Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8637

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
01169/06 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8637
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Persoonsverwisseling. De inhoud van de stukken kan niet het ernstige vermoeden wekken dat de Ktr, ware hij daarmee bekend geweest, aanvrager zou hebben vrijgesproken dan wel zou hebben ontslagen van rechtsvervolging. De stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat de tweelingbroer van aanvrager de auto buiten medeweten van aanvrager op diens naam heeft gesteld, vindt in die stukken onvoldoende steun, in het bijzonder gelet op de verklaringen van de verkoper van de auto en de verklaring van de tweelingbroer van aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 340
RvdW 2008, 505

Conclusie

Nr. 01169/06 H

Mr. Vellinga

Zitting: 12 februari 2008

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de kantonrechter te Roermond van 14 december 2005 is de aanvrager van herziening wegens "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" veroordeeld tot een geldboete van € 480,=, subsidiair 9 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

2. Namens de veroordeelde is door mr. L.A.C.M. van der Bruggen, advocaat te Roermond, een aanvraag tot herziening van deze uitspraak ingediend.

3. De aanvraag berust op de stelling dat de eeneiige tweelingbroer van de veroordeelde, [betrokkene 1], de auto buiten medeweten van de veroordeelde om op diens naam heeft gesteld en dat ware de rechter met die omstandigheid bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde. Ter adstructie van deze stelling gaat de aanvraag vergezeld van een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], die inhoudt dat hij inderdaad bij aanschaf van de auto deze buiten medeweten van zijn eeneiige tweelingbroer op diens naam heeft gezet. Voorts wordt in de aanvraag en de daarbij behorende bijlagen vermeld dat de veroordeelde aangifte heeft gedaan van het plegen van valsheid in geschrift door zijn tweelingbroer met betrekking tot de tenaamstelling van de auto.

4. Naar aanleiding van de aanvraag heb ik het College van Procureurs-generaal verzocht nader onderzoek te laten verrichten naar de juistheid van de in de aanvraag geponeerde stelling. Dat nadere onderzoek heeft - voor zover ik kan nagaan - hierin bestaan dat bij het arrondissementsparket te Roermond navraag is gedaan naar de stand van zaken in het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte tegen [betrokkene 1]. De processen-verbaal die zijn opgemaakt in het kader van dat onderzoek zijn aan mij toegezonden, vergezeld van de mededeling dat ten parkette is besloten de zaak te seponeren wegens gebrek aan bewijs.

5. De processen-verbaal bevatten verklaringen die zijn afgelegd door [betrokkene 1] en de veroordeelde die neerkomen op een herhaling van hun beider verklaringen zoals die in de bijlagen bij de aanvraag tot herziening zijn gevoegd en houden in dat [betrokkene 1] de auto heeft aangeschaft en het kenteken op naam van zijn tweelingbroer heeft gezet. Aanvullend bewijs voor de in de aanvraag geponeerde stelling kan ik in die verklaringen niet vinden. Wel bevindt zich bij de processen-verbaal een verklaring d.d. 9 februari 2007 van [getuige 1], de garagehouder van wie de auto is gekocht. Deze verklaring houdt in:

"Ik kan mij nog herinneren dat ik die blauwe Ford Escort eind 2004 heb verkocht aan [betrokkene 1]. Het kenteken van die auto is [AA-00-BB]. Ik kan mij dat herinneren omdat die jongens een eeneiige tweeling zijn. Zij hebben vaker een auto bij mij gekocht. Ik weet dat je een [betrokkene 1] hebt en een [aanvrager]. Ik weet dat [aanvrager] bij [bedrijf A] in [plaats A] werkt want mijn broer werkt daar ook. Ik kan u verklaren dat zij samen bij mij in de zaak waren toen betreffende auto werd gekocht. Ik heb gezien dat zij samen om de auto gelopen hebben voordat ze de auto kochten. Als ik het mij goed herinner is de auto op naam van [aanvrager] gekocht. Dat weet ik echter niet voor 100% zeker. Ik kan die twee niet uit elkaar houden als ze alleen voor mij staan. Als ze samen zijn dan zie ik wel verschillen. Als een van de twee alleen komt weet ik niet wie het is. "

Voorts bevindt zich bij de processen-verbaal een orderbevestiging voorzien van het hoofd "[bedrijf B]" d.d. 11 oktober 2004 met als naam en adres van koper "[betrokkene 1], [a-straat 1], [woonplaats]" betreffende een blauwe Ford Escort met het kenteken [AA-00-BB] voor een koopprijs van € 175,-- met de vermelding "voldaan". Uit de stukken van de strafzaak die aan de aanvraag tot herziening vooraf is gegaan, leid ik af dat dat de auto is waarmee het bewezenverklaarde feit is begaan.

6. Ten behoeve van de zitting van 8 mei 2007 heeft de raadsman nog enkele stukken aan de Hoge Raad gezonden die betrekking hebben op een geschil met de Belastingdienst, waarbij - kort gezegd - de aanvrager stelt dat hij door zijn broer buiten zijn medeweten is opgegeven als eigenaar van de onderneming waarvoor hij - naar hij stelt - voor de vennootschapsbelasting wordt aangesproken. Een en ander ter adstructie van de stelling dat de broer van de aanvrager misbruik heeft gemaakt van de naam van aanvrager.

7. Verzoeker heeft in zijn aangifte tegenover de politie opgegeven dat zijn broer een rode Honda Civic heeft gekocht in december 2004, voorzien van - eveneens - het kenteken [AA-00-BB]. Deze opgave strookt niet met het hiervoor weergegeven resultaat van het nader onderzoek dat het College van Procureurs-generaal op mijn verzoek heeft doen verrichten. Daaruit komt immers naar voren dat het niet om een rode Honda Civic maar om een Ford Escort ging. Deze omstandigheid roept twijfel op aan de juistheid van de stelling van aanvrager.

8. Uit het landelijk register van faillissementen blijkt dat [betrokkene 1] van 24 maart 2004 tot en met 1 februari 2006 in staat van faillissement heeft verkeerd. Deze omstandigheid kan de stelling van aanvrager dat zijn broer zich voor hem heeft uitgegeven steunen in die zin dat in die omstandigheid een reden voor de broer van aanvrager kan zijn gelegen om een auto en een bedrijf op naam van zijn broer te zetten.

9. Het voorgaande heeft mij aanleiding gegeven het Parket-Generaal nogmaals te verzoeken nader onderzoek te laten verrichten, waarbij ik heb verzocht opheldering te verschaffen over het type van de auto die op naam van de aanvrager is gesteld, alsmede over de in de aanvulling op de aanvraag verstrekte informatie over de tenaamstelling van een bedrijf door de broer van de aanvrager. Voor wat betreft die laatste vraag merk ik het volgende op. Deze is ingegeven door de inhoud van de stukken die door de raadsman van de aanvrager pas bij brief van 26 april 2007 aan de Hoge Raad zijn toegezonden als nadere onderbouwing van de aanvraag tot herziening. In beginsel dienen deze dus buiten het onderzoek te blijven omdat de wet niet voorziet in aanvullende verzoeken tot herziening.(1) Daar staat echter tegenover dat de inhoud van deze stukken op zichzelf niet tot een nieuw verzoek tot herziening kan leiden en de herzieningsprocedure zich er niet tegen verzet dat in reactie op het resultaat van het door de Procureur-Generaal verricht onderzoek stukken in het geding worden gebracht die tegenwicht kunnen bieden aan de resultaten van bedoeld onderzoek of deze weerspreken.(2) Voor het onderhavige geval kan daar eventueel bij in aanmerking worden genomen dat bedoelde stukken in het onderhavige geval dateren van na de datum van indiening van het verzoek, zij het dat tevens uit die stukken kan worden opgemaakt dat de aanvrager er ten tijde van de indiening van het verzoek mee op de hoogte was dat zijn broer het onderhavige bedrijf op aanvragers naam had gezet.

10. Ter uitvoering van het verzochte nader onderzoek zijn zowel de aanvrager als zijn broer door de politie gehoord, waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt die, met aanzienlijke vertraging, aan de Hoge Raad werden toegezonden.

11. Die processen-verbaal betreffen het volgende:

- een proces-verbaal van aangifte van 4 juli 2007, inhoudende dat de aanvrager aangifte van valsheid in geschrifte doet tegen [betrokkene 1], omdat deze - zakelijk weergegeven - het bedrijf [C] LTD heeft opgericht en daarbij ten onrechte de naam van aanvrager heeft gebruikt;

- een proces-verbaal van verhoor van 5 juli 2007 van [betrokkene 1], dat - kort gezegd - inhoudt dat het bedrijf [C] LTD op naam van [aanvrager] is opgericht en dat hij daar de hand in heeft gehad en dusdoende valsheid in geschrift heeft gepleegd, maar tevens dat [aanvrager] daar weet van had;

- een proces-verbaal van verhoor d.d. 3 juli 2007, inhoudende als verklaring van [getuige 1] dat de personenauto met kenteken [AA-00-BB] door [betrokkene 1] is gekocht en opgehaald, in bijzijn van zijn broer [aanvrager], en dat [betrokkene 1] de auto zelf op naam heeft gezet;

- een proces-verbaal van verhoor d.d. 4 juli 2007, onder meer, voor zover hier van belang, inhoudende als verklaring van de aanvrager:

"U geeft aan dat ik in mijn aangifte heb gesproken over een rode Honda Civic. Ik kan u daarop mededelen dat dat niet de juiste auto betreft. Dit moet een Ford Escort, volgens mij grijs zijn. Ik kan mij het kenteken niet meer herinneren. U deelt mij mede dat van 02-10-2004 tot 15-02-2005 een Ford Escort kleur blauw met het kenteken [AA-00-BB] op mijn naam heeft gestaan. Dan zal het dat kenteken wel zijn geweest.

U deelt mij mede dat uit onderzoek is komen vast te staan dat de betreffende personenauto met mijn rijbewijs op naam is gezet. U vraagt mij hoe mijn broer in het bezit van mijn rijbewijs is gekomen om de auto op naam te laten zetten. Daar heb ik al vaak over nagedacht. Ik heb een werktas. In deze werktas zitten mijn papieren, waaronder het rijbewijs. Destijds woonden mijn broer [betrokkene 1] en ik in het zelfde huis. De werktas zet ik bij thuiskomst in een hoek. Als 's avonds iemand het rijbewijs uit de tas haalt kan ik dat niet weten. Ik controleer dat niet elke morgen.";

- een proces-verbaal van verhoor d.d. 5 juli 2007, onder meer, zakelijk weergegeven , inhoudende als de verklaring van [betrokkene 1]:

"Opmerking verbalisant:

Dit verhoor wordt afgenomen middels vraag en antwoord. Daar waar een V: voor de tekst staat is dit een vraag of opmerking van de verbalisant (en). Daar waar een A: voor de tekst staat is dit het antwoord of de spontane opmerking van de verdachte.

V: Door uw broer [aanvrager] is aangifte gedaan van valsheid in geschrifte waarbij een personenauto door u op zijn naam zou zijn gezet.

U heeft reeds verklaard dat u dat gedaan hebt.

V: Op welke wijze heeft u de personenauto op de naam van uw broer kunnen zetten.

A: Om welke auto gaat het ook alweer.

V: Het was een blauwe Ford Escort [AA-00-BB]

A: Die heb ik samen met mijn broer [aanvrager] gekocht.

V: Voor wie was die auto dan.

A: Ik denk dat die auto voor mijn broer [aanvrager] was. Hoe zat dat ook alweer.

V: Ik heb in een faillissement gezeten. Mijn woning is toen openbaar verkocht. Ik was toen bezig met het rond krijgen van een nieuwe hypotheek. Het is toen fout gelopen. Door samenloop van omstandigheden is het fout gegaan.

A: Wie heeft de auto dan op de naam van [aanvrager] gezet.

A: Dat zou hij gedaan kunnen hebben dat zou ik gedaan kunnen hebben. Ik weet het bij god niet meer.

V: Heeft u ooit een legitimatiebewijs van uw broer gebruikt.

A: Nee dat kan ik mij niet herinneren.

V: Uit de gegevens van RDW is die betreffende personenauto op naam gezet met het rijbewijs van uw broer [aanvrager]. Heeft u het rijbewijs van uw broer gepakt om dat te doen.

A: Dat durf ik u niet te zeggen.

V: Heeft uw broer [aanvrager] u gevraagd om te zeggen dat u de auto gekocht heeft om zo onder een ontzegging besturen motorrijtuigen van 4 maanden uit te komen.

A Nee dat heeft hij niet gedaan. Ik heb dat zelf voorgeslagen omdat het mijn fout was.

V: Wat is dan uw fout als uw broer de auto koopt is het toch zijn verantwoordelijkheid om aan de verplichtingen te voldoen.

A: Ik of mijn vriendin reed in die auto. Het is mijn fout geweest met de verzekering.

V: Hoe is dat gegaan.

A: Ik zorgde voor die dingen, de verzekering enz. Ik voerde het hele huisgebeuren en alles. Ik heb mijn broer gezegd dat ik de auto liet verzekeren. Dat is toen fout gelopen.

V: Wie heeft die auto gekocht.

A: Die auto heb ik zelf betaald.

V; Waarom staat die auto dan op naam van uw broer [aanvrager].

A: Om die auto buiten het faillissement te houden.

V: Hoe komt die auto dan op naam van uw broer.

A: Mijn broer wist daarvan.

V: Waarom zegt uw broer nu dat hij daar niets van wist.

A: Geen idee

V: Bent u met het rijbewijs van uw broer naar het overschrijvingspunt gegaan en hebt die auto op naam van uw broer gezet. eventueel zonder of met medeweten van uw broer.

A: Dat durf ik u niet te zeggen. Het is in elk geval met medeweten van mijn broer geweest.

V: Hoe bent u aan het rijbewijs van uw broer [aanvrager] gekomen.

A: Ik heb hem het rijbewijs gevraagd. Voor mij is het vrij simpel hij wist ervan.

V: Hebt u die auto op zijn naam gezet of heeft hij dat zelf gedaan en u de auto ter beschikking gesteld.

A: Dat weet ik niet meer, maar ik zal geen auto op naam van mijn broer [aanvrager] zetten zonder dat hij daarvan afweet.

V: Heeft u het rijbewijs van uw broer zonder medeweten van hem gepakt en daarmee de auto op naam gezet.

uw broer verklaard dat u het rijbewijs mogelijk op een avond uit zijn werktas heeft gehaald.

A: Ik kan mij niet herinneren dat ik het rijbewijs heb gepakt zonder dat mijn broer [aanvrager] daarvan afwist.

V: Heeft u valsheid in geschrifte gepleegd door zonder medeweten van uw broer die personenauto met zijn rijbewijs op naam te zetten.

A: Nee dat heb ik niet gedaan. Mijn broer [aanvrager] wist dat de auto op zijn naam stond. Ik ben alleen vergeten de verzekering te betalen.

V: Hebt u de handtekening van uw broer vervalst om de auto op zijn naam te kunnen zetten.

A: Dat zou kennen, maar ik kan mij dat niet voorstellen.

V: Bent u alleen naar het overschrijvingspunt gegaan of is uw broer met u mee geweest.

A: Dat durf ik u niet te zeggen. Ik was toentertijd met zoveel zaken bezig.

V: Uw broer doet aangifte tegen u. ik kan mij dan voorstellen dat u zich dan de gang van zaken probeert te herinneren.

A: Er was in die tijd zoveel aan de hand. mij interesseerde het allemaal niet meer in die tijd.

Ik heb mijn broer voorgesteld om de boete te betalen en dat hij op zijn werk dan gedurende de vier maanden dat hij niet mocht rijden in de garage ging werken.

Dit wilde mijn broer [aanvrager] en [betrokkene 2] niet. Ze wilden er perse mee doorgaan.

V: Voelt u zich verantwoordelijk voor wat er nu gebeurd is en zo ja waarvoor dan.

A: Ik voel mij verantwoordelijk omdat ik de verzekering niet heb betaald. Voor het op naam zetten van de personenauto voel ik mij niet verantwoordelijk. Dat is zeker niet zonder medeweten van mijn broer gebeurd."

12. Voorts is bij de stukken gevoegd een uittreksel uit het register van de RDW met betrekking tot de voertuigen die op naam van de aanvrager, respectievelijk zijn broer, zijn gesteld (geweest). Daaruit blijkt niet dat door [betrokkene 1] in december 2004 een rode Honda Civic zou zijn aangeschaft; iets waarover de aanvrager zelf ook zegt zich te hebben vergist. Het uittreksel houdt overigens wel in dat [betrokkene 1] vanaf 30 augustus 2005, dus in de periode dat hij in staat van faillissement verkeerde (24 maart 2004 tot en met 1 februari 2006), twee voertuigen op zijn naam heeft gehad.

13. Als grondslag voor een herziening kan, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2°, van art. 457 Sv slechts dienen een door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstig vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

14. Van de in de aanvrage genoemde omstandigheid kan zonder meer gezegd worden dat deze de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting niet is gebleken en dat deze het ernstig vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde. Aanvrager zou dan immers niet degene zijn geweest aan wie, zoals tenlastegelegd, een kenteken was opgegeven als bedoeld in art. 30 WAM.

15. De vraag is of genoemde omstandigheid voldoende steun vindt in de opgave van de bewijsmiddelen. Dat brengt mij op de vraag of ook hier het criterium van het "ernstig vermoeden" moet worden aangelegd. In veel gevallen zullen de vraag of er sprake is van een novum en de vraag of de bewijsmiddelen het als novum gestelde in toereikende mate onderbouwen, niet kunnen worden onderscheiden.(3) Zo'n geval deed zich bijvoorbeeld voor in HR 23 mei 2006, LJN AV6095 waarbij een verklaring van een anonieme getuige werd opgevoerd ter adstructie van de stelling dat de Rechtbank, zo zij op de hoogte was geweest van die verklaring, het beroep op psychische overmacht van de aanvrager gegrond had geacht. In die gevallen zal ingevolge art. 457 lid 1 onder 2o Sv als maatstaf moeten worden aangelegd of uit die verklaring het ernstige vermoeden voortvloeit dat de rechter zo hij deze verklaring had gekend, de aanvrager - kort gezegd - niet had veroordeeld. Zijn, zoals in het onderhavige geval, de vragen of van een novum sprake is en zo ja of dit novum voldoende steun vindt in de bewijsmiddelen te scheiden, dan dwingt de wet er niet toe een zo strenge maatstaf aan te leggen en zou voldoende kunnen zijn dat de aangedragen bewijsmiddelen, mede gelet op de resultaten van het eventueel op verzoek van de Procureur-Generaal verrichte onderzoek, een redelijk vermoeden van juistheid van het gestelde novum opleveren en het aan de feitenrechter moet worden overgelaten om deze op hun geloofwaardigheid te onderzoeken.

16. Tegen deze achtergrond meen ik dat het gestelde novum voldoende steun vindt in de opgave van de bewijsmiddelen. De bewuste Ford Escort is gekocht door de broer van aanvrager (aldus [getuige 1] op 2 juli 2007). De aanvrager en zijn broer vormen samen een eeneiige tweeling (aldus aanvrager, [getuige 1]) en woonden ten tijde van de tenaamstelling van de Ford Escort op hetzelfde adres (aldus aanvrager; volgens zijn broer was diens woning verkocht en deed hij het hele "huisgebeuren"). De broer van de aanvrager verkeerde ten tijde van de tenaamstelling van de Ford Escort met het kenteken [AA-00-BB] in staat van faillissement. Daarom had de broer van de aanvrager, zoals hij zelf verklaart, alle reden de auto op naam van zijn broer (aanvrager) te zetten. De algemene ervaring leert dat de helften van een eeneiige tweeling, zoals in het onderhavige geval ook blijkt uit de verklaring van [getuige 1], een zo sterke gelijkenis vertonen, dat zij moeilijk uit elkaar zijn te houden. Nu de aanvrager en zijn broer ook nog op het zelfde adres woonden had de broer van aanvrager een uitgelezen mogelijkheid zich voor aanvrager uit te geven en is niet onaannemelijk dat hij zich in het bezit kon stellen van het rijbewijs van de aanvrager. Een en ander wordt nog versterkt door hetgeen de broer van de aanvrager stelt over de tenaamstelling van de [C] LTD.

17. Dat de broer van aanvrager aan het einde van de faillissementsperiode wel auto's op zijn naam heeft gehad behoeft aan het voorgaande niet af te doen. Voor het zetten van de auto's op de naam van aanvrager diende aanvragers broer immers te beschikken over het rijbewijs van aanvrager en het is niet duidelijk of hij toen nog woonde bij aanvrager en hij zo in de gelegenheid was zich daarover ter tenaamstelling van het kenteken de beschikking te verschaffen.

18. Over de vraag of de aanvrager bekend was met het gebruik van zijn naam door zijn broer lopen de verklaringen van de aanvrager en zijn broer uiteen. Voor het onderhavige feit is dat niet van belang. Heeft de broer zich uitgegeven voor de aanvrager, dan is de broer van de aanvrager en niet de aanvrager degene aan wie het kenteken is opgegeven. Heeft de aanvrager zijn broer de gelegenheid geboden zich voor hem uit te geven - gezien de problemen die de onderhavige zaak en de [C] LTD hem kennelijk opleveren ligt dat niet voor de hand - dan kan hij zich aan enige vorm van deelneming aan het onderhavige delict hebben schuldig gemaakt, maar ter zake daarvan is hij niet veroordeeld en daarop is de tenlastelegging niet (mede) toegespitst.

19. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond verklaart, voor zoveel nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 5 juni 2007, LJN BA1024, NJ 2007, 341.

2 Zie M.J.A. Duker in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 6 op art. 459 (suppl. 161, juni 2007), die erop wijst dat het voorstelbaar is dat aanvullende bewijsopgaven eerder voor acceptatie in aanmerking komen dan aanvullende verzoeken tot herziening.

3 W.J.A. Duker, Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 6.9 op art. 457 (suppl. 157, oktober 2006) wijst erop dat de Hoge Raad beide vragen niet pleegt te scheiden.