgesteld dat verdachte van 15-5-1993 tot aan de betekening van de mededeling uitspraak onafgebroken op diverse adressen ingeschreven heeft gestaan, m.u.v. een maand in 1998. V.w.b. het tijdsverloop na het wijzen van het arrest geldt dat binnen één jaar na de bestreden uitspraak een rechtsgeldige poging is gedaan om de verstekmededeling te betekenen, zodat de vertraging na het wijzen van het arrest op 23-12-1996 tot aan de datum waarop verdachte cassatieberoep heeft ingesteld op 2-4-2007 niet gezegd kan worden dat de vertraging in deze periode valt toe te rekenen aan het OM. V.w.b. de fase tussen het vonnis van 24-12-1993 en het instellen van het h.b. op 21-3-1996 geldt dat de stukken niets behelzen waaruit kan volgen dat in die periode is getracht het verstekvonnis te betekenen, zodat moet worden geoordeeld dat in die fase van het geding de redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM is geschonden. Ook indien het totale procesverloop in aanmerking wordt genomen, brengt dit nog niet de niet-ontvankelijk van het OM met zich.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 437
NJ 2008, 332
RvdW 2008, 613
NJB 2008, 1344
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01638/07

Mr. Vellinga

Zitting: 1 april 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 23 december 1996 wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met en in artikel 2, eerste lid onder b, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte geldig heeft geacht, althans dat het Hof ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst om de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep bij te wonen.

4. De stukken van het geding laten, voor wat betreft de gemeentelijke basisadministratie uitgaande van het aan de aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv gehechte GBA-overzicht van 30 juli 2007, het volgende zien.

5. Op 21 maart 1996 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld van een op 24 december 1993 te zijnen laste gewezen vonnis van de arrondissementsrechtbank te Den Haag. In de akte rechtsmiddel gaf hij als zijn adres op [a-straat 1], [woonplaats].

6. De dagvaarding in hoger beroep is op de voet van het bepaalde in art. 588 lid 1, b onder 1o (oud) Sv op 28 augustus 1996 aangeboden op het adres [c-straat 1], [woonplaats], alwaar de verdachte sinds 7 juli 1995 en tot tenminste vijf dagen na de dag van aanbieding stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Ter plaatse kon de dagvaarding niet worden uitgereikt omdat op dat adres niemand werd aangetroffen. Er is een bericht van aankomst achtergelaten onder vermelding van het adres van het postkantoor of politiebureau waar de dagvaarding binnen een in het bericht van aankomst vermelde termijn kon worden afgehaald. Van die gelegenheid heeft de geadresseerde geen gebruik gemaakt. Vervolgens is de dagvaarding op 30 september 1996 uitgereikt aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Den Haag.

7. Het voorgaande betekent dat de dagvaarding weliswaar op rechtsgeldige wijze, immers op basis van verdachtes adres in de gemeentelijke basisadministratie is betekend(1), maar dat het Hof niettemin gelet op bij akte rechtsmiddel opgegeven, van het adres in de gemeentelijke basisadministratie afwijkende en recentere adres het onderzoek ter terechtzitting met het oog op verdachtes aanwezigheidsrecht (art. 6 EVRM) had moeten schorsen om de verdachte door oproeping op laatstbedoeld adres alsnog in de gelegenheid te stellen het onderzoek ter terechtzitting bij te wonen.(2)

8. Voor zover het middel beoogt te klagen over de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg diene het volgende. De inleidende dagvaarding is overeenkomstig het bepaalde in art. 588 lid 1 onder b (oud) Sv op 20 september 1993 uitgereikt op het adres [a-straat 1], [woonplaats] aan - kort gezegd - een huisgenoot. Dat adres komt overeen met het adres waarop de verdachte van 30 juli 1993 tot 1 december 1994 ingeschreven is geweest in de gemeentelijke basisadministratie. Redenen waarom deze betekening gebrekkig is worden in de schriftuur niet genoemd en kan ik ook niet ontdekken. Weliswaar staat op de akte van uitreiking vermeld dat de huisgenoot niet wilde tekenen maar dat staat aan rechtsgeldige uitreiking niet in de weg.(3)

9. Het middel slaagt ten dele.

10. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is geschonden.

11. De verdachte is in verzekering gesteld op 26 januari 1993. Op 18 juni 1993 werd de inleidende dagvaarding wegens een betekeningsgebrek nietig verklaard, waarna de inleidende dagvaarding op 20 september 1993 werd uitgereikt niet in persoon. Ter terechtzitting van 10 december 1993 verscheen de verdachte niet. Op 24 december 1993 werd vonnis gewezen. In zoverre is van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake. De berechting heeft immers plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verdachte in verzekering is gesteld, een handeling vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld.(4)

12. Van enige poging tot de bij art. 366 lid 1 (oud) Sv voorgeschreven betekening van de uitspraak blijkt niet, hoewel de verdachte gedurende de gehele periode tussen het vonnis in eerste aanleg en het instellen van het hoger beroep op een met name genoemd adres stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

13. Op 21 maart 1996 stelde de verdachte van het vonnis hoger beroep in. De dagvaarding in hoger beroep werd niet in persoon betekend. Ter terechtzitting van 9 december 1996 verleende het Hof verstek tegen de verdachte. Op 23 december 1996 wees het Hof het onderhavige arrest, dus binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Dit betekent dat bij de berechting in hoger beroep de redelijke termijn niet is overschreden.(5)

14. Van 7 juli 1995 tot 15 mei 1998, dus reeds voordat genoemd arrest werd gewezen, woonde de verdachte volgens de gemeentelijke basisadministratie op het adres [c-straat 1], [woonplaats]. Tussen 15 mei 1998 en 15 juni 1998 stond de verdachte in de gemeentelijke basisadministratie vermeld als zonder vaste woon- of verblijfplaats. Met ingang van 15 mei 1998 staat hij ingeschreven op het adres [d-straat 1], [woonplaats].

15. Op 10 april 1994 werd de mededeling uitspraak betekend aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Den Haag. De eerste activiteit die vervolgens van de zijde van de staat wordt ontplooid, is een poging tot betekening van de verstekmededeling aan de verdachte op 24 september 2004. Deze poging blijft steken in het feit dat de verdachte op het adres [d-straat 1], [woonplaats] niet werd aangetroffen en hij de verstekmededeling niet kwam ophalen op het in bericht van aankomst vermelde adres. Binnen een jaar nadien, op 21 april 2005, wordt de mededeling uitspraak opnieuw en wederom vergeefs aangeboden op laatstgenoemd adres, waarna op 1 augustus 2005 uitreiking aan de griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage volgt. Een korte periode van opvallende activiteit dus waarin de met het oog op het voorkomen van schending van de redelijke termijn in acht te nemen periode van één jaar(6) in acht is genomen.

16. Vanaf 9 september 2005 stond de verdachte gesignaleerd. Dit had uiteindelijk succes, want op 24 maart 2007 wordt op Schiphol de mededeling uitspraak in persoon uitgereikt waarna vervolgens op 5 april 2007 wederom betekening van de mededeling uitspraak in persoon plaatsvindt.

17. Wanneer in aanmerking wordt genomen dat de Staat voor het betekenen van de verstekmededeling één jaar kan nemen zonder dat van overschrijding van de redelijke termijn sprake is, heeft de Staat voor zover voor overschrijding van de redelijke termijn van belang tussen het vonnis in eerste aanleg en het instellen van het hoger beroep gedurende één jaar en drie maanden(7) geen enkele activiteit ontplooid, tussen het wijzen van het onderhavige arrest op 23 december 1996 en de poging tot betekening van de verstekmededeling in op 24 september 2004 zes jaar en negen maanden. Na 9 september 2005 duurt het tot 24 maart 2007 voordat de mededeling uitspraak aan de verdachte wordt uitgereikt, een periode van anderhalf jaar van inactiviteit, dus meer dan het jaar dat de Hoge Raad in geval van verstek toelaatbaar acht.(8) Brengen we op dit totaal van achteneenhalf jaar inactiviteit(9) in mindering een maand voor de periode dat de verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats was en hij het dus aan zichzelf te wijten had dat hij voor de organen van justitie niet bereikbaar was, dan resulteert dit in een periode van acht jaar en vijf maanden voor de overschrijding van de redelijke termijn relevante inactiviteit van de staat.

18. In aanmerking genomen dat niet kan worden gezegd dat de aldus opgetreden vertraging valt toe te rekenen aan de verdachte zodat die vertraging voor rekening van het Openbaar Ministerie komt, is voor wat betreft de betekening van de verstekmededeling als bedoeld in art. 366 Sv, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, sprake van overschrijding van de redelijke termijn, nu het Openbaar Ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

19. In de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats.(10)

20. Gelet op hetgeen onder 17 en 18 is uiteengezet alsmede in aanmerking genomen dat de onderhavige feiten tussen 1 december 1992 en 11 januari 1993 en dus ruim vijftien jaren geleden zijn begaan en de verdachte daarvoor een voorwaardelijke vrijheidsstraf van beperkte duur, te weten vier maanden gevangenisstraf, is opgelegd, moet bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, laatstgenoemd belang prevaleren, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.(11)

21. Het middel slaagt.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Rechtbank is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, rov. 3.11.

2 HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, rov. 3.38 onder a.

3 Vgl. art. 589 en 590 (oud) Sv waar niet wordt voorgeschreven dat degene aan wie de dagvaarding wordt uitgereikt daarvoor tekent.

4 HR 3 oktober 2000, LJN AA7309 NJ 2000, 721, m. nt. JdH, rov. 3.14.

5 HR 3 oktober 2000, LJN AA7309 NJ 2000, 721, m. nt. JdH, rov. 3.16.

6 HR 3 oktober 2000, LJN AA7309 NJ 2000, 721, m. nt. JdH, rov. 3.19.

7 Vonnis eerste aanleg 23 december 1996, instellen hoger beroep 21 maart 1996

8 HR 3 oktober 2000, LJN AA7309 NJ 2000, 721, m. nt. JdH, rov. 3.19.

9 De Hoge Raad rekent de vertraging vanaf één jaar na het wijzen van het vonnis of arrest waarvan de mededeling moet worden betekend: HR 3 april 2007, LJN: AZ8362.

10 Vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.21.

11 Vgl. HR 6 februari 2007, LJN AZ3134, HR 31 oktober 2006, LJN AY8320, HR 7 maart 2006, LJN AU8283, HR 15 november 2005, LJN AU3475, HR 19 november 2002, nr. 02540/01 en HR 22 mei 2001, NJ 2001, 440.